Het tegenwoordige Eiland Wieringen, vroeger aan den vasten wal van
het oude West-Friesland verbonden, was, volgens eene in de 13de
eeuw ontworpen kaart, door den IJssel, welke rivier met den ouden
Flevumstroom in gemeenschap stond, en die zich daarna bij Vlieland in
de Noordzee ontlastte, van de Friesche kust gescheiden. Omtrent den
tijd echter, wanneer die afscheiding hebbe plaats gegrepen, verkeert
men in het onzekere, of althans, verschillende schrijvers zijn ten
dien opzigte ook verschillende meeningen toegedaan. In zooverre echter
komen de meeste geschiedkundigen met elkander overeen, dat Wieringen
reeds in de 12de eeuw van het tegenwoordige Friesland, en in 1296,
van het tegenwoordige Noord-Holland (vroeger West-Friesland genoemd)
gescheiden was. Op de oudste der bestaande kaarten van dit gedeelte
van Neêrland's tegenwoordig Rijksgebied, bespeuren wij den naam
Wieringen niet. Echter vinden wij, ter plaatse, waar dit Eiland ligt,
en wel bepaald op de hoogte van het het dorpje Stroe, de namen Strude,
Wierum, en men mag veilig aannemen, dat, door deze laatste naam het
tegenwoordige Wieringen moet verstaan worden, dat reeds van af de
14de eeuw, dezen naam draagt, en dat in eene lijst of blaffert van de
Utrechtsche kerkgoederen, Wiron wordt geheeten. Dienaangaande vinden
wij het volgende aangeteekend:
"Wieringen, dat in de lijst der Utrechtsche kerk, Wirom, genaamd word,
is heden een klein Eilandt in de Zuiderzee, 1600 roeden van de vaste
kust van de Wieringerwaardt, en 't Koegras in Noordt-Hollandt, gelegen,
hebbende zijnen naam ontleent van het wier, dat in groote meenigte
rontom hetzelve in zee groeit. Dirk burger, getuigt dit Eilandt
omgegaan, afgetreeden, en dus zijne lengte op 12000, zijne breedte
op 4000, en zijnen omkring op 32000 treeden gevonden te hebben. De
grondt alhier is zeer vruchtbaar in koorn, hoewel met ontallijke
keisteentjes doorzaait, en de weiden staan alomme met schoone witte
klaver te pronken, waarop jaarlijks eene groote meenigte van uitnemende
vette schapen gekweekt worden, waar nevens aan de west-zijde dezes
Eilandts, aan de afgespoelde hoogtens, veele lijmaarde, waarmede
de Bakkers hunne ovens van boven bestrijken, gevonden word; maar,
gelijk het zoet gemeenelijk met eenig zuur vermengt is, zoo lijdt dit
Landt zeer veel in zijn achting, door de groote meenigte der Padden,
die alhier meerder, als elders in geheel Noordt-Hollandt, gevonden
worden, tot zelfs in de putten, en waterbakken toe, waar tegens alhier
wederom nooit eenige ratten of mollen vernomen zijn. Vijf kerkdorpen
vind men op dit Eilandt, nevens twintig onderscheidene gehuchten,
die van twee Predikanten bedient worden, en genaamt zijn Oosterlandt,
in 't handschrift der Utrechtsche kerke Oistelandt; Westerlandt, ook
't Westen, en in het gemelde handschrift Wijsterlandt, Stroe, ook wel
Stroot, en van ouds Strude; Hijpolitishoof of Hijpelshoef, in 't meer
gemelde handschrift Ypelhoef, doch eigentlijk Hippolijtushoef, omdat
de kerk alhier den H. Hippolijtus toegewijd was, en de Oever. Van
hoe weinig belang, en grootte alle deze dorpen en gehuchten zijn,
is lichtelijk af te meeten uit het kleine getal van huizen, zeggende
meergemelde D. Burger, dat ze in 't jaar 1709, in het geheel 326
uitmaakten, welke nevens de Landerijen, uitlopende op 3579 Morgen,
550 1/2 Roeden, volgens 't Quohier van 't jaar 1632, in de verpondinge
over West-Frieslandt 6873 gulden opbrengen.
