(* 1863)
Toen ze mij na lange aarzeling ontving, was zij dermate onder den indruk
van haar afkeer, als publiek persoon te worden ondervraagd naar het
intieme van haar besloten zelf, dat het gesprek voor ondervraagde zoowel
als voor ondervrager nu en dan pijnlijk werd. Achteraf meende zij, dat
allerlei zaken niet tot haar recht waren gekomen en gaf mij in
overweging het interview niet te doen verschijnen. Op mijn verzoek heeft
mevrouw Simons-Mees mij echter gemachtigd, enkele uitlatingen uit het
gesprek met haar en haar echtgenoot, die mij met het oog op mijn geheel
belangwekkend voorkwamen, in mijn eigen woorden weer te geven.
Het schrijven was haar van begin af een zelf-bevrijding. Zij is heel
gereserveerd en uit zich moeilijk. Vandaar dat ze trachtte, dit in haar
werk te doen.
Al vrij jong had zij verwantschap gevoeld met Heine en met Multatuli.
Hun anti-conventionalisme, hun speelsch vernuft, hun afkeer van dwang
vonden weerklank bij wat leefde in haar zelf. Zoo had de beweging van
'80 haar geen bevrijding te brengen, noch naar wezen, noch naar vorm. De
rhetorica van de vóor-tachtigers, hun zwaar-op-de-handheid, hun
moraliseer-behoefte had zij voor zichzelf overwonnen. Zoo was veel in de
beweging der '80-ers haar zelf eigen. Alleen hun "woordkunst" is haar
altijd vreemd gebleven. Zij zelf voelde meer voor stijl "_in_ de
natuurlijkheid". Vandaar dat men in de natuurlijkheid van haar dialoog
ook wel "onnatuurlijks" kon aanwijzen. Het echte naturalisme was haar
nooit eigen.
Dat gevoel voor "stijl" hangt wel samen met haar liefde voor de meest
"stijlvolle" aller kunsten, de Bouwkunst. Geen kunstwerk, zelfs niet de
muziek, geeft haar zulke ontroeringen als een mooi gebouw. Op reis is,
naast de natuur en de romantiek van het landschap, architectuur wat zij
het liefste zoekt.
En hier komt de tweeheid van haar wezen uit, gelijk die zich heeft
geopenbaard in haar dramatische motieven en conflicten:
Ordening en moralisme tegenover ongebondenheid; stijl-zin tegenover
vrije romantiek; joie de vivre tegenover zwaarmoedigheid, pessimisme,
sociaal meegevoel en zelfontzegging. Behoefte aan genieting en liefde
voor het eenvoudige. Zelftucht en punctualisme tegenover afkeer van
dwang; hollandsche nuchtere werkelijkheidszin tegenover behoefte aan een
verbeeldingswereld. Een zekere hereditaire liefde voor de wijsbegeerte
heeft zich bij haar geopenbaard in een vaak onbewuste behoefte om de
"idee" in haar kunst te verwezenlijken, en in een sterke neiging tot
psychologisch analyseeren, die, samen met haar mede heriditaire,
nauwgezetheid en behoefte om van alles rekenschap te geven--in de
menschen en situaties, die zij teekent--tot het uitspinnen leidt in haar
werk (van welk defect zij zich volkomen bewust is) zoowel als tot het
meest drie tot vier malen omwerken van een stuk eer zij het doet spelen
of verschijnen.
Het zijn die tegenstellingen in en om haar zelf, dat worstelen tusschen
"het moet" en het "ik wil", die vooral de groote drijfveeren geworden
zijn voor haar arbeid, en den dramatischen vorm, met zijn conflicten, in
hoofdzaak bepaald hebben. Waarbij het feit dat het drama meer dan de
roman op "structuur" berust, en de personen onmiddellijk en buiten den
schrijver om zichzelf doet uitleven, die voorkeur voor dezen vorm wel
mede bepaald zullen hebben. Zij voelt er zich althans meest in thuis; al
denkt zij er ook over, den roman in brieven of dagboek eens te
beproeven, om af te zijn van tooneelpremières met hun emoties,
veelvuldige ontgoochelingen en "onmiddellijk hevig de publieke aandacht
trekken".
Doordat zij, evenals Ibsen, uit een zekere puriteinsch-moralistische
omgeving spruit, zich evenals deze aangetrokken voelt tot de problemen
van het moreele leven en zich kant tegen de frase (vgl. Zijn Evenbeeld,
St. Elisabeth, Een Paladijn en Een Kasbloem) is wel eens de schijn
ontstaan, dat zij gewerkt heeft onder diens invloed. Indien dit zoo
mocht zijn, dan stellig niet bewust.
Het is daarbij geenszins haar streven, als voorlichtster van het publiek
op te treden. Ze tracht haar figuren zoo onpartijdig mogelijk voor
zichzelf te laten leven, het aan het publiek overlatend, zelf een
conclusie te trekken.
De taak van den kunstenaar--aldus mevr. Simons-Mees--is: De menschen
door het kunstwerk in staat te stellen, beter in zich zelf en in de
wereld te zien. Elk kunstwerk moet de menschen leiden naar meer
levensinzicht en levenswijsheid. Als het tenminste echt is.
Daar kunst volgens haar eenvoudig ontstaat door en uit emoties in den
kunstenaar, onverschillig of die gedragen worden door een
maatschappelijk ideaal, of waardoor die gewekt zijn, acht zij onzen
hevig-geëmotioneerden tijd voor het ontstaan van kunstwerken zeer
gunstig: "Hoe meer emotie, hoe meer kunst".