AAN HET NAHUEL HUAPI MEER.

Miguel en zijn metgezellen waren, door Lotan en zijn manschappen

op een behoorlijken afstand gevolgd, in de richting van het meer

gereden. Bij het aanbreken van den dag hadden ze reeds een eindweegs

afgelegd, toen zij op de heuvelen voor hen de wachtposten der Molutches

ontdekten. Miguel hield halt en gaf een teeken, dat hij wenschte te

onderhandelen, waarop de wachten onmiddellijk verdwenen. De ruiters

reden verder en bereikten weldra een open ruimte, tot nu door een

kromming in den weg aan hun oog onttrokken, en waar een twintigtal

Molutches hun kamp hadden opgeslagen. De begroeting in den regel zeer

ceremoniëel, was ditmaal vlug afgeloopen, want Miguel trad, zonder

eenige plichtpleging regelrecht naar een bij het vuur zittenden Toki.

"Mijn broeder," zeide hij, zich van de taal der Molutches bedienend,

"mijn broeder moge mij zeggen waar wij den Opper-Toki van zijn volk

kunnen spreken."

"Lupan zal ter rechter tijd tegenwoordig zijn om ongenoode gasten

te verjagen."

"Mijn broeder vergist zich; wij zoeken den blanken vader, dien Lupan

aan "De Korte Hand" heeft ontnomen. Wij zullen den Toki een aantal

geschenken geven als hij den blanke met ons mede laat trekken."

"Mijn blanke broeder is wel bevreesd, dat hij zich door een bende

Penk laat vergezellen!" zeide de Indiaan lachend. "Of spreekt hij

met twee monden?"

"Geen van beide, Molutch. Gij hebt de Pehuenches beleedigd door hun

in hun eigen land de wet te willen stellen. Daarom ondersteunen zij

ons, Blanken."

"Dus zijn er nog meer Blanken?"

"Ahon. Ruil den blanken gevangene voor geschenken en de Penk trekken

met ons mede terug."

"En als wij weigeren?"

"Dan breng ik u strijd en doodslag."

"Het is goed. Willen de Penk en hun blanke Toki mij vergezellen? Malen

zal naar Lupan rijden."

Miguel knikte toestemmend.

"Wij komen als vrienden tot u en wenschen als vrienden behandeld

te worden."

"Ahon. Malen is Lupans zoon. Hij weet dat gij afgezanten zijt."

"Wil mijn broeder een gijzelaar geven?" vroeg de voorzichtige Huïl.

"Is mijn broeder bang?" luidde spottend de wedervraag.

"Ik denk mijn broeder het tegendeel te bewijzen. De woorden der

Molutches zijn echter niet altijd betrouwbaar."

"Komt mede," zeide Malen opspringend en zijn mes uittrekkend.

De Indianen wierpen zich in het zadel. Miguel ging eenige schreden

zijwaarts, zette den hoorn aan zijne lippen en blies een kort

signaal. Toen besteeg ook hij zijn paard en voorwaarts ging het,

door het dal.

Ned had op Carrils raad te Buenos Aïres een aantal trompetten

gekocht. De aanvoerders der Blanken, Pedro, Bob en een der manschappen,

die bleek een bekwaam trompetter te zijn, waren ieder van zoo'n

muziekinstrument voorzien. Kellipan en verscheidene Toki's hadden tot

hun groote vreugde er eveneens een ontvangen en zij bewezen genoeg

muzikaal gehoor en talent te bezitten om zich van dit militaire

hulpmiddel te kunnen bedienen.

De Molutches voorop, door Miguel en de Penk gevolgd, zóó zette de

stoet zich in beweging, 's Avonds werd er halt gehouden en werden

twee vuren ontstoken waar omheen elke stam, streng gescheiden, zich

schaarde. Op deze plaats richtte de Limay zich naar het Westen,

waar achter de tamelijk hoogde bergen, nog ettelijke dagen reizens

zuidwaarts het meer Nahuel Huapi lag.

Gedurende den geheelen dag was er geen woord tusschen de Penk en de

Molutches gewisseld, nu echter trad Malen nader en zeide:

"Mijn vader, de Opper-Toki van ons volk, vertoeft niet ver van

hier. Malen zendt hem een bode en Lupan zal beslissen, op welke plek

hij met de Pehuenches wil onderhandelen. Gelijk met de zon komt de

krijgsman weer."

"Het is goed," antwoordde Huïl.

Den volgenden avond zaten Miguel, Huïl, Lupan en Malen om een vuur, dat

op een uitstekende rotspunt in het Limay-dal onder een alleenstaanden

Araucaria was ontstoken. De romantische rotsgroep lag aan den zoom

van een dicht woud van trotsche Chileensche dennen, wier horizontaal

afstaande takken aan de einden naar boven gebogen, aan de omgeving

het ware karakter van een Andeslandschap gaven.

"En om die reden hebben de Pehuenches zich met hun doodsvijanden

verbonden?" vroeg Lupan.

"Om die reden," bevestigde Huïl.

"Begrijpt mijn broeder niet, dat mijn raad verstandig was? Geef den

Blanken een stuk land zoo groot als een guanacohuid en weldra nemen

zij zooveel als zij begeeren."

"Dat weet de Opper-Toki Kellipan. Maar hij weet ook dat de Molutches

liever dien grond zelf in bezit hadden genomen."

"Dan was de Roodhuid toch heerscher gebleven," beweerde Malen.