Verscheide wisselvalligheden en rampen heeft dit Eilandt in vroege
en latere tijden moeten ondergaan: zoo vinde ik, dat Wieringen door
Willem I, Grave van Holland, die 1223 overleden is, aan het Konvent
van St. Odolfus, in Friesland bij Stavoren, geschonken is. Ook was het
onder dit Eilandt, dat zich eenige schepen van Vrouw Jacoba, Gravinne
van Hollandt, in den jare 1426 verzamelden, die geheel onverwacht
Enkhuizen overvielen. Wijl die stadt de zijde van Hertog Philips
van Bourgondië hield, en ruim hondert burgers voor het zwaardt deeden
bukken, dat der Gravinne zaak niet weinig verergerde, en in 't volgende
jaar 1427, toen haare vloot onder Jonker Willem van Brederode, in den
scheepsstrijdt bij dit Wieringen, geslagen wierd, strengelijk gewroken
is, geevende de Noord-Hollanders geene lijfsgenade, als aan weinige
gevangenen, die hij echter kort daarna, te Enkhuizen binnengebragt,
en op een getal van ruim tachentig uitlopende, het zwaard door den
nek gedreven hebben. Gedurende den [5] meesten zomer van 't jaar 1491,
hadde dit Eilandt, wegens zijnen overvloedigen lijftocht, het bezoek
van de misnoegden van Sluis in Vlaanderen, die in den vrede met den
Roomsch Koning Maximiliaan niet wilden begreepen zijn, en in den
voorzomer met eenige oorlogschepen, nadat zij Wijk op Zee geplondert
en gebrandt hadden, onder 't beleid van Heer Jan van Naaldwijk,
het Marsdiep bij Texel inliepen, een groot getal van koopvaarders
onderschepten, en de zeegaten genoegzaam gesloten hielden, zoodat
'er alomme een groote dierte in de eetwaaren ontstont; maar feller
neepen voelde men alhier 1491, wegens het medeplichtig zijn aan
het Kaas- en Brootspel, want eerder wierden dezes Eilanders geene
brieven van kwijtscheldinge verleent, voor dat zij tweehondert gouden
Andriesguldens tot boete opgebragt, en eenigen van hun ongewapent,
blootshoofts, en barrevoets met een wit stokje in de handt, voor
die Stadhouders huis, op de knijen leggende, om vergiffenisse hunnes
beganen oproers gebeden hadden.--
Gedenkwaardig is het geval van Willem van Treslong, voerende
een oorlogschip ten dienste van Prins Willem I; want hij 1572 in
't Vlie binnen gekomen, geraakt door 't ijs onder Wieringen, en
aldaar bevrooren tot in Maart, teerende op den huisman: 't geen de
Spanjaarts bewaag omme hem in zijn schip, over 't ijs te bespringen;
die ook eene Jan Sijmontz Rol, met vier Vaandelen Soldaten, veel
Bootsvolk, en Burgers derwaarts sonden, die 't schip opeischende, ten
antwoordt kreegen; dat niet dan kruid en loot voor hun te goed was:
waarna zij verder naderende; zoo vervaarlijk uit Treslongs geschut
begroet wierden; dat veelen 't opstaan vergaten, waarna Treslong
't ijs opbijtende, wegzeilde.--
Halma, Toon. der V. Ned., II d., bl. 316.--D. Burger, Kron. van
Medemb., Bronerius, Westfris. Illustr., 2 deel;--P. J. Twisk,
Kron., I.--
Voorts vinden wij bij de reeds genoemde schrijvers, nog het volgende
vermeld:
"Wieron Wieringia, voormaals een vast aaneengehecht gedeelte van
