[Illustratie: CYRIEL BUYSSE]
[Illustratie: Op het balkon van zijn werkhuis]
(* 1859)
Toen ik te Gent uit d'n Sint-Pieters-Statie stapte, werd ik aangesproken
door een zeer reusachtigen, blozenden, jovialen schoolknaap met
opgestreken blonde knevels en zware Amerikaansche rijglaarzen:--Cyriel
Buysse in zijn sportpak. Hij geleidde me naar zijn beroemde auto, liet
zijn armen in een paar wijde handschoenen glijden en weg tuften wij. Wij
gingen langs "het familiebuiten"; niet er in. Een zevental kilometers
verder ligt zijn werkhuis, in de wandeling "de kooi", "la maison à
pattes", of wel "de meulen" genaamd.
Langs een omweg bereikten wij den top van een breeden heuvel en daar
stond op een getimmerte van balken, te midden van laag gewas, een
viertal meters van den beganen grond een houten gebouwtje met twee
balkons. Men noemt het huisje "de molen", omdat op dien heuvel ook een
molen staat, vele eeuwen oud, die, tusschen haakjes, nog steeds maalt.
Het bevat een keukentje, een slaapkamer voor een dienstbode en een vrij
ruime, doch primitieve werkkamer met groote openslaande vensters.
Niemand zou hier een schrijver als Buysse gezocht hebben. Een lang
ganzenroer lag op het bed naast mijn brief, een handvol patronen over de
schrijftafel verspreid.
Terwijl hij mij rondleidde en me de kasteelen in den omtrek toonde,
moest ik denken aan een grondbezitter in de Kempen, die jaren geleden
mij en een vriend door twee gewapende boschwachters deed aanhouden,
omdat we over zijn terrein liepen teneinde een stuk weg af te snijden,
en die ons minstens had laten opsluiten als hij had geweten dat we
hadden gezwommen, bovendien, in zijn beek. Ik ben maar liever zijn gast,
overwoog ik, tot Cyriel Buysse terugkeerend. Deze legde een twaalftal
half uitgebrande toebakspijpen opzij, zoodat ik op zijn tafel kon
schrijven, en keek met gefronsde wenkbrauwen over me heen toen ik met
mijn vragen aankwam. Het: "Ge zult niets uit 'm krijgen!", dat enkele
uren te voren een artiest mij had toegevoegd, spookte mij door het
hoofd.
"Ik ben de zoon van een fabrikant,"--begon hij--en wachtte: Als u 't
hebt opgeschreven, waarschuwt u me wel. Dat was een grappige vergissing.
Ik beduidde hem, dat hij zich aan mij niet moest storen en toen ging het
vlot. Hij zette zijn gewone joviale gezicht en vertelde:
--Ik ben de zoon van een fabrikant. Mijn vader had een fabriek een paar
uur hier vandaan, en het idée was, dat ik hem op zou volgen als
industriëel. Toen ik een jaar of vierentwintig was, werd ik voor zaken
naar Amerika gestuurd, met het idée om daar misschien wel enkele jaren
te blijven. Daar had ik vreeselijk te lijden van heimwee. Ik kon er
absoluut niet wennen en ik geloof dat werkelijk door het lijden van het
heimwee ik ben gaan zoeken: wat zal ik doen, ik moet iets anders doen.
En toen ben ik voor eigen pleizier een dingetje begonnen te schrijven,
iets van niemendal, het heette "Guustje en Zieneken", een
boerenverhaaltje. Dat liet ik lezen aan mijne tante, Virginie Loveling,
een zuster van mijne moeder. Die vond er iets in en zeide mij: met een
klein beetje er aan te veranderen kan het gepubliceerd worden, en ik zou
u aanraden om door te werken. Dat werd gepubliceerd in "Het Nederlandsch
Museum", dat toen in Gent werd uitgegeven, en verscheen daarna als een
afzonderlijk boekje. En van dat oogenblik af ben ik doorgegaan bijna
zonder onderbreking. Mijn eerste werk van beteekenis was "De
Biezenstekker", een groote novelle, die verscheen in "De Nieuwe Gids".
Heel kort daarna kwam "Het Recht van den Sterkste". Ik geloof, dat ik
daardoor in Holland bekend ben geworden. Wat zal ik u verder zeggen? de
lijst van mijn werken is heel lang, er zijn er in de twintig, ieder jaar
is er een nieuw boek geweest.
