[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn
broer, Guust van de Woestijne]
(* 1878)
Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en,
toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van
brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar
mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen
van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't
soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de
Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het
gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige
onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik
niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik
naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn
hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in
de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis
van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen:
"melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en
luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne
melk lieten staan....
... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer,
waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In
mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers
van den poëet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk
was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke,
aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele
overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn
kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen
rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te
plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden
gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield.....
Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en
oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen,
en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die
mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den
wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te
léven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke
bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den
glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me
moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideëele
beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan,
"het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat
ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding
van zijn uiterlijk voort te zetten.
Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb
geleefd binnen in mijzelf, en dàn met een groote fantaisie.
Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en
daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man
die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn
moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak
alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste
gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak,
want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt
artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur
worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de
nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend
heb, hij is maar tweeënveertig jaar geworden, hield hij zich heel den
tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene
uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was
maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb
heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond
heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn
moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had
veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame
van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit
gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan
de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste
dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond.
Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden
in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader
en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants
bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol,
literatuur, encyclopedieën, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen
sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren
lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het
heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee
jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u
zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in
Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren.
Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of
zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar
of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik
herinner het mij zeer bepaald.
Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang
naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die
aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid
tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen.
Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste
Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden
huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter,
zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn
opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de
gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat
ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een
kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als
gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn
vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een
heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen,
die ik zelf niet meer ken.
Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een
flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij
veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste
"Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij
gehad.
Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo
niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die
onmiddellijk vóor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en
Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids"
ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in
Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad.
Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed
van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen
geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in
Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en
'83, vóor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de
"Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den
invloed van Pol de Mont en Hélène Swarth, toen wij door bemiddelling van
"Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van
Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust
zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik
zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer
nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad,
niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny.
Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische
personaliteit in hem vond.
Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint
heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de
athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een
postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen
van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus
eris."[3]
Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat
verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders
niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de
anarchistische beweging in Frankrijk en België, waaruit de geest van
"Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik
was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke
beweging heeft mij waarlijk gevormd.
Wij gingen heelemaal in die beweging op, en ik heb op het punt gestaan
buiten de deur van het athenaeum te worden gezet om mijn revolutionnaire
ideeën. Van toen af kon ik mij met niets meer tevreden stellen dan na
rijp onderzoek, en sindsdien ben ik een opstandeling gebleven, of zeg:
laat ik mij niet gaarne bedwingen. Daarvan heb ik in Gent prachtige
voorgangers gehad, die tegenwoordig beroemd zijn, bijv. George Minne,
een groot beeldhouwer, en De Sadeleer, een bekend schilder. Die gingen
zoo ver dat zij wilden stelen om d'arme menschen hetgeen hun diefstal
opbracht te gaan uitdeelen. Zij gingen ook dagbladen op straat verkoopen
en bij iederen "Fakkel" dien zij verkochten, kregen zij een slag op hun
kop. Dat wil wat zeggen voor den zoon van een patriciër, zooals die
beeldhouwer was. Het was geestelijk een prachtige tijd.
Mijn eerste verzen in "Van nu en straks" verschenen in '96. Victor de
Meyere had mij gevraagd mee te werken. Dat waren ook de eerste verzen
die onder mijn eigen naam verschenen. Ik ben een van de zeer weinigen,
die den geest van "Van nu en straks" getrouw zijn gebleven. Ik zei het
U: het is een van de gronden van mijn karakter gebleven, weinig gezag
te dulden. Gezag draag ik heel moeilijk, tenzij natuurlijk moreel gezag.
Hiermede heb ik u dus een paar voorname factoren van mijn aanleg
opgenoemd: de vereenzaming van het kleine kind, vooral na het sterven
van mijn vader, die het gemoed verdiept heeft en leidde tot al te vroeg
ontwaakte sensualiteit; en den oneindigen dorst naar kennis. En dan,
mijne fancy.
Ik heb het niet altijd gemakkelijk gehad in het leven, maar ik heb
altijd een grooten en blijden onafhankelijkheidsdrang gehad in mij, en
ik geloof dat ik dat te danken heb aan voorouders van moederlijken kant.
