Wieringen, het grootste der Zuiderzee-Eilanden, ligt door de in deze
eeuw plaats gehad hebbende indijking van de Anna Paulowna-polder,
thans slechts ongeveer een half uur van Noord-Holland's vasten wal
gescheiden. Althans de postschuit, heeft gemiddeld dien tijd noodig,
om, bij tamelijk gunstigen wind, de afstand van de Ewijcksluis tot
aan het Wierhoofd, aan den Westerlandschen zeedijk, over te zeilen.
Het voorkomen van Wieringen, vooral uit zee, van de zuidzijde gezien,
is met regt schilderachtig te noemen.--Het geheel doet zich zeer
aangenaam en eigenaardig voor. De heuvelachtige bodem, die zich
omstreeks Westerland het hoogst verheft, en schier overal een
groen tapijt vertoont, loopt naar het midden des Eilands, omstreeks
Hypolitushoef, op, en vertoont ons tal van overschoone groepen. Vele
der onderscheidene dorpen en gehuchten liggen bevallig in het geboomte
verscholen, waarboven zich hier en daar een torenspits, een molen of
bouwhoeve verheft. Voegt men hierbij de regelmatige, niet geheel van
stijfheid vrij te pleiten gebouwen der Quarantaine-inrigting, welke
op den zuidwestelijksten kant des Eilands gevonden worden, de menigte
van Wieringer vaartuigjes, welke men allerwege om en op de stranden
ontwaart, en eindelijk de Witte Wierdijken, welke dit geheel omgeven,
en die het voorkomen hebben, van kleine krijtbergruggen; dan zal men
ons gereedelijk willen toestemmen, dat een en ander aan dit Eiland
een eigenaardig, gansch niet onbevallig voorkomen geeft, te meer,
als men zijnen blik iets verder landwaarts inslaat, en dáárbij eene
gestadige afwisseling van hoogten en laagten, golvende graanakkers,
bloeijende aardappelvelden en veerijke weiden ontwaart.--
De strekking van dit Eiland is van het Zuid-westen naar het
Noord-oosten, in welke rigting het op eene gemiddelde breedte van
3/4 uur eene lengte van 3 uren heeft, terwijl de geheele omtrek 5
uur gaans bedraagt.
De geheele oppervlakte beslaat thans p. m. 2.452 bunders land, waarvan
1.980 bunders zoogenaamd oud land, en waarbij door weder indijking van
eenen uitgestrekten Waard, ten Zuiden van het Eiland, in 1846, ruim 470
bunders zijn gevoegd. De heuvelachtige en dus zeer ongelijke bodem des
Eilands ligt gemiddeld ruim 2 ellen boven volzee, terwijl de hoogste
deelen zich zelfs tot bijna 13 ellen boven vol-zee verheffen.--De
lage deelen liggen tusschen 0,6 en 1,2 el beneden vol-zee.
Deze lage landen, Koogen genaamd, staan meestal gedurende den winter
onder water, en hebben, met uitzondering van den Hypolitushoever-koog,
eene natuurlijke afwatering; laatstgenoemde koog wordt door eenen
schepradwatermolen van het overtollige water ontlast.
Daar Wieringen aan alle zijden voor den wind open ligt, bereikt het
geboomte geene aanzienlijke hoogte; terwijl het geweld der zee groote
verdedigingswerken langs de oevers vereischt. Het grootste gedeelte
der zeeweringen langs den noordelijken, en, gedeeltelijk ook van den
westelijken oever van het Eiland, wordt door het Rijk onderhouden, dat
daaraan jaarlijks gemiddeld f4000 besteedt, en bovendien voor nieuwe
werken p. m. f7000 's jaars. De zeeweringen aldaar, bestaan meest uit
dijkwerk, grootendeels met steenglooijing of kettingregel-paalwerk,
of wel met beide, gedekt, terwijl sommige tusschenliggende hoogere
deelen tot nog toe onverdedigd zijn.
Aan den zuidkant wordt het Eiland gedekt, deels door den dijk
van den polder Waard-Nieuwland, die grootendeels van eene kapitale
steenglooijing is voorzien en ten laste van dien polder ligt; deels uit
den ouden aarden dijk met eenen wierriem er voor, ten laste van het
Eiland, terwijl overigens door genoemde indijking een groot gedeelte
dier laatste zeewering Slaperdijk geworden is.--
De kosten door den polder Waard-Nieuwland sedert 1846 aan deszelfs
dijk gemaakt, beloopen reeds aanzienlijke sommen; de dijkskosten
voor het eiland zelf worden geraamd op c. f3000 's jaars, waaronder
echter nog polder-onkosten begrepen zijn. In het geheel bedroegen
de kosten der gewone werken van de zeeweringen in Wieringen in 1853,
de som van f19.374.--
Deze zeeweringen zijn zamengesteld als volgt:
Aan den dijk met voorgrond 1041 Ellen.
Aan den dijk met ketting-paalwerk 3818 Ellen.
Aan den dijk met paalwerken steenen glooijing 100 Ellen.
Aan den dijk met steenglooijing 281 Ellen.
Kettingregel-paalwerk met steenen glooijing 191 Ellen.
Kettingregel-paalwerk met steenen glooijing 328 Ellen.
Geschulpt paalwerk, met steenglooijing 890 Ellen.
Steenen glooijing 2117 Ellen.
Een steenen hoofd ter lengte van 100 Ellen.
Te zamen eene lengte van 8866 Ellen.
Behalve deze, zijn op vele plaatsen brikkistingen tegen de
kettingregel-paalwerken aangebragt. Deze zeeweringen liggen echter
niet aanéén; men heeft dáár op verschillende plaatsen eene lengte
van 2681 Ellen, welke onverdedigde, hooge gronden zijn.
De aan de oost-, zuid- en een gedeelte van de aan de westzijde
aanwezige zeeweringen, behooren onder de directie van het te Wieringen
gevestigde dijksbestuur der "Zuiderdijkagie". Na de indijking
van den polder Waard-Nieuwland, is een gedeelte dier zeewering,
geene eigenlijke zeewering meer, maar kan, zoo als wij reeds hebben
aangemerkt, als Slaperdijk beschouwd worden.--De zeeweringen onder
voornoemd dijksbestuur behoorende, hebben met elkander eene lengte
van ongeveer 7205 Ellen; hier tusschen ligt nog eene lengte van bijna
1000 Ellen onverdedigde gronden; (onder de lengte van 7205 Ellen is
voormeld gedeelte Slaperdijk niet begrepen.--)
Deze zeeweringen bestaan, gelijk wij zeiden, hoofdzakelijk in
eenen aarden dijk, welke aan de buitenzijde voorzien is van eenen
wierriem. De Westerlandsche zeedijk echter, is met eene zware
steenglooijing bezet, terwijl men er overigens een aantal wierhoofden
en eenige rekken paalwerk aan vindt.
Uit voorgaande gegevens, vindt men, voor den geheelen omtrek des
Eilands, dus 24.450 Ellen of bijna 5 uren gaans.
Wieringen's bodem is over het geheel vruchtbaar, doch de landbouw
laat hier over het geheel nog veel te wenschen overig. Het Eiland is
deels van alluviale, deels van diluviale formatie. De hoogste deelen
bestaan veelal uit zand, waarin vele gerolde steenen gevonden worden,
en zijn van eenen diluvialen oorsprong, terwijl de lagere deelen
daarentegen alluviaal zijn en ontstaan, deels door aanspoeling uit
de zee, deels in zoet water.