't Landschap Texel, en misschien ook van dat Graafschap, eerst
in de 13de eeuw daarvan afgescheurt, en allengskens vermindert, is
tegenwoordig een middelmatig Eilandt. Het Register der Goederen van de
Utrechtsche Kerke noemt het Wieron van wiere, zeegras, dat hieromtrent
in menigte groeit, en tot versterking der zeedijken ten hoogsten
noodig: tegenwoordig word het Wieringen genoemt, en een gedeelte
hiervan noch aan 't vaste landt gehegt, de Wieringerwaardt, dat bij
Melis Stoke doorgaans met den naam van Wierinclandt voorkomt.--(Alting
Not. Germ. Infer. Pars II, fol. 207.) Deze Wieringerwaard, voormaals
dus Wierincklandt genaamt, en vast-landt geweest, dat aan Texel en
Wieringen verknocht was, en in de dertiende eeuw door de ingeborste
zeegolven overdekt is geworden, heeft tot den jaare van 1608 als
een enkel slik gelegen, groot in den jaare 1597, volgens het daarvan
gemaakte, en den Staten van Hollandt overgegeeven, bestek, omtrent
1900 Morgen, eeven buiten den Frieschen Zeedijk, in Noordt-Hollandt,
omtrent den Keijns en Varsingerhoorn, en ten Noordoosten van den
Slikkerdijk van de Zijpe, waartusschen en de Kolhoorn het Noord
op strekt naar Wieringen toe, wesende zeer effen, zonder eenige
Zwimmen, Dieptens of Killen, ende merkelijk hooger van grondt,
dan de beste kleilanden binnen de Dijkagie van de Zijpe voor de
Keijns, en neffens den Slikkerdijk gelegen. 't Welk bij eenen Adriaan
Maartenz. Koetenburg, woonende te Alkmaar, langen tijd waargenomen
zijnde, hem bewoogen heeft, zich bij requeste aan de Staten van den
Lande aan te geeven, ende octroij te verzoeken tot het bedijken van
gemelden Wieringerwaardt, onder zekere voorwaarden en vrijheden, 't
geene hem ook bij Resolutie van dezelve Staten, van den 6n September
1597 goetgunstelijk toegestaan is, nadat alvorens eenige Afgezondenen
van die van de Rekeninge van Hollandt het voorgemelde Slik hadden
weezen zien, en een gunstig bericht van hunne bevindinge overgegeeven;
ende is dit octroij van bedijking niet alleen aan hem, Koetenburg,
verleent, maar ook aan zijne erven en nakomelingen, en recht van hem
verkrijgende, in diervoegen, dat hij, ofte zij, denzelven Waardt
bedijkt hebbende, dien, als zijn, of hun vrij en eigen goedt, ten
eeuwigen dage behouden en bezitten zouden, en dat met vrijdom van de
Tienden voor vijftien jaaren, van de verpondinge voor tien jaaren, en
van de Imposten van het Hoorngeldt en bezaaide Gemeten, beginnende na
het voltrekken van de bedijkinge, voorts met vrijdom van alle gemeene
landsmiddelen van consumptie, ingaande met de eerste bedijkinge,
en van de Tollen voor alle de inwoonders van dien ten eeuwigen dage,
en van alles, 't geene dezelve zullen voeren, ofte doen voeren naar,
ofte van den gezegden Wieringerwaardt in andere landen, mits dat
binnen zes jaren tijds de voorgestelde bedijkinge gedaan en voltrokken
wierd met eenen vasten Winterdijk, van al zulken hoogte en breedte,
als gemelde Heeren Staten in dit octroij voorschreven en bepaalden;
