IS. QUERIDO

(* 1874)

Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel,

dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn

studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van

in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal

voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele

anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van

den pianist Schäfer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ...

tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend

dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap.

Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen

Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten,

ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek

bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak.

De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van

dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje

mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel

bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een

dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al

bij de hand.

Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het

heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening

moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de

rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst

van de moderne parlementariërs, vertelde er in de gauwigheid bij, dat

hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar,

maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn

sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote

massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij

alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een

nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge

loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over

wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het

misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige

beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle

vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de

ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt

te beginnen.

Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een

enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat

het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls

sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te

schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de

wording bijwoonde.

En hij vertelde:

--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar.

Toen heb ik, geïnspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een

roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde

"knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig

was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk

iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had

toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van

te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven

van die fout.

Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens

psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van

herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar

natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal

natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem

maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan

zijn groote kracht veel naïveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar

door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die

eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat

ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch

voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er

misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een

diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op

de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute

behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend

vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van

zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na

zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging

hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken

onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest

aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als

hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving,

--weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder

om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk,

meneer, zóó!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek

verslonden.

Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd

opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik

moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon

dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd,

ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester

werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie

lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar

zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn

violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manège,

in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen

veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met

de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp

vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die

schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het

theatermenschen waren ... ik leefde te midden van hèlden. En ik hield

er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die

spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik

ging heelemaal op in mijn visioenen....

Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en

sprak met passie:

--Ik ben heelemààl niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch

waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets

zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan

kijk ik rond, en zie alles, àlles! Maar dat duurt nooit lang bij me;

uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met

mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein

zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door

vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit!

--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon",

onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering,

je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en

grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder

oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over

zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het

kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en

kalmpjes van stal.

--"Dat leventje, meneer...."

--"Ja, ik luister!"

--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik

kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid

is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft

onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en

oorspronkelijke levensopvatting. En op hààr aandringen ben ik gaan

schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets

af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik

zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij

werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in,

dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven

van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon

uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in

mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later

verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven".

Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de

groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos,

Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou

worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging

daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter

veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het

een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar

vooral van goddelijk ... van gòddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat

lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te

uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken

ik mijn gebreken zeer goed, meneer....

--Ik luister!

--... Ik ken mijn gebreken zéér goed! Ik weet, dat ik als lyricus

dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch

verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het

universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik

geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids",

heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele

tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar

toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in

uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die

maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje....

Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op

zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb

in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel

ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand

heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer....

--Ik ben geheel oor.

--... En wat ik ben, en àl wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te

danken.

Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten"

verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig

leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De

Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders

buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte,

dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897

beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me

of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan.

Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik

behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire

en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke,

die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische

studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd

mij plotseling mijn roeping nóg duidelijker. Ik begreep, dat ik niet

alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van

critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij

beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een

eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik

moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen,

meneer ... d'Oliveira....

Ja? Ik luister....

--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb

niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven

... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op

"Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet

alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van

zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde

orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks

over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel

détail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen

moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een

opeenstapeling van détails brengt een groot geheel.

Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op:

Hé, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit

iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ...

je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes....

Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel

succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van

Bresser werd een ongeëvenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd.

En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat

boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen

heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver één

treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer!

Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature wàlg ik

van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het

gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den

dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale

element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd

ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen

aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang"

op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die

liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote

realisten naar 't hoofd gesmeten.

Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het

realisme in "Levensgang"....

De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan,

was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet

kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met

grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige

bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van

dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en

over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van

het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere

blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De

Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik

hem. Als u eens met mij mee wil lezen:

"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw

wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een

talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en

nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen

de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar

ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven,

want het is een compliment...."

Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond,

dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat

hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel

woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus

Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek,

maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van

beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar

Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te

veel.

In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en

dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering

"Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het

ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend.

Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als

na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen

toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo

te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren

probeerden af te breken.

--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens

bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog:

--Toen ik nog geen regel, nog geen réegel van "Menschenwee" of

"Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira....

--Toen?

--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven,

dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand

met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere

manier, laat ik u dàt vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk

leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in

het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het

eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat

ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van

Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste

scheppers.

--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij

iemand?)

--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en

daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de

periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving.

Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos.

Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke

vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog.

--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets

heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te

schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik

natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte....