De ooms en de vader van mijn moeder waren allemaal geestelijk vrij, ik
bedoel vrij van kommer, en allemaal waren zij rijmelaars. Zij waren met
een zevental en praatten altijd op rijm met elkaar. Van hen heb ik
waarschijnlijk het vermogen, mij zoo gemakkelijk boven de werkelijkheid
te plaatsen en den geestigen, persoonlijk-humoristischen kant van de
dingen te zien, een optimisme waarbij ik mij telkens kan opwippen.
Ik ben altijd godsdienstig van aard geweest, juist vanwege het naar
binnen gekeerde leven, hoewel ik thuis van godsdienstig leven weinig
gewaar ben geworden. Als ik 's Zondags, toen ik dertien à veertien jaar
oud was, naar de mis moest,--het museum lag toen naast de kerk--:
voelde ik telkens een strijd in mij of ik het museum, dan wel de kerk
binnen zou gaan, en het museum won het dan bijna altijd van de kerk, al
voelde ik er innig leed bij. Het godsdienstig gevoel is levendig in mij
gebleven, maar het gebeurt toch ook wel vaak nog, dat het museum het
wint. Daar komt altijd bij mijn afkeer voor al wat gezag is. Moreel
gezag neem ik natuurlijk aan, dat is van veel sterker werking, dat is
mijn eigen gezag, dat ik in mijzelf voel en waarvan ik niet afwijk.
Daardoor ben ik dan ook werkelijk onmaatschappelijk. Ik sta dan ook
tegenover de proletarische poëzie als een onverwoestbare individualist.
Door natuur en door opleiding ben ik individualist. Maar in dit begrip
zelf is nog een onderscheiding te maken. Is het zuivere individualisme
waarlijk het impressionisme van 1880 en van de "Nieuwe Gids"? Dat moet
ik absoluut tegenspreken. Om te beginnen, ik zeide het u reeds, hebben
wij den invloed van 1880 niet rechtstreeks ondergaan. Ik behoor tot een
andere generatie. De mannen die bij ons den invloed van de "Nieuwe Gids"
ondergingen zijn, zooals ik reeds zei, Vermeylen en De Bom, en ik behoor
tot het volgend geslacht, dat dus als het ware van de "Nieuwe Gids"
heeft gehad een tweede afkooksel. Wat ons opviel in de "Nieuwe Gids" was
het impressionisme. Mijn individualisme is van geheel anderen aard. Het
is niet het onmiddellijk reageeren op zintuigelijke indrukken, het is
veel meer het opnemen van een algemeen wereldgevoel in de personaliteit.
En dan zal poëzie worden de weerspiegeling van een algemeen wereldgevoel
door het individu. Het is dus een tegenstelling van het zuivere
impressionisme, het picturaal impressionisme, zooals Van Deyssel en
Gorter het hebben geleverd. Tegenover de zintuigelijke gezichtsmenschen
stel ik mij als innerlijk gehoorsmensch, die meer in zich zelf hoort
dan hij buiten zich ziet, als muzikaal vertolker van de wereld.
--U stelt hier gezicht en gehoor tegenover elkaar. Zoudt u niet beter
zintuigelijk en gedachtelijk tegenover elkaar stellen?
--Neen, gedachtelijk is een verkeerd woord. Zie hier wat ik bedoel. Stel
u voor, dat Gorter zou zijn een geslepen staalplaat, waar de zonnestralen
en wat zij meebrengen onmiddellijk op afketsen. Als hij een indruk
krijgt, bedoelt hij den indruk onmiddellijk terug te kaatsen. Dat is
het schoone van zijn kunst en hij is eenig daarin: Zoodra ontvangen,
geeft hij den indruk terug.--Bij mij nu is het anders. Het is alsof de
straal dringt door de stalen plaat heen en komt op het gevoels-vlak.
Het is niet meer een zuivere impressie, maar een impressie die een
verwerking heeft ondergaan, een verwerking door het gevoel. Dat is in
den grond het bezinken van de impressie. Stel u voor een laag
doorschijnend ijs die op het water ligt. Als er een zonnestraal op
valt, dan wordt hij door de dikte van het ijs gebroken en dan komt hij
onder het ijs weer uit en ondergaat er aan kleur, aan wezen, aan wat
weet ik al, een nieuwe vervorming. Zoo is het gevoel bij veel dichters.
Inplaats van onmiddellijk af te ketsen op het waarnemingsvlak, dringt de
indruk door tot in het diepst van hun ziel en als hij dan, verwoord, weer
buiten dringt, is hij heel iets anders geworden.