ende dat na de voltrokke bedijkinge, zoo lange de ingedijkte landen
zonder inbreuk en overstrominge bleeven, van ijder Mergen jaarlijks een
erkentenisse van twintig stuivers ten behoeve van de Graaffelijkheit
van Hollandt betaalt zoude worden; blijvende aan dezelve voorbehouden
alle hooge middelen en laage Jurisdictiën, en moetende, ingevalle
dezelve Waardt weder inbrak, de Ingelanden 't elkens binnen vier
jaaren dezelve wederom bedijken. Waar op deze bedijkinge wel ondernomen
wierd; doch door 't gebrek van arbeiders zoo slechten voortgang had,
dat zich de ondernemers (in) 1603 genootzaakt vonden een uitstel van
nieuwe zes jaaren tot de voltrekking huns werks, (dat hun ook verleend
wierd) te verzoeken, waarna zij (in) 1608 bestonden, en (in) 1609
vervolgden, dezelve bedijkinge te doen, met hoope van dezelve binnen
die twee jaaren voltrokken te zullen hebben, dat hun echter geweldig
ontschoot, door 't gebrek der stoffe, waarmede de dijken in deezen
geweste gemaakt worden, waardoor zij op eene andere wijze hebbende
moeten doen werken, de dijkagie haare behoorlijke zwaarte en dikte
niet bequam, als zij, volgens het gemaakte bestek, voorgenomen hadden,
zoodat door den zwaaren storm van den 27n Februarij 1610, verscheide
gaten en grondwaalen in den dijk vielen, die men al tot laat in het
voorjaar met rijs en met zinkingen van schepen, bezig was te stoppen,
omme daarop, of omtrent een vasten voet en grondslag te maaken, waarop
een bequaame Winterdijk gelegt mogt worden; waarbij noch quam, dat
men wegens den gestadigen regen en natten zomer, die de stoffe, tot
het werk vereischt, onbearbeidzaam maakte, het dijken moest staaken,
en, 't zelve in het jaar 1611 hervattende, en met kruijwerken en klei
naar behooren bezorgt hebbende, bevond dat verscheide Bakken Dijks,
ter hoogte van twaalf en dertien voeten gewrocht zijnde, tot den
grondt toe begosten te zinken, ja op zommige plaatzen tot twee en
drie maalen toe, tot zeer zwaare, en hooger loopende kosten, als de
onderneemers gegist hadden, weshalve zij bij een nader verzoekschrift
een verdere verlenging van hun eerst verkreegen octroij voorstelden,
en den 23n Maart 1612 verkreegen voor noch vijf achtereenvolgende
jaaren, binnen welke dan ook de geheele Waardt, zonder verdere rampen,
in zijne Dijken geslooten en bevestigd is geworden.
In het Quohier van de verpondinge, in den jaare 1632 over Huizen,
Landerijen, en alle onroerende goederen over de Steden, en ten platten
Lande in West-Frieslandt gelegt, vinde ik de Wieringerwaardt gestelt
op 22 Huizen, 1882 Mergen, en 11 Roeden, en dus op vijfhondert en vijf
en seventig guldens, elf stuivers en tien penningen aangeslagen. Dirk
burger verhaalt in zijne Kronijk van Medemblik, dat hij in 1708 dezen
Waard doorwandelende, aldaar geteld heeft, 149 huizen, vijf groote
watermolens, benevens een korenmolen, waarbij eene Gereformeerde
kerk, met een Predikant, die onder de classis van Alkmaar gehoort,
en eene Mennonijten kerk gevoegd kunnen worden."