Ik heb ook voor het tooneel gewerkt, een stuk uit den boerenstand "Het
Gezin van Paemel", dan nog een ander stuk, getrokken uit "De
Biezenstekker", "Driekoningenavond"; verder "Maria", getrokken uit Het
"Recht van den Sterkste"; en verder "Een sociale Misdaad", getrokken uit
een novelle van Wildstroopers.
Een bedoeling heb ik met mijn werken nooit gehad. Ik geloof werkelijk,
dat er bij mij heel weinig achter zit. U moet mijn werk nemen zooals het
is, zonder bijbedoeling. Wel getrokken uit dingen die om mij heen
gebeurd zijn--ik zit hier midden in mijn onderwerpen--maar zonder de
bedoeling om met het schrijven iets te bereiken. Ik geloof, dat op mij
wel toepasselijk is de formule van "l'art pour l'art". De menschen
hebben er wel eens politieke bedoelingen in gezien. Eén ding is waar, ik
ben heelemaal niet een vriend van de clericalen. Die hebben telkens veel
aan mijn werk af te keuren gehad en van hen heb ik een geweldige
tegenkanting ondervonden. Ik ben voor mijn globale werken in den ban
geslagen. Mijn naam is om zoo te zeggen in den ban.
--Hoe komt het, dat gij u bijna altijd bezighoudt met die
plattelandsmenschen?
--Ten eerste omdat ik die het best ken. Ik ben een buitenmensch. Ik ben
heelemaal wat men kan noemen "un terrien", een man van den grond. Wat
buiten gebeurt interesseert mij doorgaans meer dan wat in de stad
gebeurt. Ik ben heelemaal geen stadsmensch. Ik kom alleen in de stad om
sigaren te koopen of om mijn automobiel in orde te laten maken. Het is
heel eigenaardig, ik denk bijna nooit aan de stad. Ik heb wel sommige
dingen geschreven die gedeeltelijk in de stad plaats hebben, maar
meestal komt er dan nog heel veel buitenleven bij. Ik voel mij absoluut
als uit den grond gegroeid. Ik word heelemaal niet aangetrokken door het
moderne leven in de stad. Dat lijkt mij dikwijls ziekelijk, en ik voel
veel voor het gezonde.
--Maar is dan in het algemeen de schrijver niet een mensch met
niet-gezonde zenuwen, zooals men het wel eens heeft geformuleerd?
--Neen, dat vind ik niet. Ik geloof meer aan het "mens sana in corpore
sano",--altijd wat mij betreft. U kunt mij beschouwen als een geweldig
individualist. Ik sluit mij heel moeilijk aan bij een ander. Ik ben wel
lid van enkele vereenigingen, maar ik kom er nooit. Ik sta in alle
opzichten heelemaal alleen.
--Dus u gelooft niet aan de uitspraak: hoe zieker zenuwen, hoe beter
kunst?
--Neen, voor mij is dat absoluut niet zoo. Je kunt wel heel goed en
scherp voelen en toch een heel gezond mensch zijn. Ik heb nooit de
behoefte gevoeld mij ziek te maken om te werken. Vroeger kon ik alleen
's ochtends werken, maar nu kan ik een beetje werken wanneer ik wil.
Dat gaat mij nu gemakkelijker af dan in het begin.
Ik ben op het oogenblik bezig met een nogal eigenaardig boekje. Ik noem
het "mijn zomerdagboek". Het zijn korte noteeringen van elken dag van
mijn leven hier in de natuur. Van wat ik zie en gevoel. Allerlei kleine
dingetjes dikwijls. Zeer afgewisseld. Een innig doordringen tot het
landelijk leven in zijn détails. En het is ongelooflijk wat gij kunt
afleggen als gij iederen dag werkt. Een-en-twintig Maart, den eersten
dag van de Lente, ben ik begonnen, en wilt ge wel gelooven dat ik met
iederen dag een paar bladzijden te schrijven, een boekje heb gekregen
van meer dan driehonderd pagina's? Ik heb het tot nog toe volgehouden en
nog geen enkelen dag overgeslagen van 's avonds iets neer te schrijven.
Dat boek zal iets heelemaal aparts zijn in mijn productie. Ik zal het
eindigen met den dag dat ik hier weg ga. Ik ga hier altijd weg als de
laatste blaadjes gevallen zijn, en dan sluit ik meteen mijn dagboek.