Dus mijn individualisme gaat meer uit naar dat van de Fransche
symbolisten, maar is toch weer heel iets anders. De eigenlijke
symbolisten, die ingeleid zijn door Henri de Régnier, systematiseeren.
Zij herleiden eiken persoonlijken indruk tot een beschouwingsvlak. Zij
deelen de verschillende indrukken in in sommige vakken. Dat is toch het
eigenlijke symbolisme, niet waar? Men moet onder een teeken een zekere
reeks van gedachten kunnen indeelen. Dat heb ik altijd verkeerd
gevonden. Dat wordt in den grond zoo iets als een wetenschap.
Ik wil--voor zoover "willen" bij 't half-bewuste dichten te pas
komt--eenvoudig mijn eigen indrukken inleiden tot algemeene
menschelijkheid en ze algemeen begrijpelijk maken, ze dus eerst laten
bezinken tot eigen gevoel, en dat eigen gevoel daarna toetsen aan het
algemeen menschelijk gevoel, dat ik terugvind niet alleen bij de
menschen die mij omringen, niet alleen bij de lezers, maar bij de
dichters door de eeuwen heen. Dat is natuurlijk niet vanzelf gekomen.
Dat ware onmogelijk, het kan niet vanzelf komen. Als men begint te
dichten heeft men zijn eigen indrukken, al waren ze nog zoo klein en al
waren ze nog zoo pervers, zoo lief, dat men ze wil weergeven in de
aller-individueelste expressie. Maar er komt een tijd, dat die liefde
voor de aller-individueelste expressie afslijt. Men wordt meer algemeen,
het kleine détail gaat weg, men gaat alleen de groote lijnen betrachten
en zoo komt men tot wat ik durf noemen: een neo-classicisme.
Door het individualisme heen komen wij tot het neo-classicisme, een
nieuwen classieken tijd, een periode van menschen die zich heelemaal
bewust zijn en zich in volkomen oprechtheid uiten, maar daarbij alles
laten wegvallen wat in hun persoonlijk geval te sterk-persoonlijk, te
zeer bijzonder zou zijn. Ik heb in de "Groene" gesproken van menschen
die op de hoogten wonen en elkaar herkennen. Zij wonen op verschillende
heuvelen, zij zien elkaar niet, maar de een begint te zingen, de tweede
hoort hem zingen, de derde ook, en zoo vernemen zij allemaal den zang
van den eerste en herkennen allen in dezen eenen zang hun eigen zang en
leeren elkander onderling kennen. Dat is voor mij de gemeenschapskunst.
Gij ziet, gemeenschapskunst kan heel iets anders zijn dan
maatschappelijke kunst.
En dit zegt alles: Dit legt u ook uit wat ik gevoel tegenover de
socialistische kunst. Ik kan mij geen dichter voorstellen, die zou
dichten op iets dat niet berust op eigen diepe gronden maar alleen op
een theorie. Daarom is Gorter mij soms zoo hinderlijk, in dezen zin, dat
hij eerst en vooral toch is een impressionist, dat zijn schoonste werk
altijd blijft impressionistisch,--en dat hij dan ineens overslaat op
theoretiseeren en propageeren. "Pan" vind ik een magnifiek gedicht, maar
telkens als hij aan de propaganda komt is het mis, dan is het geen
poëzie meer. De goede gedeelten zijn eenvoudig impressionistische poëzie
en zoodra hij daar buiten gaat wordt het gezanik, heel eenvoudig. Het
wordt propagandistische proza, afgesneden op een vijfvoetige maat.
Daarentegen heeft Mevrouw Roland Holst, zij als vrouw, omdat zij vrouw
is, alles verwerkt. Zij heeft het socialisme en de democratie inderdaad
heelemaal in zich opgenomen. Bij haar is het heelemaal liefde en leven
geworden. Het is individualisme geworden en daardoor juist kan zij
waarlijk proletarische poëzie maken. Het is bij haar niet meer geestelijk
of gedachtelijk, het is doorvoeld, en juist daarom is zij de socialistische
dichteres in Holland. Neem Adama van Scheltema. De eenvoudige liedjes, die
hij misschien voor de minste houdt in zijn werk, die voor den gewonen lezer
ook wel minder zijn, neem een socialistischen marsch, die zoo echt is van
rythmus, zoo meegevoeld, zoo meegestapt, zou ik haast zeggen, dat is echte
proletarische poëzie, in tegenstelling met werk, waar heel wat diepere en
ingewikkelde bedoelingen achter zitten, maar dat juist daarom geen poëzie
kon worden.
