FRANS BASTIAANSE

[Illustratie: FRANS BASTIAANSE Jeugdportret]

[Illustratie: Foto Brok--Hilversum FRANS BASTIAANSE (eind 1913)]

(* 1868)

Onlangs ontmoette ik een dame, die al zijn verzen van buiten kent, zoo

vaak had ze die, bewonderend, gelezen. Kort daarop sprak ik die dame

weer. Ik heb hem gezien, zei ze, maar hij is mij bitter tegengevallen:

hij is zoo'n gewoon mannetje....

Mij is het juist andersom gegaan. In een plaats als Hilversum, waar het

meerendeel van de menschen tot een allerbanaalst type behoort, valt een

echte persoonlijkheid spoedig op, en zoo had ik allang het mijne gedacht

van een niet kleinen maar ineengedrongen mijnheer met norsch starend

gelaat, die in mijn buurt woonde. Hij was steeds bijzonder goed gekleed,

maar blijkbaar liefhebber van een soort rustieke deukhoeden, die,

vergeleken bij zijn overige kleedij, welhaast bizar zijn. En als hij mij

traag voorbijpeddelde of met afgemeten passen langs mij schreed, telkens

gaf hij mij de sensatie van een opgesloten en eenigszins beschaafden

leeuw, van wien men nooit zeker kan weten, of hij niet op klaarlichten

dag doodkalm zijn klauw, tusschen de traliën van zijn kooi door, in de

spieren van den toeschouwer zal slaan. De lezer begrijpe goed: Niet de

uiterlijke verschijning van dien mijnheer had gelijkenis met een leeuw,

maar zijn innerlijk, dat ik raadde, had voor mij iets ontembaars.

Toen ik nu ontdekte dat die mijnheer Frans Bastiaanse heette, was ik

niet verwonderd. Ik aanvaardde de ontdekking gemakkelijk. Een

onafwijsbaar licht ging mij op over zijn verzen, nu ik wist dat de

dichter "van buiten ijs, van binnen gloed" was.

In een huisje, niet ver van het mijne, met een ruim uitzicht over de hei

en dat hij, tot mijn verbazing zonder ironische bedoelingen, "De Vlakte"

heeft genoemd, woont deze idealist, die zich grimmig gelaten beweegt in

de burgerlijke positie van leeraar aan een burgerschool. En voor zoover

hij niet reeds uitteraard ongenaakbaar is, wordt hij dit met behulp van

zijne vrouw, die met een gezicht, zoo zonnig dat men het nog aangenaam

vindt op den koop toe, de bezoekers op een afstand houdt en zoo zijn

weinige vrije uren bewaakt.

De lezer zal wel begrepen hebben dat Bastiaanse mij, toen de kennismaking

ondanks alles een feit was geworden, op sommige punten maar weinig nieuws

had te vertellen. Hij was daar trouwens niet toe geneigd, want hij had

een zeldzaam grimmige bui--dat zégt wat, niet waar?--en ik was al dra

een beetje afgetrokken. Want zelden heb ik zoo sterk het verschijnsel

waargenomen, ja getast, dat twee gedachtegangen (die van Bastiaanse en

de mijne dus, in dit geval) elkander ik zou bijna zeggen rakelings

voorbijgaan, zonder elkaar te ontmòeten. Nu was dit verschijnsel

vooral merkwaardig, omdat ik hier zoowaar te doen had met iemand van

academische opleiding, die reeds vele jaren docent is, en nog wel o.a.

in de geschiedenis, en die dus ongetwijfeld groote oefening en

vaardigheid bezit in het waardeeren van andermans meening. En toch, nu

het ging om het innigste, het eigenaardig-persoonlijke, kreeg hij het

gevoel dat ik vroeg om te strijden, en heel-even stonden we als

blazende katers tegenover elkaar; om het daarna glimlachend op te

geven en ons te verdiepen in de beschouwing van een mooie teekening.

Want we hadden de scheidingslijn geraakt.