"En het had aanleiding gegeven tot een eeuwigdurenden strijd tusschen

de roode kinderen van den grooten Geest," zeide Miguel ernstig.

"Mijn broeder, de bombero, houde zijn tong in bedwang!" antwoordde

Lupan toornig. "Ook denke hij aan zijn eed bij den Gualichu-steen. Hoe

komt het, dat ik hem hier zie?"

"Hoe komt het dat Lupan me destijds niet met mijn zuster liet

vertrekken, ofschoon hij gezworen had mij en de mijnen te laten

weggaan?"

"Leugen!" riep de Opper-Toki, "leugen! De slavin was aan de Nahuel

Huapi geboren en niet de zuster van den "beul.""

"Lupan liegt heden of..... heeft aan den Heiligen Steen gelogen. Want

toen beweerde hij, dat de blanke slavin aan de andere zijde van den

sneeuwberg was geboren. Krijgslieden uit het dappere leger der Penk

weten, dat Amata mijn zuster was; de Molutch toont ook nu weer dat

de leugen hem niet vreemd is."

"Lupan herhaalt: de bombero houde zijn tong in bedwang."

"De Penk zijn niet de vrienden van alle blanke mannen geworden,"

mengde Huïl zich weer in 't gesprek. "De wijze vaders aan den grooten

stroom stellen geen eischen en doen goede daden. De broeders van

den blanken Toki, dien Lupan een bombero noemt, willen een blanke

bevrijden en zullen het gebied van den rooden man verlaten zoodra de

Molutches den gevangene de vrijheid hergeven. De Penk vragen tevens

Lupans belofte om zich nooit weer met hun aangelegenheden te bemoeien."

"De Penk durven in het land der Molutches komen en voorwaarden

stellen? Waarom zonden ze geen afgezanten? Hun geest zint op andere

dingen dan hun mond zegt," sprak de listige Lupan.

"Wat verlangen de Penk nog meer?" vroeg Malen spottend.

"Gijzelaars," luidde het antwoord. "Gijzelaars daarvoor, dat de

Molutches het land der blanke vaders niet zullen betreden."

"Mijn broeder bedenke, dat Lupan niet zonder hoofd is geboren. Onder

mijn haar zit een kleine vogel, die mij in het oor fluistert dat de

Penk den strijd begeeren."

"Mijn vader vergunt mij te spreken?" vroeg Malen.

"Mijn zoon is Toki."

"Al geven de Molutches gijzelaars, dan zullen de Pehuenches toch

niet naar hun toldo's aan de Limayleofu rijden. Zij zullen geschenken

verlangen en meer andere dingen."

"Zij vorderen ook den blanken gevangene terug, die door Lupan aan

"De Korte Hand" ontroofd is," verzekerde Huïl.

"Hij ontvluchtte ons, wij hebben hem nooit weer gezien," luidde

Lupans antwoord.

"Lupan is nooit oprecht geweest," zeide Miguel toornig. "Hij weet

zeer goed, dat alleen de slaaf van den gevangene ontsnapt is. De

vluchteling kwam over het groote water tot ons," vervolgde Miguel,

handig gebruik makend van Charles vlucht. "Hij vertelde ons alles,

óók dat Lupan loog toen hij beweerde, dat de blanke slavin niet mijn

zuster was, mijn zuster, die hij ondanks zijn eed niet toestond met

mij mede te gaan."

"Indien Malen gelooven zal, dat de slaaf over de groote wateren is

gekomen, zoo moge de bombero zijn uitzicht schilderen."

"Om de Molutches in staat te stellen te beweren, dat zij nimmer zulk

een gevangene gehad hebben?" spotte Miguel. "Er is al genoeg gelogen."

"Huïl vraagt of Lupan de voorwaarden der Pehuenches vervullen wil en

of de blanke gevangene zijn vrijheid bekomen zal?"

"Mijn roode broeder heeft "vuurwater" gedronken. Wij hebben niet één

blanken gevangene."

"De Penk gelooven de Molutches niet. Lupan en zijn krijgsvolk blijven

hier en hij geve Huïl verlof het dorp aan het Nahuel Huapi-meer te

doorzoeken en den blanken gevangene mede te nemen."

"Genoeg!" schreeuwde Lupan. "Er zal strijd zijn tusschen ons! Wee

de Penk."

Malen rees op en sloop weg.

"Lupan wil dus den strijd?"

"De strijd is begonnen en de bombero in handen gevallen van Lupan. Hij

heeft zijn eed gebroken."

"Lupan was ontrouw aan zijn woord. De eed verloor zijn kracht en de

strijd besliste ten nadeele van Lupan."

"Destijds was Lupan de prooi der blanke honden, nu is de bombero de

zijne. Huïl werpe een blik om zich heen."

De zoom van het woud was door een zoo groot aantal krijgslieden

afgezet, dat er van weerstand bieden geen sprake was. Onder Malens

leiding hadden de vijanden hen snel omsingeld.

"Huïl en zijn krijgslieden mogen naar hun toldo rijden. Keert hij

weer dan kost het hem zijn leven," zeide Lupan.

"Huïl zal gaan, maar niet zonder den blanken Toki," kwam het met

ernst en nadruk over de lippen van den Pehuench.

"De bombero blijft hier. Wil mijn roode broeder met hem sterven,

zoo blijve ook hij."