Wat betreft de mogelijkheid van proletarische poëzie kan ik dus zeggen,
dat die geheel afhangt van persoonlijkheid. Als in Holland honderd
dichters kunnen gevonden worden, die tegelijk proletarisch voelen, dan
hebt gij natuurlijk honderd proletarische dichters. Maar dat is nog geen
proletarische poëzie, niet waar, u begrijpt me. Mevrouw Roland Holst en
Adama van Scheltema maken proletarische poëzie als zij waarlijk
proletarisch voelen, niet denken. Maar van het oogenblik af dat men
proletarisch denkt maakt men geen poëzie meer, omdat men dan denkt en
niet leeft.
Gorter heeft in de "School der Poëzie" geschreven van de burgerlijke
kunst, waar hij uit wilde. Heel de "Nieuwe Gids" is volgens hem
burgerlijk. Daar had hij groot gelijk in. Zoo was het. De "Nieuwe
Gids"-dichters waren burgerlijk, omdat het impressionistische gevoel
rechtstreeks straalde uit het burgerlijk leven. Er kon dus werkelijk
sprake zijn van een op haar uiterst levende burgerlijke poëzie. De
meeste menschen in dien tijd en ook de meeste dichters leefden en
teerden op sommige begrippen die heelemaal burgerlijk waren. Zij leefden
voort op de begrippen van 1848. En toen kon er sprake zijn van een
algemeen burgerlijke poëzie. Maar tegenwoordig kan er geen sprake zijn
van een algemeen socialistische poëzie, omdat de proletarische begrippen
nog niet zijn doorgedrongen in de menigte, omdat de proletarische
gevoelsdichters nog uitzonderingen zijn. Daaruit volgt, dat er volgens
mij natuurlijk een tijd kan komen van proletarische poëzie, gelijk er in
1900 sprake mocht zijn van burgerlijke. Ik geloof zelfs, dat die tijd er
misschien komt, mijn eigen idealen er natuurlijk buiten gelaten.
Maar als het zoover komt, dan ben ik overtuigd, dat er ook reactie komt,
anarchistische of aristocratische reactie komt, waarin de individualisten
zullen spreken tegenover de meerderheid der maatschappelijke gemeenschaps-
dichters. En zoo gaat het voort. In Gent noemt het volk dat "den contour
van de wereld", het draait altijd zoo maar rond.
Maar waar blijft, als de proletarische begrippen zijn doorgedrongen,
eigenlijk de poëzie? Is een socialistische toekomst wel vereenigbaar met
uw opvattingen van wat poëzie eigenlijk is?
--Er zullen altijd dichters zijn. Denk eens aan den tijd van de
predikanten-poëzie, waar Kloos het over heeft. Die tijd was zoo duf, zoo
vermolmd, dat men zich moeilijk kan denken dat er toch nog dichters
waren. En nu is de laatste daad van Kloos juist geweest, deze dichters
op te delven. Beets en De Génestet waren geen groote dichters, maar zij
hadden het in zich. Beets met zijn "Camera" mag er toch wezen, en hij
leefde toch heelemaal in de Protestantsch burgerlijke Hollandsche
wereld.... Ik stel mij voor, dat er moeilijk iets kleiners is te vinden
dan deze wereldbeschouwing. Toch heeft hij er iets van gemaakt. Ik stel
mij voor, dat het ook zoo zal gaan in den socialistischen staat, wanneer
die er eenmaal komt. Er zullen dan ook menschen zijn, die dichter in hun
hart zullen zijn. Wij weten natuurlijk niet of het groote dichters
zullen worden, maar zij zullen den geest van hun tijd uitdrukken, gelijk
de individualisten hun tijd uitgedrukt hebben.
En dat brengt mij weer op mijn eigen begrip van individualistische
poëzie. Er is waarlijk iets dat boven den tijd staat. Dat is het
menschelijk leven, het menschelijk aanvoelen, het menschelijk begrijpen,
het leven, het léven ... dat is alles.
