[1] Gaucho (spr. ga-oe-tsjo) herder.
[2] Gringo = Vreemdeling.
[3] Toldo = grashut.
[4] Estancia = veehouderij.
[5] Vaquero = koeherder.
[6] Toki = hoofdman.
[7] mustang = verwilderd paard.
[8] Een soort tunika van kettingen, die met riemen aan elkaar verbonden
zijn, óók een overrok van huiden met zilveren voorwerpen versierd,
destijds een zeldzaam kleedingstuk, later enkel gedragen door Tokis.
[9] Toovenaar en priester der Patagoniërs.
[10] Blanken van Spaansche afkomst.
[11] Mekyusch = de Patagonische (kleine) struis; Nandu die der La
Plata landen.
[12] Laboleofu = Rio Colorada.
[13] Aestuarium = trechtervormig verwijde riviermond.
[14] Napoleon.
[15] Pulperia = herberg, die tevens voor winkel dient.