Miguel ontdeed zich van zijn hoorn, zijn pistolen en zijn zwaard en

gaf ze aan Huïl, wien hij snel eenige woorden influisterde.

"Huïl en zijn krijgslieden zullen vertrekken," verklaarde de Toki

der Penk.

Carril werd gebonden. De Pehuenches bestegen hun paarden en verlieten

de plaats der samenkomst. Hun pad voerde een eindweegs over den berg

en liep vervolgens zacht hellend in een ravijn, dat eindigde in een

dal. Vijf Pehuenches gleden stil uit den zadel; de goed gedresseerde

dieren draafden zonder ophouden met de anderen mede. Aan den uitgang

van het kleine dal wachtte Lotan met zijn tien manschappen. Eenige

snel gefluisterde woorden en nog vijftien man stonden op den grond. Één

ruiter reed langzaam verder, gevolgd door al de paarden. Onder leiding

van Huïl bevond zich een twintigtal strijders in den hollen weg.

Een kwartier kon verstreken zijn toen eenige Molutches met snelle

schreden den berg afdaalden om, zooals Miguel had voorzien, de Penk te

vervolgen. Nauwelijks waren ze in den hollen weg verdwenen of eenige

Pehuenches zaten hen op de hielen. Toen..... een rauwe kreet,..... een

gehuil van woede..... een kortstondig rumoer in de diepe duisternis

van het ravijn..... dan doodsche stilte als te voren. Twee gedaanten

stormden den berg opwaarts, doch nauwelijks hadden zij den top bereikt

of ze vielen neer..... getroffen door een bolas, die een onzichtbare

hand hen naar het hoofd had geslingerd.

Op hetzelfde oogenblik verschenen de Penk met drie geboeide

gevangenen. Lotan spoorde tot spoed aan; daar in het kamp der Molutches

stemmen hoorbaar werden. Snel bestegen ze de gereedstaande paarden,

namen de gevangenen voor zich op hun klepper en voort ging het,

in vliegende vaart. Huïl met vijf man vormden de achterhoede.

De strijd was begonnen.

Kellipan had zijn leger op vijfhonderd man weten te brengen en naar

zijn berekening zouden er wel acht dagen verloopen, eer Lupan in staat

was over een even groote macht te beschikken. Vlug handelen was dus

plicht, te meer daar Miguels leven op het spel stond. Werd hij niet

spoedig uit zijn gevangenschap verlost, dan viel hij mogelijk ten

offer aan Lupans wraakzucht. Ten gevolge dier overwegingen rukte het

leger snel voorwaarts en op een goeden morgen zagen de bondgenooten

den glanzenden waterspiegel van het Nahuel Huapi meer.

De steil afdalende, dichtbegroeide helling van de Andes vormt

den westelijken oever van dit meer, terwijl de oostelijke door een

parallelketen van het hoofdgebergte wordt begrensd; de afstand dezer

oevers bedraagt wel vijftig kilometer. Ook ten Zuiden verheffen zich

bergen; en in het Noorden ontwaart men een ondoordringbaar woud van

donkere Araucaria's, waartusschen het heldere groen van Algarrobes

en Ombu's lichtere plekken vormt en waarvan de bodem met een dichte

vegetatie van allerlei minder hoog opschietende planten is bedekt. De

geheele watervlakte bestaat uit vier groote baaien, die, ongeveer

in de richting der hoofdwindstreken, als 't ware een kruis vormen,

waarvan de oostelijke arm door een kleine landtong in tweeën is

verdeeld. Het gebergte wijkt hier eenigszins terug en er ontstaat

een kleine vlakte, die aan het einde door met bosch bedekte hoogten

wordt afgesloten. Hier lag op de zacht glooiende helling Lupans dorp.

Daar hoopte Ned zijn vader weer te zien. Hij en zijn metgezellen

waren de eerste Blanken, die vrijwillig en met het wapen in de hand

den oever betraden. De Pehuenches hadden de Molutches steeds voor

zich uit gedreven en stuitten nu op een grootere krijgsmacht hunner

vijanden, die door Lupan in allerijl was bijeengeroepen.

Het was op den avond van Carrils komst in het dorp. De hoop Neds vader

te zien en hem met een teeken te kunnen beduiden, dat zijne vrienden

pogingen in het werk stelden om hem te verlossen, had Miguel zoo

snel doen besluiten zich aan de genade van Lupan over te geven. Deze

wenschte niets liever dan de zoo zeer gehate bombero onder duizende

martelingen te doen sterven. "Wie zou ooit in het kamp der Pehuenches

te weten komen, wat den gevangene was weervaren?" dacht Lupan. "Zij

zouden hem nog in het land der levenden wanen, als hij reeds lang ten

doode toe gefolterd den laatsten ademtocht had uitgeblazen. En Malen,

bij het gevecht in het ravijn gevangengenomen, zou hij bevrijden,

zoodra het leger der vijanden verslagen was."

De Pehuenches echter naderden zoo snel, dat Lupan door gewichtiger

dingen dan het koelen van zijn wraak werd bezig gehouden. Hij besloot

het uit te stellen tot het groote overwinningsfeest, dat hij binnen

eenige dagen hoopte te vieren.