--Hoe is eigenlijk de verhouding tusschen u en uw onderwerpen?
Dat is de verhouding van iemand, dien zij denken heelemaal tot hun
gemoedsleven te behooren. Die menschen weten vagelijk dat ik schrijver
ben. Zij weten het maar heel onduidelijk. Zij weten niet wat het is een
schrijver te zijn. Ik praat met de boeren, ga in hun herbergen, tracteer
de lui en praat met de herbergiers. Zij beschouwen mij heelemaal als van
hun soort. Dat wil niet zeggen dat ik intiem met hen omga. Ik blijf voor
hen altijd de mijnheer, maar toch een mijnheer die hun leven begrijpt.
Het is wel gebeurd dat sommige menschen zeiden: mijnheer Buysse heeft
over ons geschreven. Maar dan werd er weer aan getwijfeld, omdat sommige
dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? je
neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je
personages. De menschen in mijn boeken zijn niet heelemaal integraal
zooals zij langs de wereld loopen. En zoo herkennen de menschen zich
meestal niet in mijn werk. Als gij hier moest rondgaan en vragen: wat
doet die mijnheer Buysse toch, zij zouden u zeggen: Mijnheer Buysse is
een mijnheer die op zijn goed leeft en niets uitvoert.
Ik weet niet of u al gelezen hebt wat thans van mij in "Groot-Nederland"
is verschenen: "Van Hoog en Laag", de eerste van een serie van
waarschijnlijk drie romans onder den gemeenzamen titel van "Hoog en
Laag". Het eerste heet "Het eerste levensboek", en speelt hier. Het is
het landschap dat u hier om u heen ziet. Het leven op dit kasteel en dat
kasteel en dat van de dorpsmenschen zoo door elkaar. U zult er
waarschijnlijk wel dingen min of meer in herkennen.
Natuurlijk met de transformatie die een artiest aan de werkelijkheid
geeft. Wij behoeven toch niet te praten over de quaestie van het
realisme? "Un coin de nature vu à travers un temperament" is een niet
kwade formule. De beschrijving van een realiteit is toch heel iets
anders dan die realiteit.... Het grond-motief van dit boek vereenigt
zich met een ander: ik zit hier namelijk hoog op een heuvel en ginder is
nog een heuvel met een kasteel er op en daaronder liggen de menschen van
het dorp hier....
--Laat ik u even vasthouden. U zegt, dat een beschrijving van de
werkelijkheid anders is dan de werkelijkheid zelf. Moet ik dit zoo
verstaan, dat u iets aan de werkelijkheid toevoegt?
--Als de artiest niets aan de werkelijkheid toevoegde zou hij geen
artiest zijn. Het beschrijven van détails zonder meer, zooals Van
Deyssel wel eens heeft gedaan, daar voel ik niets voor. Dat kan ik niet
mooi vinden. "L'âme des choses", zooals de kunstenaar die voelt, moet
uit zijn werken spreken.
--Maar _wat_ voegt gij dan aan de werkelijkheid toe?
--Ik zie de werkelijkheid vóór mij en op de werkelijkheid, die als beeld
in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat
zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot.
--Welke zijde van de werkelijkheid trekt u dan het meeste aan?
--Ik weet niet of ik het ooit zal gebruiken, maar àl wat ik zie
interesseert mij. Alle verschijnselen van het leven zijn vol belang voor
mij. Van het grootste tot het kleinste vind ik alles belangrijk.
--Welke voorgangers hebben op uw eerste werk invloed gehad?
--Ze hebben mij dikwijls vergeleken met De Maupassant, en ik zie zelf
ook wel, dat ik op hem lijk in sommige dingen, doch dat is een
toevallige gelijkenis. Vroeger heb ik bepaaldelijk onder den invloed van
Zola gestaan. Hij heeft invloed op mij gehad, gelijk op alle joncheren
van dien tijd. Wie heeft niet onder zijn invloed gestaan, twintig of
vijfentwintig jaar geleden? "Het recht van den Sterkste" is bepaaldelijk
onder den invloed van Zola geschapen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik
geïmiteerd heb, maar wel dat het procédé, de visie van Zola, is
toegepast op deze lui en deze toestanden. Ik voelde daar veel voor in
dien tijd, nu minder.... Maar aan de wetenschappelijke tendenz, bijv.
aan de quaestie van de herediteit, die bij Zola zoo op den voorgrond
treedt, hecht ik heelemaal niet. Dat is mij veel te gewild. Wat ik mooi
vind, dat is de gang die in zijn werk zit, het lyrisme in een boek als
"Germinal", de kolossale beweging van de massa's, het epos van een boek
als "l'Assommoir".