Doch ik loop vooruit. Hoor hem eerst van zijn jeugd vertellen, woordkarig,

zoo langzaam dat men aan het eind van ieder woord vreest dat hij er genoeg

van krijgt, en blij als hij gelegenheid heeft het een of ander te

verpletteren onder een zwaar woord, waar een languitgehaalde, dikke _l_

uit rolt:

"Ik ben uit een vo_l_komen ondichter_l_ijk milieu voortgekomen. Bij mij

thuis waren alleen te vinden wat Aurora's, de Heidelbergsche

catechismus, en Motley's "De opkomst van de Nederlandsche republiek". En

als ik iets aan mijn omgeving te danken heb, dan zou ik zeggen dat het

aan mijn vader is, een man van groot doorzettingsvermogen, die zich uit

de lagere standen door energie en intellect had opgewerkt. Die liet mij

ook volkomen vrij, en toen hij begreep dat ik niet in den handel wilde,

mocht ik het vak van mijn keuze kiezen. Maar hij waarschuwde mij er

voor, schoolmeester te worden: dat was het jammerlijkste vak dat ik

kiezen kon....

Op de lagere school, toen ik een jaar of tien was, begon ik de

verhaaltjes die wij moesten schrijven, in plaats van die in gewoon proza

na te vertellen, in verzen, natuurlijk prulverzen, na te vertellen. Dat

is het begin geweest.

Ik ben ook een tijdlang op kostschool geweest in Oosterbeek en daar heb

ik bijzonder veel aan het natuurleven gehad, hetgeen dan op mijn denken

en gevoelsleven wel invloed heeft geoefend.

Op de burgerschool in Utrecht, op mijn zestiende of zeventiende jaar,

ben ik weer gaan schrijven. Dat kwam spontaan. Tusschen mijn

allervroegste prematuur ontwaken en mijn eigenlijk gezegd bewust

optreden als dichter liggen dus een jaar of zes, zeven. Het begon toen

met prullaria: Ik herinner mij een gedicht op een historisch gegeven: De

slag op de Catalaunische velden. Ik had nog geen metriek geleerd en

voelde dat er aan mijn Alexandrijnen iets ontbrak. Ik kon er maar niet

achter komen wat. Later, het gedicht overlezend, zag ik dat de caesuur

op de verkeerde plaats viel....

Maar toen kwam een gewichtig oogenblik in mijn leven. Doordat mijn vader

mij nogal vrij liet, kon ik vrij wat boeken bestellen, en zoo was ik ook

op "De Gids" geabonneerd. Ik kwam toen bij mijn boekhandelaar, die mij

zeide: Er is ook een ander tijdschrift, wilt u het eens inzien? Dat was

"De nieuwe Gids". Ik ben ermede naar huis gegaan en heb de aflevering in

één stuk doorgelezen. Direct begreep ik, dat dat nu was wat ik eigenlijk

moest hebben. Men heeft wel eens opgemerkt: er staan in de "Nieuwe Gids"

van die dingen waar je eerst aan moet wennen en dan pas kon je achter de

schoonheid komen, maar ìk voelde het direct. Het was in den tijd dat Van

Deyssel zijn critieken schreef en Kloos zijn prachtige verzen, die zijn

opgenomen in het "Boek van kind en God". Daar had ik terstond een groote

bewondering voor, en dat is ongetwijfeld van invloed geweest op mijn

vorming. Meer invloed moet ik nog toekennen aan de theorieën van Kloos,

zooals die in het begin van die periode telkens verschenen in zijn

literaire kronieken. Het is mij vaak gebeurd dat ik van een schrijver

niet veel las, maar uit een aantal verzen mij de gevoelswereld, waarin

hij zich bewoog, eigen maakte. Dan ging ik weer mijn eigen gang. Zoo ook

toen. Ik zat in de vierde of vijfde klas van de H.B.S. en ging weer mijn

eigen verzen maken, doch die leken aanvankelijk wat veel op die van de

"Nieuwe Gids". Ik heb ze dan ook onrijp gevonden en ze later allemaal

achtergehouden.... In dien tijd kwam ik met de afleveringen van de

"Nieuwe Gids" op school, ik liep er mede door de gangen en droeg zorg

dat de leeraren het zagen. Zij vonden dat, naar ik dacht, een

huiveringwekkend gezicht.

Toen ik eind-examen had gedaan, besloot ik na eenige aarzeling, in de

literatuur te gaan studeeren. Ik had van letterkunde, zooals die aan de

academie wordt onderwezen, geen goed begrip; ik dacht dat ik aan de

academie "de literatuur" zou hooren. Ik deed eind-examen gymnasium, en

ging in de Nederlandsche letteren studeeren. Ik was spoedig

teleurgesteld en heb ook lang overwogen, er maar den brui van te geven

en eenvoudig literator te worden. Maar mijn neigingen brachten mij

volstrekt niet tot realisme, en ik begreep wel, dat iemand die niets

anders deed dan verzen maken, om te kunnen leven in de een of andere

slavernij moest vervallen. Toch heeft het lang geduurd, voordat ik mij

resigneerde om te blijven studeeren: Anderhalf jaar heb ik geen college

geloopen.

Ik nam mijn besluit juist in den tijd, toen het mis ging met de "Nieuwe

Gids". Het wegvallen van het geestelijk milieu in ons land deed me

pijnlijk aan. Want, niet waar, je leeft als individuen naast elkaar en

je hebt in de sfeer waarin je leeft wel eenige aanknoopingspunten

noodig. Dat maatschappelijk bankroet, dat ik in het ineenvallen van de

"Nieuwe Gids" proeven kon, heeft mij gedeeltelijk tot inkeer gebracht,

en heeft bij mij het voornemen doen rijpen om af te studeeren, zoodat ik

niet een maatschappelijk afhankelijk persoon zou worden, dat ik mij zelf

kon redden en daar bovenuit kunstenaar kon zijn....

Nog iets anders heeft daartoe meegewerkt. Max Nordau heeft een boek

geschreven: "Ontaarding"--een van de meest abjecte boeken die ik ken.

Hij beweerde o.a. dat de groote dichters als Goethe complete menschen

waren, maar bovendien nog kunstenaars, en dat de tegenwoordige dichters

incomplete menschen waren. Goethe was overcompleet, zei hij zoo

ongeveer, die had ergens een compartiment in zijn bestaan waar «en

volkomen burger in zat, en dat heb jullie niet. Ik vond dat dat

heelemaal onjuist was, en toen dacht ik: Ik zal die paar examens doen,

dan kan ik het maatschappelijk werk dat te doen is ook op mij nemen,

dan toon ik ook een overcompleet mensch te zijn. Ik beschouwde die

maatschappelijke taak wel niet als het schoonste, maar toch als een

noodzakelijke plicht. Ik besloot een gewoon mensch in de cultuur te

worden, waarvan ik in mijn eerste jeugd een hartgrondigen afkeer had

gehad.

Ik ging toen een poosje naar buiten, en begon te werken voor mijn

candidaatsexamen. In den tusschentijd had ik eenige verzen geschreven,

die in enkele jaargangen van den Utrechtschen Studentenalmanak waren

verschenen. Eenigen daarvan zijn door Van Eeden beoordeeld, die tot de

conclusie kwam, dat Boutens, die toen ook verzen publiceerde, en ik

misschien weleens zouden weten van ons leven, wat een goed vers is. Een

van die gedichten is "Middag aan den heuvelrand", later opgenomen in

"Natuur en Leven". Van Deyssel heeft daar later over geschreven.

Ik was toen 23 jaar. Wat voor den pianist de vingeroefeningen zijn, dat

was voor mij het schrijven van mijn vroegste gedichten. Zoo goed als

ieder ander kunstenaar heeft de dichter grondig zijn métier te leeren.

Wat nu mijn levenshouding betreft--ik sta hoofdzakelijk op het standpunt

van den aristocratischen eenling. Ik vind dat het geestes-aristocratisme

steunen moet op een bijzonder groote mate van kennis en op het diepste

menschelijk gevoel. Een gevoel echter, dat nooit mag leiden tot den

ondergang van het individu. Ik bedoel dit: Ik zou nooit een leven kunnen

leiden als bijv. Verlaine--een leven van armôe en ellende. Dit heeft ook

gemaakt--die dingen werken allemaal op elkaar terug--dat ik mij

maatschappelijk zelve door het leven wenschte te slaan.

Maar het spreekt wel van zelf dat ik geen kind zou zijn van mijn tijd,

wanneer ik niet ook op gegeven oogenblikken de behoefte in mij had

gevoeld naar aansluiting bij de massa van gelijkgezinden. Ik heb een

oogenblik gemeend, zooals zoovelen, dat ik dit wellicht in het

socialisme zou vinden, daar ik het in de nuchter-practische gemeenschap

van de bourgeoisie niet vond. Want voor een massa van die menschen is de

poëzie dood. Ze hebben er niets aan. Te midden van hen kun je je als

eenling voelen, maar nadere gemeenschap heb je niet met hen. Wat zij

zwart noemen, dat noem je gewoonlijk wit. Zoo ga je zoeken naar een

andere gemeenschap, en toen ben ik ook wel enkele malen op een

socialistische meeting geweest.