Miguel werd in een tamelijk groote toldo gebracht en streng

bewaakt. Zoodra het leger der Penk in aantocht was, kreeg hij

gezelschap. De Molutches hadden hun blanke slaven, uit vrees dat zij

tijdens het gevecht zouden ontsnappen, geboeid en bij den blanken Toki

opgesloten. De tien lotgenooten, die zoo onverwacht Miguels kerker

deelden, waren hem geheel onbekend. Een zware borstelige baard bedekte

hun het gelaat en het lange hoofdhaar viel ver over de schouders.

"Carratscho," zeide een nog jonge man "Carratscho, de boeien drukken."

"Gij zijt nog beter af dan die caballero," beweerde een ander, met

een hoofdbeweging Miguel aanduidend.

"Geen nood, Señor," antwoordde deze. "Gij denkt dat Lupan me vermoorden

zal! Wij zullen zien."

"Dat zal toch het einde zijn! Het gansche dorp weet het."

"Sterven is het ergste niet," zeide een oude man, wiens uitspraak van

het Spaansch verried, dat het zijne moedertaal niet was. "De wreedste

martelingen eindigen toch binnen eenige uren en de dood verlost u

uit uw lijden. Wie tien jaar lang de slaaf van deze barbaren was,

heeft een tienjarige foltering doorleefd, te pijnlijker naar mate

hij in de oude wereld tot aanzienlijke kringen behoorde."

"Caballeros, ik breng u een goede tijding. Het leger der Penk,

dat misschien heden reeds de Molutches aanvalt, is vier honderd man

sterk. Hebben de verwachte troepen zich tijdig genoeg aangesloten,

dan klimt het aantal tot vijf honderd."

"De Molutches weten niet dat hun vijanden zoo talrijk zijn," beweerde

een der slaven. "Zij beschikken maar over een driehonderd man en de

meesten zijn gewapend met oude, vierkante knodsen en slechte lasso's

van slingerplanten gevlochten."

"Bij de troepen der Penk zijn dertig Blanken, gewapend tot aan de

tanden," vervolgde Miguel.

"Blanken..... Gewapende Blanken..... Onmogelijk," riepen allen

door elkaar.

"Slaven of bondgenooten?" vroeg de oude man.

"Bondgenooten. Het is een dapper clubje op militaire wijze ingericht;

zij hebben een korporaal, een sergeant, twee luitenants, een adjudant

en artillerie."

"Roovers uit de pampa's?"

"Denk je collega's te ontmoeten?" spotte een ander...... "Gij moet

weten, Señor, dat wij met ons zessen vroeger pampa-roovers waren."

"Blijkbaar telt ge ons niet mede," klonk een stem uit den anderen

hoek der toldo. "Mijn vriend en ik waren bomberos en zijn het offer

geworden van ons beroep."

"Dat is beter dan kameraad te zijn van "de Korte Hand"."

"Waart gij makkers van "De Korte Hand"," vroeg Miguel.

"Alle zes. Wij zagen hem onder Lupans bolas neerzinken en werden zelf

met den lasso gevangen."

"Dan zijt gij destijds met acht gevangenen geweest."

"Zeker, maar hoe weet gij dat?"

"Van den ontbrekenden achtsten."

"Van den blonden Carlos," riep levendig de oude.

"Van den blonden Carlos. Het noodlot heeft hem achterhaald. Hij stierf

te Plymouth op weg naar Londen."

"Mijn God, mijn God," kermde de oude. "Weet gij ook wie de zevende

was?"

"Een zekere Lord Westfield, dien wij voor dood hielden."

"Natuurlijk! Men moest mij wel voor dood houden."

"U!" riep Miguel verbaasd. "Gij zijt Lord Westfield! Hoe is het

mogelijk..... ja... ja... het gezicht.., de oogen... maar die tien

lijdensjaren hebben u zeer veranderd, Mylord."

"Dat geloof ik gaarne! Hebt gij mij vroeger gekend?"

"De wederwaardigheden des levens drukten hun stempel op het gelaat"

zeide Miguel. "Had ik voor mijn gevangenneming mijn wapens niet aan

den Toki der Penk overhandigd, dan zou ik u een paar pistolen laten

zien, die gij mij jaren geleden te Buenos Aïres ten geschenke gaaft."

"Miguel Carril! Hoe jammer dat ik u niet de hand kan

drukken!.... Miguel Carril!.... Wie had dat ooit gedacht!"

"Zijt gij een dier vier beroemde Carrils, die "De Korte Hand" zoo

aanhoudend op de vingers tikten?" vroeg een der pamparoovers.

"Ja. Ik ben Miguel Carril."

"Nu begrijp ik Lupans haat tegen u," zeide Lord Westfield. "Denk aan

den Heiligen Steen."

"En de Molutch was u, mylord, ook geen vriendelijk meester. Lupan

heeft zeker dien bewusten nacht aan den Gualichu-steen niet vergeten?"

"Neen, geen oogenblik," zuchtte de oude man. "Maar Don Miguel, zeg

me voor alles wat ter wereld u hierheen voert?"

"Ik ben de aanvoerder der Blanken in het leger der Pehuenches. In

het dal aan de Limayleofu hadden wij een samenkomst met Lupan. Hij

herkende mij onmiddellijk, Mylord...."

"Haat geeft scherpe oogen en een goed geheugen."

"Lupan beweerde, dat ik mijn eed had gebroken en gij weet zelf,

Mylord, hoe gewelddadig hij zich destijds verzette tegen het vertrek

van mijn zuster."

"Ik weet het. En wat heeft mijn hond toen dapper meegevochten."