--Hoe denkt u dan over de uitspraak dat het naturalisme dood is?
--Waarom zou het dood zijn? Er is niets dood. Het heeft zijn tijd gehad.
Maar wie belet iemand met groot talent een heel mooi naturalistisch boek
te schrijven? Laten zij het maar probeeren als zij kunnen. Wat hebben
wij al nieuwe modes gezien in de literatuur. Waar is nu de mode van het
symbolisme en het mysticisme? In sommige landen is het nog een beetje
gaande, maar bijna overal heeft het afgedaan. Ik hecht niets aan al die
dingen, absoluut niets.... O neen, ik geef mij geen rekenschap.... Zegt
u maar gerust, dat alles bij mij direct gebeurt, spontaan en intuïtief,
dat ik niet weet te zeggen waarom of hoe. Ja, de Hollanders zitten
altijd met hun deductievermogen bezig en vragen altijd hoe het gekomen
is en waarom het gebeurd is, maar ik weet het heusch niet. Ik geloof dat
ik daarvoor te eenvoudig, te gezond in mijn natuur sta, om mij daarom
bezorgd te maken.
--Dus dan heeft u geen bepaalde voorliefde voor een of andere richting?
--Als ik een mooi schilderij zie of een mooi boek lees, dan denk ik niet
aan de richting. Dan kan het mij ook heelemaal niet schelen van welke
richting of het is. Bijvoorbeeld: hoever sta ik niet af van een man als
Maeterlinck? En toch bewonder ik zijn werken meestal enorm.
--Ik kom nu aan de verhouding tusschen kunstenaar en maatschappij. Heeft
volgens u de schrijver een taak ten opzichte van de gemeenschap, moet
hij bijv. de menschen iets leeren...?
--Ik wil niets leeren aan de menschen. Ik schrijf eenvoudig omdat ik
niet anders kan. Ik zou heel ongelukkig zijn als ik niet kon schrijven.
En waarom publiceer ik? Omdat hier en daar toch wel iemand is die met je
meevoelt. Ik ken slechts de behoefte om wat ik sterk voel mee te deelen.
Als je voor een mooi tafreel staat, dan heb je een kreet, dan zeg je:
wat is dat mooi! En wanneer je als schrijver iets ziet dat mooi is, dan
werk je het uit en geeft het aan de menschen te zien.
Ik heb niet één van mijn werken herlezen. Ik zou het niet kunnen.
Eenmaal als het geschreven en gedrukt is, is het absoluut dood. Het gaat
zoover, dat ik heelemaal niet meer weet wat in mijn vorige werken
gebeurd is. Een boek dat eenmaal geschreven is, is een ding dat gebloeid
heeft en daarna is dood gegaan, een vrucht. Ik heb nooit het publiek
voor oogen als ik iets doe. Ik ken mijn publiek niet. Wie leest mijn
boeken? Ik weet het niet.
--Met andere woorden: voor het streven naar gemeenschaps-kunst voelt u
niets.
--Dat gaat geheel buiten mij om. Absoluut. Daarvoor ben ik veel te sterk
individualist. Ik sta alleen op de wereld. Ik begrijp niet wat bedoeld
wordt met gemeenschaps-kunst. Wat is gemeenschaps-kunst.... Ik meen dat
alles onbewust moet gebeuren en dat de gemeenschap naar de kunst moet
komen, aangetrokken door wat wel aardig is en wat zij mee kan voelen. Ik
kan mij niet voorstellen een gemeenschaps-kunst, een soort
vooropgestelde kunst om de gemeenschap te behagen of ten nutte te
zijn.... Ik weet het niet, ik kom er niet bij. Ik ben bang, dat het
dikwijls heel minderwaardige kunst zou zijn op die manier....