Ik vind, dat men dàn alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel

en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer

afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot

het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij

haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij

heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek.

--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand

komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt

niet meer.

--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen

ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het

midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden

genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik

vind het een rámp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een

meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te

_uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote

kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poëzie.

In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak

groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik

zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie

gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken

doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer....

--Ik ben geheel aandacht.

... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in

dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed

dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie,

lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar één hoog

punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig

menschen in staat dat te doen....

Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest

antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid

van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote

schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men

den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die

toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef

en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden,

kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan

doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu

het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als

gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment,

is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren

in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden

door objectieve critici.

Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat

lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en

modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel

voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen

werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met

groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't

tegenhouden.

Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te

schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische

conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee",

geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om

even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven.

Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar

ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb.

Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine

schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin

kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat

misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het

allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij

niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan

't Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken

verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het

eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den

tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het

leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder

geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent

analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden

aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den

anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de

interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van

de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den

mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat

de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt

er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot

iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al

hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen:

't laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook

naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk

kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte

woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel!

--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en

dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen

naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien?

---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik

was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken

had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met

uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van

"Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar

staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik

zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik

ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig,

prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde

eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel

gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook

vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich

er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!"

O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als

ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had

afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had

ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb

ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om

jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen.

Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig

vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts

onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te

onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn

vrindjes. En moordend ... móórdend is hij opgetreden tegenover jongeren,

die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter".

Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke

gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van

terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet

uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na

te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van

zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat

vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en

zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders

zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem

daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den

kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde

manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp....

--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een

bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn

moet. Alles is te essenciëel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op

geraffineerde détails. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste

werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door

het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van

kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde

naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws,

terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote

kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het

Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt.

Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer

realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De

verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit

toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is

iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen

glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone.

--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn

intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist.

Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen

een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik

het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_.

Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen

wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij

mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om

de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op

een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan

komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de

stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om,

terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein

muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten

kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat

staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte

meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de

kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De

wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen

meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend-

vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten

van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden

zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een

objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een

onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over

heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude

pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op

alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg

't u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een

schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige

schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik

mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de

Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving

... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar

heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen

aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie

van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in

ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen

als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik

het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf

schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper

toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den

_drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut

schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament.

Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden,

zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige

buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik

leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit

werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De

hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog

eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_

dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets

in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij

hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring

uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut

ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie

zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het

eigenaardige feit voor, meneer....

--Ik luister.

--... is er één natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt,

de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw

in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen

op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche

zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige

crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de

gevangenis, meneer, nóóit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O!

die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een

misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u

kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van

de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de

kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitué, de inbreker denkt,

leeft, voelt, werkt?...

En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de

alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils,

samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel

verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het

gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik

werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan

wandelen.

En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist

de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook

't allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft

toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre

staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn

onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?"

Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig

halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok

mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte

violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar

achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger

geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het

niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te

zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in

de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den

avond af. Nog een paar minuten, en Querido, vóór zijn orgel, deed zoete

schemerharmonieën tonen door 't kamerruim....

Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een

van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er

een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden.

Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote,

trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd,

maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik

zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb

weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben

gedaan indien ik anders hadd' gehandeld....

Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen

zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn

ideeën.

Misschien had ik er ook wél naar gevraagd ... en mij ten slotte maar

neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken

... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te

beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te

spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan,

klopte ik aan zijn deur.

Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste

woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren

waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste

bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met

aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een

leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei

soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij

hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen.

Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van

het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in

zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al

vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat

sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens,

leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeën

sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer

goed. In zijn geliefkoosde houding, één voet op 'n stoel, de elleboog

steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk

geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier

weergeef, de conclusie dekt:

"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend

succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende

besprekingen is o.m. één voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is

pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn

uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat

zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn

"Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme

en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school,

die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern

van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en

lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit

ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt

een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke

realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van

den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch

in mijn "Meditaties", toen was ik eenëntwintig, ziet gij _precies_

hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn

wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd

realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door

een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal

aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de

realiteit werpt.

Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door

zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die

heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting

van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk

hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger

uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept.

Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het

schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het

visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essenciëel

en niet iets nieuws brengends geweest toen.

Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur

altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk:

mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in

de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch

vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen

waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen

kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren,

diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in

"Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging

in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af

gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel

zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in

voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en

hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeën en

symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf

de ideeën en symbolen in leven....

--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven

had, over "Ideeën" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek

sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studiën

verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideëelen_ inhoud van

zijn werken.--

Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik

ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen

hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de

mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur

moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare

boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote

menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk

scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle

geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven,

afzonderlijk genomen als symbolische ideeën, zijn met hun innerlijk en

hun hartstocht eerst ménschen geworden en tegelijkertijd symbool in

Shakespeare.

Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de

figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering

aanleiding heeft gegeven. Daarin is in één persoon vereenigd teederheid

en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het

symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een

zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een

groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man

verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken....

--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante

greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente

boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem

toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde

aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin

... hij zou mij die critiek wel sturen.

--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van

nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler.

Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat

ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat

het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En

dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en

volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische

elementen van de maatschappij.

Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee

van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker

zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar

vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch

objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat

wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren

uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante

greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die

hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief

boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit

niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij

voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als

een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan

lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn

innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van

dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere

persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de

levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met

ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke

appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en

de maan en den mensch zelf.

--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen

dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de

wijsbegeerte van het historisch materialisme.

--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het

historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat

zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan

worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers

aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een

bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te

geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte.

Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het

historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid

ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter,

doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte

en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is

iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het

volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat

van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van

meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik

zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die

volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk

geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden

betrokken in den gezichtskring van alle proletariërs. Hoe zou het ook

kunnen?

De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in

een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt

die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is

zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke

menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele

leven vullen.

Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun

historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in

bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk.

Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die

occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal

occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in

lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver

occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de

massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het

individueele.

--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van

uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den

anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote

massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden

door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig

in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij

en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige

documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan?

Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die

hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht

voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische

kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve

bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den

documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik

in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men

voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al

gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de

realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk

te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het

vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar één keer mee ben

geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven.

Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn

geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair

verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de

realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor

hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het

doorloopend fantasie.

--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt

uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de

waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten.

--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik

heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die

nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet

weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid

aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het

gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij

kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik

zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in

"De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven

heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben.

Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit

veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die

zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder

verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet

leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms

ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel

romanschrijver te zijn.

--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij

mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de

eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven?

--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel

zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een

roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang

beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u

weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op

"Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril

of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als

voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om

de dingen in dialoog en in scène te zetten. Toen heb ik daarop

geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof

niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden

gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar

hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het

voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik

heb den Saul van Israëls gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van

Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot

een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is

niet voortschrijdend. Zij vat wel samen één moment, doch de

ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan

alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters

is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David

(Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel

dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en

dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan

de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden.

--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou

antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem

geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd.

Dàn zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen

en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het tòch maar navertel.

--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en

David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten

beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van

gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat,

hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al

die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk

hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een

bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele

menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den

geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en

onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot

gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik

in zijn wezen willen teekenen.

De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is

een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch,

religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een

dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar

geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze

voeten willen zetten.

Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van

tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op

één lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den

dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste

kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de

treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak,

oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan

welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen

dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt.

Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter

ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed

uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo

merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken

geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt

door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte

ook moeten worden geïnterpreteerd door dengeen die ze ziet en de

samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener.

Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel

is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en

beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de

innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude

Jóódsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik,

rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende

dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de

Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van

de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een

opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het

feit, dat Rembrandt zoo ná is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij

een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld

heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar

ook in al zijn duisterheid.

--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben

sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat

hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van

Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die

onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote

lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot

voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele

plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen

aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuïten het

doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig

levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de

vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar

niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen,

omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom

moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in

dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt

natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den

kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de

bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in

Saul geweldig heroïsche elementen zijn, die in dezen tijd niet in die

mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst

van het woord, ook niet voor de proletariërs een zeer genietbare

kunst,--àls die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van

Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige

middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk.

Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook

socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou

nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat

hij het episch en dramatisch vermogen mist....

Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de

twee woorden "Querìdo" en "evolùùtsie" krijgertje door mijn bewustzijn.

En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am

Ende--was du bist"".

De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven · 第 20 / 35 题