"De Molutch bleek nog even weinig betrouwbaar als vroeger. Hij zou

ons allen, afgezanten, gevangen genomen hebben, indien ik me niet

voor het gemeenschappelijk doel had opgeofferd. Trouwens er was

geen keus. Ook hoopte ik op die wijze de gevangenneming van de mij

vergezellende krijgslieden te voorkomen en hen in de gelegenheid te

stellen, Malen te vatten, die even trouwloos als zijn vader..."

"Het is hun gelukt," viel een jonge slaaf hem in de rede.

"Bravo! Vervolgens leek het mij de beste manier om, indien gij,

Mylord, nog in leven waart, u te ontmoeten en u te vertellen dat

wij in Europa--neen, niet in Europa, laat ik voorzichtig zijn en

geen onwaarheid spreken--dat wij in Azië en langs allerlei omwegen

de berichten vernamen welke de blonde Carlos naar uw familie had

moeten brengen, en nu hierheen zijn gekomen om u te bevrijden. U,

caballeros, ook; wij wisten niet, dat ook gij in Lupans macht waart."

"Mijn God!... mijn God!... Waar zijn onze bevrijders echter?"

"Bij het leger der Pehuenches, die met ongeveer vijf honderd man te

velde zijn getrokken; voorts de Blanken uit Carmen de Patagones met

hun korporaal en den sergeant Pedro, uw voormaligen bediende."

"Pedro! Hij, die mij in handen der roovers wilde spelen?"

"Ja, hij, de vroegere kameraad van deze caballeros. Dan behoort nog

tot onze expeditie mijn vriend Ballière, kapitein bij de Fransche

marine; Don Cornelio de Alevira, de broeder van "De Korte Hand"....."

"De broeder van "De Korte Hand"?" vroegen twijfelend de voormalige

pamparoovers.

"Ja. Zoodra Don Cornelio vernam dat zijn broeder schuldig was aan uw

vreeselijk lijden, Mylord, drong hij er sterk op aan tot uw ontzet

te mogen meewerken."

"Ook een roover?"

"O neen! Dan hebben wij nog twee zeeofficieren, Tom Hunter

en..... Lord..... Edward..... Westfield uit Londen."

"Edward Westfield!..... Mijn God..... zeg mij......"

"Uw zoon, Mylord."

"Waar hebt gij allen elkaar leeren kennen? Hoe is dat alles in zijn

werk gegaan?"

"Het is een lange geschiedenis, Mylord, die ik u echter gaarne met

eenige woorden mededeel."

"Hoe gaat het met mijn familie? Hoe met Edward?"

"Uw echtgenoote en dochter wonen te Cowford en genoten een

goede gezondheid toen uw zoon ongeveer negen maanden geleden

vertrok. Mijnheer de luitenant, een mijner beste vrienden, brandt

van ongeduld om met de Molutches slaags te raken en sedert een maand

ontving uw familie bericht, dat gij nog in leven zijt en alles gedaan

zal worden om u uit de macht dezer barbaren te redden."

"Weten zij het nog maar zoo kort?"

"Uit Kaapstad zonden wij hen de gelukkige tijding. Maar daarover

later. Nu moeten wij in de eerste plaats overleggen op welke wijze

wij onze vrienden in de hand kunnen werken."

"Denkt gij, Señor, dat men u nog lang in het leven zal laten?" vroeg

spottend een der bomberos.

"Heden avond hebben ze mij nog niet vermoord en morgen zal hen de

tijd er toe ontbreken."

"Maar wat zullen wij intusschen doen?"

Het leger der Penk rukte bij zijn aankomst aan het Nahuel Huapi meer

zoo ver voort, dat de noorderhelft van de oostelijke baai achter

hen lag. Voor hen strekte zich de vlakte uit, rechts door het water,

links door onbeklimbare rotswanden begrensd. Een dal, dat naar den

linkerkant een uitweg vormde, was maar zwak bezet geweest, omdat

zij den vijand niet zoo gauw hadden verwacht, en dus door dezen

spoedig genomen. Wel was er in de ontoegankelijke berghelling aan

den oostkant nog een kleine kloof, doch door deze kon men de hoogte

niet bereiken. Dus bleef de Molutches slechts de zuidelijke weg, van

het dorp naar de Andesketen, over, als het hun niet gelukte door de

stelling der Penk heen te breken.

De Indianen uit Patagonië attaqueeren niet, zooals hun

Noord-Amerikaansche rasgenooten, den vijand in zwermen en troepen,

maar gaan in gesloten gelederen over tot den aanval. De Molutches

hadden van hun blanke slaven menige vingerwijzing ontvangen in de

kunst van oorlogvoeren; daartegenover bevonden zich in het leger der

Penk geoefende blanke krijgslieden en zeer bekwame bevelhebbers.

De Pehuenches hadden tegen den middag de vlakte bereikt en beschikten

trots verscheidene, bloedige botsingen tusschen de voorposten, nog

over vijfhonderd man. De aanstonds bij elkaar geroepen krijgsraad

besloot den aanval tot den volgenden morgen uit te stellen, daar de

mogelijkheid bestond dat nog een menigte Molutches in aantocht was, die

zich ten nadeele der bondgenooten in het gevecht konden mengen. Huïl

trok met vijftig man op verkenning uit en schoof zijn wachten zoo ver

mogelijk naar voren. De Molutches, die dicht bij Lupans dorp legerden,

hielden zich rustig in afwachting van de dingen, die komen zouden. Niet

begrijpend om welke reden de vijand niet zijn krijgsgeschreeuw liet

hooren, vermoedden zij een krijgslist en stonden strijdvaardig,

onverschillig op welk oogenblik de slag zou beginnen.

