VOORTBRENGSELEN, MIDDELEN VAN BESTAAN.

Wieringen's bodem munt over het geheel uit door vruchtbaarheid,

en, ofschoon in het algemeen, de landbouw op dit Eiland nog veel te

wenschen overlaat, zoo zijn deszelfs producten niettemin belangrijk te

noemen. Hier en daar brengt men de rijen-cultuur in praktijk, zonder

echter met de noodige zorg te bouwen, terwijl aan het behoorlijk droog

leggen der lage landerijen, nog veel te doen overig blijft. Hierbij

komt, dat de wegen in eenen slechten toestand verkeeren, waardoor de

middelen van gemeenschap, vooral in den winter, hoogst gebrekkig zijn

en dringend verbetering behoeven [2]. Het is onbegrijpelijk, dat de

Eilanders zelve, dit niet meer inzien, en deels uit vooroordeel, en

deels ook uit nalatigheid, ten dezen opzigte zoo achterlijk blijven,

te meer, daar zulks niet dan nadeelig werken kan op het geregeld

schoolgaan der kinderen, en op het onderlinge verkeer.--

De voornaamste bezigheden der Wieringers zijn landbouw en veeteelt,

wiermaaijerij en visscherij. Men begroot de uitgestrektheid der

gras- en hooilanden op ongeveer 1,500 bunders, terwijl er ongeveer

200 bunders bebouwd worden, ongerekend de gronden in den polder

Waard-Nieuwland, die, eene oppervlakte beslaande van 500 bunders,

ter helft uit grasland en ter wederhelft uit bouwland bestaat, welk

laatste echter tot op het vierde gedeelte zal beperkt worden.

De voornaamste verbouw bestaat in rogge, garst, haver, aardappelen

en erwten; in den polder ook vlas, tarwe en koolzaad.--

De waarde der landerijen, is, gelijk elders, ook op Wieringen in de

laatste jaren zeer verhoogd. De landhuren die doorgaans voor den tijd

van zeven jaren worden aangegaan, beloopen door elkander gerekend,

voor bouwland van f 40 tot f 70, en voor weiland van f 20 tot f 40,

per bunder, terwijl de koopprijs per bunder van f 600 tot zelfs f 1,200

varieert, al naar gelang van de meerdere of mindere vruchtbaarheid

van den grond.--

Moesgroenten tieren op dit Eiland zeer welig, en zoo men zich op den

uitvoer daarvan wilde toeleggen, zoude zulks eenen niet onaanzienlijken

tak van welvaart kunnen opleveren. Men schijnt daartoe echter weinig

lust te bezitten, en vandaar, dat de tuinbouw alleen beoefend wordt,

om in eigene huishoudelijke behoeften te voorzien.--

Daar Wieringen aan alle zijden voor den zeewind openligt, wordt er

geen hoog geboomte gevonden. Het houtgewas tiert er echter welig, en

vooral is dit het geval met de vruchtboomen, indien zij goed beschut

zijn. Die althans, welke wij gezien hebben, stonden onverbeterlijk

[3]. De aardappelen en peulvruchten, op Wieringen's bodem gewassen,

zijn van eene uitmuntende kwaliteit, terwijl de overige veldvruchten

mede van eene zeer goede hoedanigheid zijn. Ook de klaver wast er

uitmuntend.

De veestapel op Wieringen is mede niet onbelangrijk. Gemiddeld

schat men het aantal paarden op dit Eiland op 175, benevens 900

runderen en 10,500 schapen. De varkens worden van buiten ingevoerd,

en meest tot eigen gebruik gemest, van daar, dat derzelver aantal

zeer afwisselend is.--

De Wieringer paarden zijn niet zeer groot, doch sterk en taai, en

zeer geschikt voor zwaren arbeid.--

De runderen zijn uitmuntend en beter dan op Texel. Als eene

bijzonderheid merken wij hierbij aan, dat het vee op Wieringen altijd

aan eene lijn vast staat, die bevestigd is aan een' in den grond

geslagen paal, welken van tijd tot tijd verplaatst wordt.

Het Wieringer schapenras weegt niet tegen dat van Texel op. Zij zijn

kleiner van stuk, en hunne wol is altijd lager in prijs, dan van de

Texelsche schapen.--

De uitvoer van vee, vooral gedurende den winter, van gemeste runderen,

is nog al aanzienlijk, maar bovenal is de handel in schapen groot. De

jaarlijksche uitvoer bedraagt gemiddeld 200 runderen, 1,000 oude

schapen en 5,000 lammeren, terwijl in 1853 de uitvoer van schapenkaas

8150 N. lb en van schapenwol 16,898 N. lb bedroeg.--

De uitvoer van schapenkaas vermindert echter zeer, aangezien men

zich ook op Wieringen meer en meer begint toe te leggen op het

maken van de gewone Noord-Hollandsche kaas, dat vrij goed schijnt

te slagen.--Verschijnselen van longziekte zijn hier tot nog toe niet

waargenomen.--Eene andere, hoogst belangrijke tak van industrie voor

dit Eiland, is de wiermaaijerij [4].

Men maait de wier in de maanden Junij, Julij en Augustus, even

als het gewone gras, op de waarden, die met de ebbe op één voet of

een half voet na droog vallen. Men begint met half ebbe te maaijen,

en heeft dan hooge laarzen aan, die tot aan het midden des ligchaams

reiken. Het gemaaide wier wordt daarna in schuiten geladen, vervolgens

op wagens overgeladen zijnde, op het land uitgestrooid en vooral aan

den invloed der zon blootgesteld, waardoor voornamelijk de zoutdeelen

er uittrekken. Na verloop van ongeveer veertien dagen, brengt men het

gedroogde wier in sloten met zoet water, om gedurende een tiental dagen

te ververschen. Hierna wordt het opgehaald, en op het land gestrooid,

waarna men het uit elkander pluist, en, nadat het goed droog is, tot

balen van p. m. 100 kilo, zamenpakt, om naar Amsterdam, Rotterdam,

zelfs naar België en het noordelijke gedeelte van Frankrijk uitgevoerd

te worden.

Het losgeraakte, niet gemaaide wier, wordt opgevischt en veelal aan

den zeedijk van het Eiland gebruikt, waartoe het door zijne pakking

en blijvende veerkracht zeer geschikt is.

De gronden waarop de wiermaaijerij plaats heeft, zijn den eigendom

van den Staat en worden verpacht, terwijl de Eilanders vergunning

hebben wier te maaijen, op voorwaarde, dat zij de door hen gemaaide

hoeveelheid aan eene compagnieschap afstaan, die het in den handel

brengt. Wieringen heeft in dit opzigt veel te danken aan zijnen

Burgemeester, Mr. J. van Hengel, die door zijne bemoeijingen, dezen,

grootendeels vervallen, tak van industrie wist op te beuren.--Ongeveer

200 personen houden zich jaarlijksch met de wiermaaijerij bezig,

welker opbrengst gemiddeld op 18 à 19 duizend gulden 's jaars wordt

geraamd. Ten jare 1853 werden er 325,000 ponden, ad f 6 per 100 p.,

wier uitgevoerd.--

Het wier wordt, behalve aan de zeeweringen, gebezigd tot het dekken

van huizen, het vullen van matrassen, kussens en bedden, het stoppen

van lekken in schepen, als meststof, enz., en zoude welligt tot

meerdere einden, welligt ook ter vervaardiging van papier, aangewend

kunnen worden.--

Alhoewel men op Wieringen zich niet bepaald toelegt op eigenlijke

zeevisscherij, zoo beijveren de Eilanders zich toch op het vangen

van paling, waartoe zij, gedurende den zomer, een duizendtal fuiken,

en des winters, bij open water, den elger bezigen. Dit laatste behoeft

welligt voor enkele onzer lezers eenige nadere opheldering.--

Bij open winters gaan eenige personen in eene zeilschuit. Een hunner

is voorzien van een ijzeren werktuig, elger genaamd, dat aan eenen

langen stok bevestigd is, en bestaat uit eene soort van vork, met

veerkrachtige nijptanden. De visscher houdt dit werktuig onder het

zeilen zoodanig, dat de tanden door de slijk slepen, en de paling

daartusschen bekneld wordt. Op deze wijze kan de vangst soms zeer

aanzienlijk wezen. Een getal van 40 à 50 schuiten wordt tot deze

visscherij gebruikt.--De visscherij in de binnenwateren levert bijna

niets op.

Voor beminnaren van de jagt, biedt Wieringen een geschikte gelegenheid

aan. Het jagtveld levert hazen, snippen, lijsters, eenden, ganzen,

talingen, knobben, en, gedurende gestrenge winters, ook zwanen op.--Het

aantal eendekooijen, dat vroeger grooter was, bedraagt thans drie.

Het Eiland Wieringen en Zijne Bewoners · 第 19 / 44 题