Maar die toon van gemeenzaamheid, die vervlakking van de

persoonlijkheden, die daar voorkwamen, leken mij aan den anderen kant

weer even verkeerd. Want ik ben wel voor de vrijheid, maar zeer sterk

tegen de gelijkheid en de broederschap, in dien zin dan dat daardoor het

persoonlijkheidsbesef zou worden aangetast. En hoe meer iemand zich

differenciëert van de massa, des te meer zal hij in staat zijn om

datgene te maken wat de massa niet vermag. Dus: Ik ben voor de grootst

mogelijke ongelijkheid, en dat heb ik toen goed gevoeld. Eerst heb ik in

dien tijd met Gorter terloops gesproken en daarna grondiger met Tak.

Aan Tak heb ik één wijze raadgeving te danken, die ik nog dankbaar in

gedachten houd: Hij waarschuwde mij, mij niet in dit opzicht door mijn

gevoel, maar slechts door mijn intellect te laten leiden. En toen ben ik

het historisch materialisme en de socialistische theorieën gaan

bestudeeren, en ik heb gezien dat het niet mijn zaak was. Dat het

misschien mogelijk was voor; andere menschen, daar bezieling uit te

putten, menschen die het sentiment voor de massa hadden, maar dat het,

mij niet zou steunen.

Hier besloot Bastiaanse "iets voor den dag te halen", dat wil zeggen,

hij nam uit zijn Oud-Hollandsche kast een paar kleine cartons, waarin

hij zijn keurig geschreven manuscripten bewaart. En eer ik er op

verdacht was las hij mij enkele fragmenten voor uit een uitvoerig

gedicht "Het Eiland der Schoonheid",[4] dat nog niet gepubliceerd is en

geschreven werd tusschen Sept. 1911 en Dec. 1912. Hier brak de

innerlijke gloed door het uiterlijke ijs. Hij had naar het gedicht

gegrepen, gelijk een musicus naar zijn speeltuig, omdat gesproken

woorden hier nietszeggend waren geworden.

Hoe groot is het verschil tusschen de technische, op massa-effect

berekende kunst van den declamator en de stem van den dichter die zijn

eigen poëzie geeft. Hoe verteederd was deze stem hier en hoe zuiver deed

haar bevend rhytme mij gevoelen dat wij nu in een andere wereld waren

aangeland. Luister:

"Ik hoorde menig stem van vroeger tijden,

Die van dat uitverkoren heeft gewaagd,

Maar mij daarheen door nood en nacht te leiden.

Heb ik vergeefs aan levenden gevraagd.

Slechts vinden zullen zij die zelve zochten:

De weg van de een is die des anderen niet,

En zelden zien wij op eenzame tochten

Een wijkend zeil in 't schemerend verschiet.

Dit wist ik van die verre reis te voren,

Maar zorg en vrees verdubbelden mijn moed,

Dus heb ik leed boven de rust verkoren,

Vage eindeloosheid boven eindig goed."

Wat lijken ze toch veel op elkaar, als ze in dezen staat verkeeren,

overpeinsde ik, nog onder de bekoring van de week-speelsche

rhytme-grilligheid, waarmede de twee laatste verzen een hard besluit

verzoeten. (Ik moest n.l. onwillekeurig denken aan Albert Verwey, die

mij lang geleden iets uit zijn gedichten voorlas, en daarna aan onzen

wijsgeerigen kunstenaar Bierens de Haan.)

En ziet, nadat Bastiaanse mij den aard van z'n alleen-zijn op deze wijze

had verduidelijkt, beter dan hij het in gewone woorden had kunnen doen,

vervolgde hij, nog steeds sprekend over het sentiment voor de massa:

"Er is een oogenblik geweest, dat ik dit sentiment zelfs zeer

verderfelijk achtte. Maar ik erken nu: Als een kunstenaar zoo veel houdt

van die massa-idee als een ander bijv. van zijn geliefde of zijn moeder

kan houden, dan kan die massa-idee in hem dien ontroeringsstaat wekken,

die tot het kunstenaarsschap aanleiding geeft. Ik ben dus gaan zeggen,

dat ieder op zijn wijze moet worden aangedaan, de een door het massa

sentiment, de ander door een diep natuur-instinct, een derde door zijn

religieus gevoel. Die dingen liggen in iemands onder-bewustzijn vaak

naast elkaar, maar ze kunnen ook fel tegenover elkaar staan....

Ik ben dus weer geworden wat ik altijd geweest ben, n.l. individualist,

maar van ruimer opvatting dan te voren, vooral in den laatsten tijd. Ik

heb in de allerlaatste jaren het gevoel gehad, dat ik vroeger wel tegen

Gorter en mevr. Holst heb kunnen schrijven, maar dat die menschen met

hun artistiek temperament en hun hartstochtelijk gevoelsleven, ten

slotte dichter bij ons staan, dan de burgers, met wie we uiterlijk

gerekend kunnen worden overeen te stemmen. Het primaire van een

kunstwerk is de ontroering die er in schuilt, en of die ontroering bij

den kunstenaar nu gewekt wordt doordat hij haar krijgt uit het

massa-sentiment, of door het natuurleven, of wat dan ook, dat blijft ten

slotte hetzelfde, mits de diepre ontvankelijkheid en het

kunstenaars-temperament er zijn Ik vind nu dat de scheiding niet mag

loopen tusschen de artiesten onderling, maar dat die zich ook als een

massa moeten gevoelen--ondanks hun individueele verschillen--tegenover

de bruten en niet-ontvankelijken. Maar ik ben voor de ongelijkheid,

zooals ik u zei, en ik vind het bijv. ook een schromelijk onrecht, dat

er gelijk recht bestaat voor allen, want gelijk recht leidt tot onrecht.

--Welken geestelijken inhoud heeft de "Nieuwe Gids" u gebracht?

--Voor den geestelijken inhoud was ik in die dagen, waarvan ik u sprak,

nog niet rijp. Ik voelde niet de theorie die er achter kon worden

opgetrokken, maar ik onderging de directe schoonheid ervan. Het was mij

net eender of Thijm mij door zijn proza ontroerde of Kloos door zijn

verzen, en ik had ook plezier van de artikelen van Van der Goes. Ik had

in die dagen geen keus gedaan en leefde buitenmaatschappelijk voor de

Schoonheid. En wat ik later dóór het leven weer heb teruggewonnen, dat

had ik toen dus intuïtief.... Toen begon men van de zijde van de

socialisten die straffe houding aan te nemen. Mevr. Holst o.a. zei: dat

de burgerlijke dichters leeggeloopen waren en vol moesten worden gemaakt

uit het socialisme. Toen ben ik met mijn verstand gaan studeeren en heb

mij uit aversie te scherp tegen het socialisme gekant, in zooverre het

m.i. het kunstleven aantastte. Achteraf ben ik door de bewustheid heen

weer tot de overtuiging gekomen, dat het er heel weinig toe doet wat

iemand politiek gelooft, mits hij maar de kunstenaarsontroering kan

krijgen op de wijze die voor hem passend is. En dus--ik geniet weer--en

net zoo goed de verzen van mevr. Roland Holst als ik het werk van

Woestijne of Boutens geniet.

--Ik mag dus constateeren, was mijn vraag, dat u op het standpunt van de

"Nieuwe Gids" is blijven staan?

--We zijn ouder geworden, maar ik geloof dat mijn standpunt van nu

hetzelfde is. De "Nieuwe Gids" stond net zoo goed open voor Van der Goes

als voor Thijm, de ducdalf, zooals hij het noemde, van het

persoonlijkheidsbegrip, terwijl Van der Goes juist de tegengestelde pool

was. Er was dus de overtuiging, dat de schoonheid op verschillende

wijzen kan worden verwezenlijkt, en dat het voor den man die in de sfeer

van de schoonheid leeft, er volstrekt niet toe doet, wat zijn houding in

het maatschappelijke is.--Dat komt dan overeen met het gevoel dat de

kunstenaar twee dingen in zich moet hebben, den burger, die in het

maatschappelijk leven de menschelijke comedie meespeelt; en den man die

voor diepere ontroeringen vatbaar is....

Wij mogen dit leven niet beschouwen als een inleiding tot het mogelijke

hiernamaals, maar we hebben het leven nu door alle poriën te genieten en

te waardeeren. En als de menschen droef zijn, omdat ze achter het

kortstondige leven den dood voelen, die alles zal afsluiten, dan zeg ik:

kunnen we een symphonie van Beethoven niet in al haar volle geluk

genieten en waardeeren, ook als we weten dat over een half uur het einde

zal zijn gekomen?... U ziet, het is volkomen het heidensche standpunt,

dat ik als levenshouding heb aangenomen in den laatsten tijd. Het leven

in alles genieten--niet in plat-materiëelen zin, maar in ideëelen

zin:--van den morgenstond genieten, van het blad dat aan den berk

vergeelt, van een ree dat wegvlucht achter in het bosch--van muziek, van

schilderkunst, van alles kortom wat het leven biedt, maar dan in

hoogeren zin--niet te vragen: Waarom? en niet te vragen: Waarvoor?--maar

het schoonheidsgeluk van elk oogenblik te drinken--en het leed te nemen

en dat te transformeeren in de sfeer van de schoonheid, tot nieuw geluk.

--Hier is dus niet een algemeen-menschelijk standpunt, dat u op

dichterlijke wijze vertolkt, merkte ik op, maar een speciaal

schoonheids-standpunt, een aesthetisch standpunt, een poëtenstandpunt.--

--Juist, want het aesthetisch beginsel kan zijn sappen trekken uit alle

levensbeschouwingen en alle tijden:--dat is het supreme standpunt. De

Katholiek kan zeggen: Er zijn dingen in het leven voor mij niet

weggelegd, en zoo heeft elke richting, wanneer men zich op

maatschappelijk standpunt stelt, de beperking van zijn eindigheid.

Alleen iemand die leeft naar het aesthetisch beginsel heeft een hoogte

en wijdte bereikt, waarin alle richtingen kunnen worden saamgesmolten.

Zooals je verschillende ertsen in één smeltkroes kunt doen en er ten

slotte een volkomen harmonisch beeld van kunt maken, zoo is het een zaak

van de dichterlijke persoonlijkheid, om uit zoo verschillende dingen een

eenheid te maken.

--Als ik nu aanneem dat de dichter, als zoodanig, een apart staand

mensch is, dan kom ik van zelf tot de vraag: Heeft de dichter een

maatschappelijke functie, en zoo ja, welke?

--De kunstenaar moet in de gelegenheid worden gesteld, het

maatschappelijk leven mede te leven, in zooverre en op de wijze als dat

voordeel geeft voor de ontwikkeling van zijn schoonheids-productie. Wat

mij betreft, ik zou tijdelijk in de volle maatschappij willen zijn, maar

de gelegenheid willen hebben om, op het oogenblik dat de verwerkelijking

van mijn kunst gekomen was, mij bijv. in de Zwitsersche bergen terug te

trekken. Ik acht het voor den kunstenaar absoluut noodig, dat hij zich

niet losmaakt uit het groote menschenverband, maar hij moet er zich

wanneer hij wil uit kunnen terugtrekken.

--Dit, de lezer zal het toegeven, was geen rechtstreeksch antwoord op

mijn vraag, en ik trachtte mij dus duidelijker uit te drukken: Ik

bedoelde te vragen naar de beteekenis van den dichter voor de

samenleving, welke plaats hij inneemt in het maatschappelijk raderwerk,

of--laat ik daar maar mee beginnen: Welke beteekenis heeft in het

algemeen de dichter voor zijn volk?

--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een

bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder

kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk.

In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar

betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die

taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk

minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal.

Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste

staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te

stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te

verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest

omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk métier ook zou kunnen

bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn

dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De

kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich

eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest

kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan

wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te

deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen

geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de

levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere

culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te

maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij

meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik

vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als

kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat

je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien

toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn

gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studiën te wijden en maar één

uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter

of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het

instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de

onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld....

Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou

moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd

wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende

kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een

instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken,

wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te

worden.

--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen

rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit

antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af,

door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een

kansje:

--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik

wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de

maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van

bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn

lezerskring...?

--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege

een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een

tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de

menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze

geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan

konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van

"De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag

conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan

hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de

leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou

men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden,

romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap

bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen

niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben.

Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te

koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan

het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun

eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in

de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen

Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter

en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe

stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven

niet kunnen scheppen.

Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden

lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken

mag, lichter dan de scheppers van reeële, rendabele waarden. Daarop kan

ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is

voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb

bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling

....

--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op

u af.

--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, hé? Maar ik sta vàst

in mijn overtuiging.

--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_.

U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit

ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U

leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik

had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten....

Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of

we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp,

niet waar? Sommige dingen làten zich door u niet meer in gewone woorden

zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de....

Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De

intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd.

--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als

de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren.

In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de

dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete

mensch....

--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij

nuchterder voor dan ik ben?

Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland

ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei

bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van

Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen

op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn

hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat

kunnen s_l_ijpen!

--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet.

Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag.

De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven · 第 15 / 35 题