Nu zult u mij natuurlijk herinneren aan sommige van mijn tooneelstukken
en aan mijn relaties met de socialisten. Och, ik beschouw die menschen
als veel meer ontwikkeld dan de burgerij hier. Zij staan er bepaald ver
boven, wat intellectueele ontwikkeling betreft. En daardoor hebben zij
meer mijn sympathie gehad dan de anderen. Maar denkt u er om dat ik
heelemaal buiten de politiek sta en dat ik geen actief deel neem in geen
enkele partij. Ik ben zelfs geen kiezer, ik ga nooit naar de
verkiezingen. Het is toevallig, dat mijn kunst beter begrepen wordt door
de socialisten en beter in hun geest kwam. U zult zeggen "Het gezin van
Paemel" is een socialistisch stuk, de socialisten spelen het voortdurend
en spelen het goed, maar ik verzeker u dat het toevallig is en het zou
net zoo goed kunnen gebeuren dat ik een stuk schreef dat
anti-socialistisch was. Maar aangezien de mindere klassen menschen zijn
die veel onrecht wordt gedaan in de maatschappij, voel ik mij daartoe
meer aangetrokken. Er is veel meer van te zeggen dan van de andere
standen, die bevoordeeligd zijn door de maatschappelijke verhoudingen.
Ik ken de geheele opkomst van de Gentsche socialisten, hun economischen
en socialen strijd, en ik vind het bewonderenswaardig, ik kan het niet
helpen. Iederen keer dat ik voor "Vooruit" kom, bewonder ik wat zij
gedaan hebben en hoe die menschen zich trots alles ontwikkeld hebben.
Als de proletarische kunst goed is, dan vind ik ze goed. Maar ik vind ze
wel eens leelijk. In de tooneelzaal van de socialisten te Gent hangen
schilderijen, symbolische voorstellingen van kapitaal en arbeid, die ik
niet kan bewonderen. Is dat gemeenschapskunst, dan zou ik zeggen: ik zie
liever salonkunst als het mooi is. Roland Holst en Gorter zijn twee echt
mooie artiesten, die ook zonder hun richting heel mooie dingen maken. Ik
ben overtuigd, dat zij het socialisme niet noodig hebben om prachtige
kunstwerken voort te brengen.
Kortom, ik meen dat een artiest volkomen onafhankelijk moet willen zijn
... of liever, hij "moet" het niet "willen" zijn, hij _is_ het, hij is
absoluut vrij aan alle kanten, want als hij denkt dat hij het "moet"
zijn, dan is het ook al weer niet zuiver....
--En we tuften terug. De boeren die tegen 't land werkten stonden op om
hem te groeten. De zon scheen over den akker en hij wees mij op de kleur
van den grond: rose, met een gouden weerschijn, heelemaal niet zwart,
zooals een befaamd Hollandsch journalist, over Streuvels schrijvend "den
vetten Vlaamschen bodem" genoemd heeft.
Nu kwamen wij op "het familiebuiten".
Ik vond het verschrikkelijk jammer dat ik geen _smoking_ bij mij had,
maar het was nu eenmaal niet anders. Hij had een flink aantal
logé's--hij beweert tusschen haakjes dat men in Holland van "louché's"
spreekt--met klinkende vaderlandsche namen en we gingen bijna terstond
aan tafel. En terwijl een van zijn dochters mij vertelde, dat hij de
slaaf is van zijn louché's, hoorde ik uit een gesprek, dat aan het
andere eind der tafel gevoerd werd, dat men hem in zijn huis "de
artiest" noemt. Een grappige bijzonderheid, die boekdeelen spreekt,
zoowel over den man als over zijn omgeving. Met een goedhartig snuit
liet hij met zich sollen en één keer liep hij, groot en naïef in zijn
sportpak, van tafel om een exemplaar van zijn "Per auto" te halen,
waarin hij voor een "louchée" een opdracht schreef.... Ik moest er
vooral bij vermelden dat hij dit met een zeer defecte vulpen deed.... En
in één adem liet hij er op volgen: "Hebt u 't al gehoord? Mijnheer de
interfiefer (dat was ik) vindt mij een heel eenvoudig man!" Met
bewonderenswaardigen tact bracht de gastvrouw het gesprek op een ander
onderwerp.
Hij had mij gaarne enkele dingen in den omtrek in verband met zijn werk
laten zien, doch het ging dien middag niet, want een paar jonge dames
die bij hem "loucheerden" moesten een bezoek afleggen in het Zuiden, en
daar hij de chauffeur is van de heele familie, was hij dien middag
bezet.