Vermeylen heeft gezegd, dat men de grootheid van een dichter meet aan de
ruimte van zijn ziel. Kunt gij ruim begrijpen, kunt gij ruim voelen en
kunt gij ruim mededeelen, dan zijt gij een groot dichter, maar dan staat
gij buiten de onmiddellijk u omringende maatschappij.
Men zegt wel eens dat de hypertrophie van het gevoel een teeken is van
decadentie. Daar moet over gesproken worden. Wat is decadentie? Dat is
toch verslapping, nietwaar, en die is gewoonlijk het gevolg van
overspanning. En nu is het maar de vraag: kunnen wij deze in het
tegenwoordige individualisme vaststellen? Neen, dat kunnen wij niet
meer. Wij konden het in den tijd van Kloos. Zoo'n verslapping van de
zenuwen komt altijd voor, na een periode van groote inspanning. Zoo
hebben wij bijv. gezien bij Alfred de Musset, die dichter is tien jaar
van zijn leven, en daarna uit, juist omdat hij kwam na de groote
Napoleontische periode; en bij Baudelaire, die maar een korten tijd
dichter was, juist in het tweede Keizerrijk, na een oogenblik van groote
spanning. Kloos in Holland blijft maar een jaar of vijf, zes, eigenlijk
dichter. Hij volgt op het kwijnen-gaan van de burgerlijke opvatting die
stond tegenover de nieuwe levensbeschouwing: het Socialisme. Kloos is
een burgerlijk dichter geweest. Was hij zenuwsterk genoeg geweest, dan
had hij zich kunnen laten opslorpen door, of had weerstand kunnen bieden
aan de nieuwe beweging. Hij stond met zijn zintuigelijkheid tegenover de
verouderde wereld en kon geen stand houden. Wij hebben in Vlaanderen ook
zoo'n voorbeeld, wij hebben Van Langendonck, die niet mee wilde in den
opstandelijken strijd en bleef bij zijn burgerlijke opvatting. Hij was
daardoor te zeer gedwongen, in zichzelf in te keeren, en heeft zich niet
meer kunnen uiten.
Daartegenover kan dit gesteld worden: boven die levensomstandigheden
uit, boven die maatschappelijke omstandigheden uit, rijst de algemeene
menschelijkheid van de menschen die op de kimmen wonen, die boven de
andere menschen uitreiken, die de groote menschelijkheid
vertegenwoordigen, die classiek van gevoel zijn. En die vind ik in alle
tijden terug, hoewel die in hun tijd meer dan waarschijnlijk ook
uitzonderings-dichters waren.
Mijn opvatting is dus niet anti-maatschappelijk, zij is
a-maatschappelijk. Zij staat er buiten, zij is a-socialistisch,
a-moreel, maar anti- is zij niet. Het is heel goed mogelijk, dat de
sociaal-democratische staat er zou zijn en dat ik in dien staat
heelemaal mee kon voelen, dat ik dan een socialistisch dichter zou zijn.
Maar voor iedereen acht ik het onmogelijk, dat van nu af aan eene
socialistische poëzie geheel volledig in het leven zou worden geroepen.
Die poëzie zou heelemaal hersenwerk, uit de gedachten zijn, dus
onpoëtisch. Daarom heb ik juist zoo een grooten eerbied voor Mevrouw
Roland Holst, omdat zij dit alles heelemaal doorwerkt heeft, en kan ik
geen eerbied hebben voor een Gorter, als socialistisch dichter, omdat
bij hem alles stelsel, gedachte, organisatie blijft. Dat laatste woord
komt in zijn gedichten telkens terug en dat maakt een mensch kriegel.
Eerst geeft hij een prachtig brok poëzie, en dan zegt hij: zóó is nu de
socialistische organisatie. Dat is best mogelijk, mijnheer, maar ik wil
alleen poëzie hebben en heb niets te maken met uw socialisme. En dat is
nu juist het verkeerde van de poëzie in Holland tegenwoordig, dat zij
zoo weinig geeft om het onmiddellijke, spontane leven, dat zij alles
laat gaan door den geest en alles distilleert op eigen manier. Dat is
bijv. de kwade invloed geweest van Verwey, die de gewaarwordingen en het
gevoel heeft willen filtreeren door de idée. Daardoor zijn er een
heeleboel jonge menschen in Holland op verkeerde banen geraakt. En zou u
wel willen gelooven, dat ik niet veel vertrouwen heb in de poëzie van
Holland.... Ja, ja, ja, u hebt gelijk, ik bedoel dan de _toekomst_ van
de poëzie in Holland. Ziet u, ik wil niet onvriendelijk zijn.... Deze
hebbelijkheid vindt men zelfs bij de besten, Boutens bijv., iemand waar
ik grooten eerbied voor heb. Hij is de gevoeligheid-zelve, gevoelig tot
de meest gespannen mystiek toe. Maar er is dit bij, dat hij Hollander
is, en daardoor weer dit, dat hij, die uitgaat van het impressionisme,
geheel intellectueel is geworden, dat hij waarlijk weer alles herleidt
tot een intellectueel plan, even goed en misschien meer nog dan Gorter.