Bronerius, Westfris. Illustr. 2e. deel; Plakkaatboek van Holl.,
6 Se t. 1597; id. 5 Sept. 1603.--
Gedurende het bewind van Albrecht, Grave van Holland, werd de
Wieringerdijk voor het eerst aan eene geregelde verdeeling onderworpen,
en verdeeld in 14 riemen. Dit schijnt vrij zeker de eerste dijk te
zijn geweest, die aan het oosteinde des Eilands heeft gelegen [6], en
die door den stormvloed van 1334 bijna geheel is vernield geworden. De
zeeweringen daarna met geen genoegzame zorg hersteld zijnde, werden den
18n November des jaars 1421 weder bijna geheel weggeslagen.--Tot aan
1570, bleef de dijkagie vrij wel in stand, waartoe vooral het sedert
1514 aangestelde Dijksbestuur, dat aan het onderhoud der zeeweringen
veel kosten en moeite besteedde, gunstig medewerkte.--
In den zoogenaamden Allerheiligen-vloed, werd Wieringen echter
weder zwaar geteisterd, en zag het er hier jammerlijk uit. Doch
vooral in de jaren 1675 en 1683, in welk laatst genoemd jaar de
polder Waard-Nieuwland verdronk, leed dit Eiland groote schade
door de toen plaats hebbende watervloeden. Ook het jaar 1686 was
in dit opzigt voor Wieringen noodlottig te noemen; doch van toen
af tot de jaren 1775 en 1776, ondergingen de zeeweringen om dit
Eiland geene belangrijke schade.--Het was namelijk in den nacht
van den 20sten op den 21sten November van laatstgemeld jaar, dat
er een smakschip, geladen met houtwaren, door den hoogen vloed op
den Bierdijk werd geslagen. De geheele noordzijde des Eilands was
als bezaaid met verongelukte schepen. De Westerlanderdijk had op
onderscheidene plaatsen belangrijke breuken, terwijl al de polders
op het Eiland waren ingebroken en overstroomd. Meer dan 2,500 stuks
vee verdronken, terwijl het water zich op vele plaatsen dwars over
het Eiland eenen weg baande. Te meer nog drukte dit ongeval op de
bewoners van Wieringen, aangezien zij reeds ten vorigen jare door
overstrooming ruim 500 stuks vee verloren hadden. Ook stortten er
toen met het wegslaan der zeeweringen, aan den Oever, een tweetal
huizen in; al de zeeweringen werden ten eenenmale vernield. De Schout
of Baljuw van Wieringen, JB. van Pommeren, verloor bijna het leven,
daar hij zich des avonds even buiten het dorp Hijpolitushoef, naar
den molen de Pool, begaf in welks nabijheid een bakker woonde. Als in
een' oogenblik zag hij zich door het zeewater omgeven, en genoodzaakt
in des bakkers woning te vlugten, vanwaar hij den volgenden morgen,
door eenige personen werd afgehaald. De communicatie over het Eiland
was geheel verbroken, en slechts met schuiten kon men bij elkander
komen. Des namiddags ten 5 uren brak de Noorderdijk door, welke dijk
in 1793, is hersteld en verzwaard geworden. Ook in het voor gansch
Noord-Holland zoo noodlottige jaar 1825, werd Wieringen door den
stormvloed van den 3den, 4den en 5den Februarij, deerlijk geteisterd,
doch sedert dien tijd heeft dit Eiland geene belangrijke schade aan
zijne zeeweeringen te lijden gehad, en verkreeg het die gedaante,
waarin wij het, op de hierachter gevoegde kaart, hebben voorgesteld.
Groot zijn dus de veranderingen, welke op dit Eiland, sedert de 12de
eeuw, door storm en watervloeden, hebben plaats gegrepen; vooral,
wanneer wij daarbij bedenken, dat sedert dien tijd al het land tusschen
Stavoren, Medemblik, Texel en Wieringen, in de diepte verzwolgen,
en daarom niets meer overig is, dan eenige zandbanken en platen.--
Met betrekking tot de zoogenaamde Koningsweg op Wieringen, wil men,
dat deze zijnen naam heeft ontleend, van den bekenden Frieschen
Koning Radboud, die zich langs denzelven zoude hebben doen rijden
van Medemblik tot Wieringen, om in de boschrijke streken, toenmaals
daartusschen gelegen, te jagen, en hetwelk moet hebben plaats gehad,
omstreeks den jare 715 en vroeger.--
Nadat Floris III de Wieringers aan zich had onderworpen, eischte hij
van hen in 1188 eene brandschatting, terwijl dergelijke schatting hen
ook werd opgelegd in 1522, door de Geldersche Friezen; waardoor deze
Eilanden zeer verarmden.--
In 1382 stond Wieringen onder het oppergezag van Albrecht, Graaf van
Holland, die hier in alles de wet voorschreef, en, bij besluit van
den 27 Mei 1391, aan die van Wieringen vrij wint en grint verleende.