Tom, Ned, Ballière en de sergeant Pedro waren na afloop van den

krijgsraad naar het strand gereden. De landtong, in de oostelijke

bocht, prijkte met zwaar geboomte en naar deze plaats richtten onze

vrienden hunne schreden. Ned klom in een dicht bij het water staande

Algarrobe, vanwaar hij den geheelen omtrek kon overzien. Hij zag

de vlakte, den inham in de rots, welke niet naar boven voerde maar

eenige mijlen verder doodliep, en den weg die over den berg naar het

dorp leidde. Booten of schuiten waren nergens te bespeuren, blijkbaar

waren de Patagoniërs niet met de scheepvaart bekend. Een plan kwam

plotseling in Neds brein op en snel liet hij zich op den grond glijden.

"Kapitein Ballière, wij zeelieden komen hier, zoo het schijnt, niet tot

ons recht. De Pehuenches zijn zoo talrijk, dat zij ginds op de vlakte

het wel alleen met de Molutches zullen klaar spelen. Reeds lang kwelt

me de vrees, dat Lupan, ingeval de strijd een ongunstige wending voor

hem neemt, zijn blanke gevangenen dooden zal, en dat nù mijn vader nog

leeft is bij mij aan geen twijfel onderhevig. Reeds bij den aanvang

van den strijd moesten wij den armen gevangenen hulp zenden."

"Over het water, niet waar?" vroeg de kapitein.

"Ja. We moeten onze blanke krijgslieden ongemerkt in het dorp

brengen. Over de bergen zou te veel tijd kosten, dus blijft ons

niets dan de waterweg. Maar nergens is zelfs een spoor van een boot

te vinden."

"Dan bouwen we een vlot," meende Tom.

"Wij hebben dertig handige kerels," voer Ned voort, "en kunnen aan

gindsche zijde van de landtong twee vlotten bouwen en vannacht,

zonder dat de dorpsbewoners het bemerken, in het Westen landen."

"Een goede gedachte."

"Zoodra morgen de strijd begonnen is, naderen wij behoedzaam, bevrijden

onze beide gevangenen en geven hun de noodige wapens. Mocht deze

poging mislukken, dan dienen de vrouwen tot gijzelaars."

"De vlotten kunnen vóór de schemering gereed zijn," zeide Ballière.

"De oevers en de in zee vooruitstekende rotsblokken zijn zoo steil

dat wij lasso's zullen noodig hebben om aan wal te kunnen komen. Ook

zou ik gaarne onze twee kanonnen medenemen, om de Molutches als zij

ons aanvallen, behoorlijk te kunnen ontvangen."

"Bravo!" riep Pedro.

"Het was een prachtig idee van u, luitenant Hunter, om die stukken

geschut te Buenos Aïres te koopen."

"Ze hebben destijds in de bergen van Tucuman de Spanjaarden veel

nadeel berokkend," zeide Tom. "Mij dacht, ze konden ook ons van veel

nut zijn."

"All right. Wees zoo goed, mijn vrienden, aan het bouwen der vlotten

te laten beginnen. Ik ga naar Kellipan."

Zoo gezegd, zoo gedaan. De vrienden spoedden zich naar het kamp terug

en weldra klonk het hoornsignaal, dat de Blanken tot den arbeid en

de Toki's tot een samenkomst riep. Ned zette zijn plannen uiteen,

beschreef op welke wijze hij den vijand in den rug wilde aanvallen,

en gaf nog menigen wenk hoe men hem met het meeste voordeel in het

front kon aangrijpen.

Tegen zonsondergang waren de vlotten gereed; de kanonnen

werden opgeladen en bij sterrenlicht werd de overtocht gelukkig

volbracht. Zooals Ned voorzien had, moesten zij met behulp der lasso's

aan wal komen; de oever was buitengewoon steil en het woud strekte

zich uit tot aan den waterspiegel. De kanonnen werden voorloopig

onder bewaking achtergelaten en het stoutmoedige troepje sloop voort

tot in de onmiddellijke nabijheid van het dorp.

Pijnlijke en droeve gevoelens bestormden Neds hart. Weinige schreden

scheidden hem van het dorp dat zijn vader gedurende tien jaar tot

verblijfplaats en mogelijk wel tot kerker had gediend.

Hoe zou het hem, die wel is waar gehard tegen vermoeienissen en

ontberingen toch gewend was aan de genietingen der beschaving,

in al die lijdensdagen gegaan zijn? In welken toestand zou hij

hem weervinden? Hij stelde zich zijn vader voor, krachtig en vol

energie, zooals hij hem naar Amerika had zien vertrekken en nu.... met

gebogen gestalte en vergrijsde haren, als een gebroken man zou hij

hem mogelijk weerzien...

De oude Lord Westfield liet zich terzelfder tijd de lotgevallen van

zijn bloedverwanten in Engeland, den levensloop van zijn zoon Edward

en de wederwaardigheden, der Carrils, door Miguel vertellen. Toen nam

hij het woord en schilderde zijn gevangenschap, zijn ontzettend lijden.

"Lupan heeft zijn nederlaag bij den Gualichu-steen op mij gewroken. Hij

liet me bovenmatig werken en hongerlijden; uren, urenlang hard loopen

terwijl mijn kwelgeesten te paard reden. Zelfs mijn haren en mijn

uitwerpselen hebben ze gebruikt om mij leed te doen en ziek te maken."

"Hoe dat?"

"Well.... De Indianen meenen, dat, wanneer zij de haren van een mensch

uittrekken, aan een tak binden en dezen slaan en rukken en knijpen,

de mensch die mishandelingen voelt als onderging hij ze zelf. Hun

woudgeest Trauco, dien zij zich in een bladerdosch gehuld voorstellen

en wien zij de macht toekennen boomen te ontwortelen, menschen den

hals om te draaien, kinderen den nek te breken en wat al niet meer,

hebben ze gesmeekt mij te pijnigen. Hun Matschi heeft zelfs de vier

winden, "de zielen des hemels" aangeroepen om mij dood te martelen!"

"Welk een diepen haat."

"Ja, ze zijn zonder erbarmen. De geringste diefstal wordt met den

dood geboet," verzekerde een der bomberos.

"Hoort! Een hoorn signaal."

"Het sein tot aanvallen! De ontknooping nadert," zeide Miguel. "Ik

hoor echter het signaal der Blanken niet! Wat zou dat beduiden?"

"Hoort gij het loopen en draven der dorpsbewoners?"

"Onze wachters zullen wel gewichtiger dingen te doen hebben dan ons

te bewaken," beweerde een der slaven.

"Dat denk ik ook..... Nu..... Mijn boeien zijn verbroken," sprak

Miguel.

"Carrambo! Hoe hebt gij dat gedaan gekregen?"

"Dat komt er niet op aan. Ik zal ook de uwe los maken maar blijf in uw

zittende houding, opdat wij niet te vroeg ontdekt worden. Waar zijn de

wapens," vervolgde Miguel nadat hij allen van hunne banden had bevrijd.

"In Lupans toldo liggen geweren!"

"Die kunnen wij niet gebruiken want er ligt geen kruid."

"Ook zijn er bola's, messen en lansen."

"Hoort--Welk een rumoer!... Weer signalen... De strijd is begonnen."

Woest getier, geweervuur en hoornsignalen weerklonken. De vrouwen en

kinderen waren de plek waar de strijd plaats had, dicht genaderd en

hieven telkens een wild gehuil aan. De bewakers der gevangenen tot

het einde van het dorp geslopen, volgden in spanning den loop van

het gevecht.

Miguel stak voorzichtig zijn hoofd buiten de hut maar trok het dadelijk

weer terug.

"Caballeros, mijn blanke manschappen zijn hier. Weest voorzichtig."

"Wat! De Blanken! Zij kunnen onmogelijk langs de bergen gekomen zijn."

"Dan over het water... Blijft rustig hier... ik sluip naar

buiten..." zeide Miguel.

Eenige minuten later kwam hij terug.

"Komt," klonk het. "Eén voor één... opgepast. Waar liggen de wapens?"

Zoodra de gevangenen hun hut hadden verlaten, zagen ze de blanke

krijgslieden, die achter een groote tent van guanacovellen verborgen,

hen toeknikten.

Behoedzaam slopen ze naar Lupans toldo waar een menigte geweren lag,

die gebruikt konden worden omdat Neds strijders voldoenden voorraad

van kruid en kogels bezaten.

"Ik reken er op, caballeros, dat gij u bij ons aansluit," zeide Miguel,

toen allen zich hadden gewapend.

"Ja... natuurlijk... Wees gij onzen aanvoerder," riepen ze door elkaar.

"Waar is mijn zoon, Señor?" vroeg Lord Westfield met een van ontroering

trillende stem.

"Ik zie hem niet... wacht... daar is hij!... Hij komt uit het

bosch... Mylord, ga hem tegemoet... maar wat ik u bidden mag, wees

voorzichtig."

Lupans woonplaats lag op een klein nagenoeg vlak plateau. In het

Zuiden stegen loodrechte rotsmassa's op, terwijl steile wanden in

het Noorden tot aan den waterspiegel afdaalden. Aan de Westzijde lag

het ondoordringbare woud en aan den Oostkant bevond zich de eenige

toegang tot het dorp. Aan de zijden van het meer, het woud en de vlakte

vormden geweldige rotsblokken een wal, die slechts op enkele punten

naar den boschkant, en naar het Oosten op ééne plaats--den toegang--was

afgebroken. Het dorp was dus een prachtige, natuurlijke vesting.

Miguel zond de bevrijde gevangenen, die met de plaatselijke gesteldheid

volkomen bekend waren, onder leiding van een der bombero's naar

den uitgang van het dorp. Behoedzaam voortsluipend, het geluid

hunner voetstappen overstemd door het krijgsgeschreeuw, naderden zij

ongemerkt de hun aangewezen plaats. Nauwelijks hadden ze die bereikt

of het aanvalsignaal werd geblazen. De enkele Molutches, die op de

rotsen het schouwspel van den strijd genoten, snelden terug naar de

hutten, die aan hun zorg waren toevertrouwd, voor zij er echter waren

maakten eenige welgerichte geweerschoten een eind aan hun leven en de

bombero met zijn manschappen bezette den uitgang. Jammerend kwamen

de vrouwen aangeloopen, de kinderen schreeuwden luidkeels; het was

een onbeschrijfelijk rumoer. Intusschen waren de beide kanonnen,

door Ballière gemonteerd, op het plateau opgesteld. Miguel gaf order

de vrouwen en kinderen te binden en ze te bewaken.

