[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei
1891)]
[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS]
(* SEPT. 1868)
De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte
heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking
van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk
is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef
getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat
hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van
zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien.
Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van.
En nu hij vóor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste
kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige
pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het,
ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk
gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij
menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende
vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd
gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons
innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat
ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken.
Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is
geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in
overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80
die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de
inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden
of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens,
hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door
oriënteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan
denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij,
Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieën
niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had
weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden
mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't
eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij
word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn
positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij
vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander
naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die
buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen.
Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven
kortelijk aangaf:
--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al
geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de
neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_
een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de
gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier
na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik
altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en
opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer
quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde
klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan
opstellen voor maken. Maar vóór dien tijd had ik al lang het plan dit
voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben
daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was.
--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het
gesprek op de principiëele zaak te brengen.
--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is
bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te
propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen
geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een
verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de
menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert
graag, de ander schrijft graag.
Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat
naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen,
waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom
ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde
Plant".
Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone
werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel
altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel
goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken.
Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn
vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt.
Daarenboven was ik vrij jong geëngageerd en ging graag 's avonds nog
even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten
schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts
tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat
gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en
dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een
beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer:
wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een
tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?"
en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu
begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's
avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen.
Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard
Bandt" geschreven.
Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat
ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids",
waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien
anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de
dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af
gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen
anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren
ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las
maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik
bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep
in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik
heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog
jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de
beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik
vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken
verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt:
de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van
Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd
om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast
te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes
doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van
Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat
moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen
gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort
van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren
wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij
geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik
meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik
was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een
gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang
geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig
niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten
loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik
tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1
Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande
jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen
van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer
vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens
driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde
nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen
bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en
tweeëneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van
1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen
en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en
de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in
1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek.
Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel
anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met
een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb
dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het
werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op
neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een
heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook
was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware
aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook
studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover
geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van
Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en
een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de
Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de
herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen
begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen,
dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van
Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in
de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet
over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag
neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan
wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven.
Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire
scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen.
--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van
dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot
de Nieuwe-Gids-beweging.
Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging?
--Deze beweging is al dikwijls gedefiniëerd, en dat is in het algemeen
wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de
persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door
verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het
"op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee
ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk
een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan
geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de
Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland
zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere
verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de
zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als
ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de
jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die
maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie
heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt
had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat
platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover
een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de
middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel
te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits
gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven
in de dingen des levens.
--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter
kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen?
--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in
willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend
kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens
leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze
over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende
landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk
eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de
zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal
een dergelijke verfrissching merkbaar.
Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen,
of het bij mij méér is geweest de omgevende wereld, die mij tot een
zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het
voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik
toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de
dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken,
of dit mij sterk geïnfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij
mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad.
Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius,
dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al
kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die
gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche
schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk
en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd
behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou
kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt,
maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het
rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat
natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van
veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zòo diep heb
uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven
heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen
vaststellen.
--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier
appreciëerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde
hierop:
--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het
algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt
had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen
zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af,
in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft,
nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambiëerd
om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat
daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er
voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te
geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten
samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is
geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan
of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme
gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan
was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven.
Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de
bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden.
Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet
hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker
pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan
afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het
sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons
dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld
wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook
aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil.
Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat
opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv.
subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar
kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar
voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik
geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog
geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd
ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te
zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de
Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat
niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de
verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te
bewijzen in zijn woord.
--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn
wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone
dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden
invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te
stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik.
--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich
dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar
streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat,
en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste
vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken.
Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel
zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de
menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet,
dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan
mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den
mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet
kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de
"Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd
heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische
strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of
liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers
bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in
zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het
vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat
denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den
menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar?
Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er
toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren
door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit
mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar
iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische
verdediging van zijn werk.
Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen
verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed
verdedigen.
Er bestaat maar één mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of
dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde.
Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst
ontwikkelden het meest begrijpelijk is.
Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet
voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand
verricht een of andere faire daad, géén wraak neemt, of edelmoedigheid
betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke
omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat
soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is
altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je
een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren
zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is
maar één mooi.
--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad
gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw
in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden
door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch"
genomen in de beteekenis van "handelend"?
--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je
kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te
leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat
op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben
wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te
geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je
het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de
gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de
productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering
gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat,
wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de
neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook
gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de
productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een
uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan
de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut
geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate
van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie?
Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt,
dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materiëele. Maar, al
ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en
alle theorieën van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en
met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat
wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het
gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu
denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke
harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het
boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de
menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging,
maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder
tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat
louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet
vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook
daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk
individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen
menschelijke gevoelens bevatten.
--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in
het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande
tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten
toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon
hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van
Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn
beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent?
--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft
ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende
liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is
het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten,
wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft.
De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd
wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou
gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die óók heel
verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te
noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere
uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de
ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige
menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw
lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan
schéppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd
zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe
beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen,
die op dezelfde manier ziek zijn.
--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een
overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed
haaksch maken als een gewoon timmerman.
--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn
zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind
ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een
heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd
en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de
besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik
geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit
van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter
zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig!
--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook
zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en
kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk
socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen
tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de
waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het
eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen
menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het
gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een
ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook
de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk
toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun
tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een
ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer
compleete overheersching van de massa viel te verwachten.
--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij
een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen
veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en
groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en
groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen
zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste
proletariër. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent.
Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen.
Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar
heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en,
dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en
sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te
verdrukken.
--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met
een Fénélon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter
van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der
arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?--
--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf
te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft
ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven
is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn
werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets
van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is
zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende
boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele
verschillen zijn waar te nemen.
--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa
dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt.
--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij,
hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de
geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld
van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren
geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij
worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en
doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen
ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van
de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik
heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind,
dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij
de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het
een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal
buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van
schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars,
zooals het vroeger, en zéker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u,
dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden
ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken
invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van
menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun
politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken
nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid
van toen werd door het geloof geïnspireerd.
De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig:
naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door
voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral
door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan
meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen,
in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een
monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de
middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van
dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En
naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand
meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken
die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben
alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende
kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is
heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit
zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar
daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten
onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door
de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn
voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die
voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen
tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een
harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten,
maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de
décors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat
kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in
het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot
groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar
bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk
zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de
Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat
principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u
begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten".
Vóór dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als
buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er vóór de
negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die
hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er
tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook
"philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden
je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel
voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig
een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er
zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben
gehouden.
--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven
hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet
geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat
hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt.
--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om
vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf
werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er
is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen
voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het
voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan
subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander
instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven
kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen
ziel.
Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen
menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een
zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te
begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over
het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn,
wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een
uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat
verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit
te drukken hadden sterk individueel was.
--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er
wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft,
zichzelf als kunstenaar benadeelen.
--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft
eenvoudig geen hoûvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik
zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is.
Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen,
waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te
spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken
wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal,
spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van
een boek, het karakter, de compositie....
Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur,
al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs
die tusschen proza en poëzie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen
betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het
voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het
karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essenciëele. Dat is
ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme".
Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik
zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch
wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan
nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het
moment voelde dat ik moest doen.
--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de
maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die
verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen
invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die
toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die
conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen.
--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het
werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande
maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de
conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter
worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij
waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van
vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die
conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van
een hoogere orde, welnu, _tant mieux_!