In 1421 leest men van de bevestiging der Privilegiën, aan deze
Eilanders geschonken, door Johan, Grave van Hollandt, bij verordening
in dato den 4den Mei.
Bij Privilegie van den 8sten Mei 1432, verleend door Philips Palentein,
vindt men, dat "die hem (zich) uit noot verweert of manslag begaat
is vrij van den dood"; terwijl daarbij tevens bepaald werd, dat het
Wieringer geregt zich tot 500 roeden buiten het Eiland uitstrekte.--
In 1456 verbeurden die van Wieringen, met de Kennemers, hunne
voorregten en privilegiën, welke zij echter niet lang daarna van
Filips, Grave van Holland, terug ontvingen.
Albrecht van Saksen schonk, den 26sten Mei 1492, aan de Wieringers
vergeving, wegens eenen plaats gehad hebbende opstand.
Bij besluit van den 6 Maart 1515, verleende Keizer Karel V, vergunning,
tot de bedijking van Wieringen; als mede het aanstellen van Heemraden,
in de maniere hunner regtspleging, en den 11den Junij 1621, ontving
de Regering van Wieringen, Approbatie van de Ridderschap der Staten
van Holland.--
Uit dit een en ander meenen wij te mogen afleiden, dat het gevoelen,
dat Wieringen zijnen naam ontleend hebbe aan de Wierdijken, op geene
genoegzame gronden van zekerheid rust, aangezien dit Eiland, reeds
vòòr de eerste bedijking, zijnen naam had ontvangen.--
Van de stichting der 4 parochiekerken op Wieringen, is weinig
bekend. Men vindt ze reeds vermeld in een Handvest of Privilegie
van Filips, Hertog van Bourgondië, Grave van West-Friesland, enz.,
in het 1ste Artikel, uitgegeven op den 18den Mei des jaars 1452.
In vroegeren tijd bezat dit Eiland vele vaste goederen, waarvan de
kerken en pastoriën onderhouden, en de traktementen der predikanten,
kosters en voorzangers betaald werden. Die inkomsten werden geraamd,
op f 2500 's jaars en konden, gerekend naar de behoeften van dien tijd,
ruim toe. Doch sedert 1767 zijn deze goederen ten behoeve van den Staat
verkocht, zoodat er bijna geene vaste goederen meer tot de Hervormde
kerken behooren. De onderscheidene diakoniën bezitten echter nog
eenige vaste fondsen; vooral die der Doopsgezinde en R. C. gemeenten.
In 1680 zijn, op last van Gecommitteerden Raden van het Noorder
kwartier, de beide klokken uit de torens der Ooster- en Westerlandsche
kerken gehaald, naar Amsterdam vervoerd en daarna in den kerktoren
aan den Helder gehangen; terwijl er ten jare 1842, (welk jaar, door
eene buitengewone droogte, bij de Wieringers nog lang in geheugenis
zal blijven) een klok uit de toren te Hypolitushoef werd verkocht.
Inzonderheid was het jaar 1715 voor dit dorp noodlottig, als wanneer
een groot gedeelte van hetzelve door eenen hevigen brand geteisterd
werd. Gebrek aan behoorlijke brandbluschmiddelen, waarbij ook vooral de
verre afstand van het water kwam, belette de bevolking, om dit onheil
met den noodigen spoed te keer te kunnen gaan, en gaf aanleiding tot
het graven van eenen zeer grooten brandput, de Burenput geheeten,
die in 1717 op kleinen afstand van de Herv. kerk gegraven werd.
Ook te Stroe, in 1838, en tien jaren later, in het gehucht Smeerop
(door de eilanders Smerp geheeten) werd een tweetal woningen door
brand vernield.
Onvoorzigtigheid met buskruid, en kaarslicht was van deze onheilen
de aanleidende oorzaak.
Het Wapen van Wieringen bestaat in een blaauw veld, waarop eene door
twee leeuwen vastgehouden W, waaronder twee zwemmende rotganzen,
een en ander van goud. Het geheel wordt omgeven door dit omschrift: