INLEIDING.

Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven

in bosch en veld, waarvan "Het Boschvolkje", "Op Eenzame zwerftochten",

"Dierenleven in de Wildernis", "Kijkjes in het Dierenleven" het begin

vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer

van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol

vriendelijkheid en waardeering waren.

Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven

opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke

dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen

van het Boschvolkje?

Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd

te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of

meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak,

waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in

de wijze, waarop wij er ons gedragen--wij praten, lachen, ritselen,

trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de

kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten

toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen

gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend,

luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden

van de stilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun

natuurlijke vijanden vreezen en haten.

Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in

ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots

op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die

omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke

gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we

het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts

als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en

geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig

bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en

alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen

ons gevoel evenzeer als onze handelingen.

Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig,

wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd

kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor

gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert,

dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in 't riet, zal

stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem

verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in

diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt

heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige

manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken

of ge niets meer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig--laat hem 't

geflonker op een kijker zien, 't wapperen van een kleurigen zakdoek,

een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een

jongenszak u aan de hand kan doen--en ge loopt kans, dat hij terug

zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.

Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn

nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het

bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding

veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels

van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen

zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge

zijt en wat ge uitvoert. Dan is 't voordeel aan uw kant; want terwijl

hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u

allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere

manier zult te zien krijgen.

Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij

de vorige--jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en

een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer-

en winterkampen in de groote wildernis.

Boschgeheimen · 第 3 / 12 题