Stel u voor een Boutens, die even kinderlijk gebleven was als Annie
Salomons. Stel u voor wat dat zou zijn. Het is natuurlijk belachelijk,
zulke namen naast elkaar te stellen, want, niet waar, Annie Salomons is
nu nog niet bepaald wat men een groote dichteres noemt. Dus ik zeg dit
met allen eerbied voor Boutens, dien ik een zeer groot dichter acht.
Maar hoe doen de dichters in Holland? Zij hebben b.v. eenen indruk, dien
ik zal noemen: blank. Wat doen zij nu? In plaats van argeloos maar dien
indruk uit te zingen, nemen zij, zeer bedacht, wat wit, en zetten
daarnaast voorzichtig een klein beetje rose, en daarnaast behoedzaam
weer een klein beetje geel en maken daarvan de veertien regels van een
sonnet. Dat is heel fijn, het is een genot dat te lezen, maar welk
genot? Genot voor den geest. Het is geestelijke analyse geworden: een
synthetische gemoedsbeweging geeft het niet. Dan nog maar veel liever de
proletarische poëzie, waar tenminste nog een menschelijk gevoel in zit.
--U vindt het dus wel een vreemd verschijnsel, dat de proletarische
opvattingen binnen gehaald worden door de dichters die eigenlijk de
grootste individualisten moesten zijn en zijn?
--Ja, maar dat is een speciaal Hollandsch vreemd verschijnsel, en wat
ook speciaal Hollandsch is, is dat deze dichters uitgaan niet naar
menschenliefde, niet naar het christelijk begrip van broederliefde,
maar naar de organisatie. Dat heeft mij altijd zoo verwonderd. In
"Opwaartsche Wegen" kan men dat zoo goed zien. Daarin stond een zeer
schoon sonnet, dat men met genot las, tot bij het laatste terzine,
waarin de dichteres ineens zegt: dàt is nu het proletariaat,--waardoor
het heele gedicht kapot wordt gemaakt. Gorter maakt een prachtig beeld
van een jong meisje en onmiddellijk daarop zegt hij: dàt is nu de
organisatie,--of zoo iets. Dat is speciaal Hollandsch. Een Franschman
heeft eens gezegd: "Le Hollandais, c'est le Monsieur qui veut se rendre
compte et ... il se rend compte." Dat is waar. Zij willen altijd weten
waar het om gaat. Gorter, ik ben er overtuigd van, is een prachtig
mensch, als dichter wordt hij in oprechtheid door niemand overtroffen;
en ook in zijn liefde voor het proletariaat niet, dat valt niet te
betwisten. Maar als hij gaat denken, en als hij dan, al denkende,
gedichten gaat maken over het proletariaat, dan is hij "le monsieur qui
veut se rendre compte", dan gaat hij bedenken wie de voorzitter zal zijn
van de organisatie, en wie de secretaris zal zijn, en hoe hij dien
optocht zal inrichten, en wie de meeste stemmen zal halen bij de
verkiezing. En dat heet dan poëzie. Zoo zijn zij haast allemaal. Al
overdrijf ik hier natuurlijk met opzet, duidelijkheidshalve.
Kortom, een proletarische poëzie zal mogelijk zijn als de proletarische
staat er is, waar de gedachte vleesch is geworden. Maar dan komt de
reactie, dat kan niet anders, gelijk ook voor twintig jaar in de
burgerlijke poëzie een reactie is gekomen. Als de proletarische-
gemeenschappelijke stijl bestaat, dan komt er natuurlijk een aristocratisch
-anarchistische beweging. Dat spreekt van zelf. Dat kan anders niet.