DE BEVOLKING VAN HET EILAND WIERINGEN.

In het bezit van zoovele mildvloeijende bronnen van bestaan, als

waarvan wij in het Tweede Hoofdstuk gesproken hebben, verkeeren

Wieringen en zijne bewoners over het geheel in eenen welvarenden

toestand.--Wij willen onze lezers met deze eilanders meer van

nabij trachten bekend te maken, en het is met eene naauwkeurige

beschouwing over dezen, dat wij onze beschrijving van dit schoone

Eiland besluiten.--

Zoo als wij reeds aanmerkten, worden onder de bevolking van

Wieringen de voornaamste Nederlandsche Kerkgenootschappen

vertegenwoordigd.--Immers, men treft er Hervormden, Doopsgezinden,

Roomsch Katholijken, enz. aan. Dit verschil in geloofsbelijdenis, wekt

nogthans hier, minder dan wel elders plaats vindt, onverdraagzaamheid

en daardoor ontstane tweespalt. De onderlinge zamenleving kenmerkt

zich eerder door vredelievendheid, en, in het stuk van godsdienst,

door welwillende verdraagzaamheid; eene reden te meer, waarom de

bevolking zich zoo aan hare woonplaats hecht, en dien zoo zeer boven

andere oorden bemint.--

Hun omgang is eenvoudig, rond en openhartig, en, ofschoon men

onder hen die fijne beschaving mist, welke in het algemeen meer den

stedeling kenmerkt, zoo zijn zij niet te min in vele opzigten veel

meer beschaafd, dan wel met de meeste bewoners van het zoogenaamde

boerenland het geval is. Inzonderheid verdienen de Wieringers om

hunne gulle gastvrijheid geroemd te worden. Zoo ergens dan voorzeker,

is het onder hen, dat men deze voorvaderlijke deugd, in eere ziet

gehouden.--Treedt vrij bij eenen Wieringer binnen, beziet zijne woning,

zijnen stal, zijn vee; voorkomende vriendelijkheid zult gij ten zijnent

gehuisvest vinden. Minzaam doet hij, en doen al de zijnen, zich voor,

en ongaarne zou hij zien, dat gij weigerdet, om van zijnen eenvoudigen

disch gebruik te maken. Wat hij heeft, biedt hij u met een goed hart

aan, en gaarne deelt hij, zoo hij kan, u mede, al wat gij van zijn

Eiland, en van zijne mede-eilanders zoudt verlangen te weten.--

De huisselijke inrigting bij deze eilanders verschilt weinig of niet

bij die aan den vasten wal van Noord-Holland; ja, ik meen zelfs onder

hen, in dit opzigt, eenen beteren smaak ontdekt te hebben. De bekende

Noord-Hollandsche zindelijkheid is ook hier algemeen heerschende,

en zoowel om, als in de woningen, tot zelfs in kleinigheden, waar te

nemen;--en, ofschoon men er die pracht en weelde niet ziet, welke in

Noord-Holland gevonden wordt, zoo ziet men er ook geene eigenlijke

armoede, maar wel den middelstand.--

Wordt er hulp en ondersteuning gevraagd, dan geeft en helpt men

volgaarne, iets, dat inzonderheid met den jongsten watersnood, op

eene overtuigende wijze gebleken is.--

Wanneer men in het algemeen de bewoners van Wieringen met die van de

overliggende gemeenten van het vaste land vergelijkt, bespeurt men,

dat zij overigens zeer weinig van deze verschillen in kleeding,

zeden en gewoonten.--

De gewone Noord-Hollandsche kleederdragt wordt ook hier gevolgd; de

kaper wordt nog door vele gebruikt, ofschoon dit gebruik langzamerhand

vermindert en plaats maakt voor de gewone hoeden.--Sommige mannen

dragen in de hemdskraag twee gewerkte gouden knoopen.--

Het Wieringer dialect komt vrij veel overeen met dat in geheel

Noord-Holland, uitgenomen in eenige woorden, welke bij de uitspraak

eene verwisseling, vermeerdering of vermindering van klinkers

ondergaan. Zoo zegt men veeltijds koesen voor kousen; mulen voor

muilen; suker voor suiker; pipen voor pijpen; nouw voor nieuw;

min of mien voor mijn; win, wien voor wijn; bliven voor blijven;

vieftig voor vijftig en meer anderen.

Voorts spreekt men ook van koog, dat is het lage hooiland;--tarlen,

dat is gedroogde schapenmest, die door mingegoeden tot brandstof [10]

wordt gebruikt.

Kroft, krocht, voor een stuk land, door wallen van graszoden of met

een hek omringd;--

Het Eiland Wieringen en Zijne Bewoners · 第 40 / 44 题