Het weerzien der beide Westfields was zeer aangrijpend

geweest. "Father, dear Father?"--"Edward, my son!" en vader en zoon

lagen in elkaars armen.

De oude man was, trots Neds tegenstand, niet te bewegen af te zien

van het plan om aan den strijd deel te nemen.

"Wij hebben absoluut niets te vreezen," hield hij vol. "Het dorp,

door onze wapenen verdedigd, is niet in te nemen. Zie, daar liggen

de lijken van de enkele Molutches, die hier gebleven waren. Maar wie

kwam op de gedachte geschut mede te nemen?"

"Mijn vriend, Tom Hunter."

Luide jubelkreten drongen van het slagveld tot hen door.

"Wat is dat?" vroeg Ned.

"De triomfkreet der Molutches," antwoordde de Lord.

"Ballière," riep Ned, bezorgd over den uitslag, "los een kanonschot,

ten bewijze dat wij het dorp hebben genomen."

Vervolgens liet hij wollen dekens aan lange lansen bevestigen en op de

wallen van deze door de natuur gevormde vesting planten, terwijl het

gedonder van het geschut wijd en zijd de echo der bergen wakker riep.

Bij het aanbreken van den dag hadden de Pehuenches zich in slagorde

gesteld. De Patagonische Indianen weten, ondanks hun gewoonte om te

voet te strijden, zeer handig met hun lange lansen te manoeuvreeren. De

Molutches hadden van de pamparoovers een methode van vechten geleerd,

ongeveer gelijk aan die welke ten tijde der reformatie in zwang was en

"Egel" genoemd werd. De methode bestond daarin, dat de krijgslieden

met hun meer dan zes meter lange speeren zich opeen hoopten en als

het ware een opgevulden cirkel maakten; de buitenste rijen knielden

en strekten de lansen, ter halver manslengte omhoog geheven en de

punt naar beneden gehouden, voor zich uit; de overige bleven staan

en zoo vormden ze te samen een geheel van blinkend staal waartegen

bola's en lasso weinig vermochten. Met het meeste succes hadden de

Molutches herhaaldelijk deze methode toegepast. Kellipan had zijn

bondgenooten daarover gesproken en er waren maatregelen beraamd om

die wijze van strijden te verhinderen. De Opper-Toki, een dapper

krijgsman, bevond zich gaarne in het hevigste krijgsgewoel, Miguel

en Tom hadden hem echter aan het verstand gebracht, dat zijn plaats

als opperbevelhebber achter het front was. Hij hield zich ditmaal

stipt aan het plan in den krijgsraad ontworpen en daardoor ontbrak

het den Molutches aan tijd zich als "Egel" op te stellen. Kellipans

strijders moesten--tegen hun gewoonte--te paard voortgaan. Dicht

bij den vijand sprongen ze uit den zadel en snel rijen vormend,

stormden ze op de Molutches in, terwijl hun paarden door anderen

werden weggevoerd. De Molutches waren bij het eerste sein tot den

aanval--het signaal der Pehuenches--naar het smalle deel der vlakte,

het door vroegere oorlogen bekende slagveld geijld en hadden, omdat

hun de gelegenheid ontbrak de nieuwe methode in praktijk te brengen,

zich over de geheele breedte moeten verdeelen. Deze linie door te

breken was de bedoeling der Penk.

Lang bleef het pleit onbeslist. De tegenstanders waren aan elkaar

gewaagd wat betrof moed, bedrevenheid, kracht en volharding. Kellipan

zag geen voortgang in den strijd; ook van de Blanken kwam geen enkel

teeken dat zij voordeel hadden behaald, Cornelio, die met Lotan nevens

den Opper-Toki reed, maande te vergeefs tot geduld.

"Lotan moge den Penk de overwinning brengen," zeide Kellipan, wiens

geduld ten einde was.

Lotan, de oogen schitterend van vreugde, reed voor het front en

blies een kort signaal; de manschappen die in het midden der rijen

streden, vloden naar links en rechts. Op hetzelfde oogenblik rende

een vijftigtal Pehuenches met gevelde lansen op het centrum toe. De

Molutches waren tegen dezen aandrang niet bestand en de Pehuenches

braken door de gelederen hunner tegenstanders, omver rijdend wie

geen kans tot vluchten zag; maar vóór het voetvolk hen volgen kon,

hadden de vijandelijke rijen zich weer gesloten. De aanval was wel

niet afgeslagen doch ook niet gelukt en het plan nogmaals door te

breken kon niet uitgevoerd worden, omdat de ruiters gevaar liepen met

den vijand hun eigen stamgenooten neer te vellen. Lotan voerde zijn

manschappen een eindweegs terug. Aan den voet van den berg stonden de

paarden der Molutches; nauwelijks had Lotan ze gezien of hij gelastte

de dieren in de kloof te brengen, wat ongestoord geschiedde omdat de

vijanden alle krachten moesten inspannen om hun tegenpartij, in wier

rijen nu ook Don Cornelio en Kellipan streden, af te weren.

De dapperheid der Pehuenches en hun aanvoerders was te vergeefs;

niet alleen dat de vijand niet week, maar op enkele plaatsen won hij

veld en zijn zegekreten werden op den adem der wind heinde en ver

voort gedragen.

Daar klonk het kanonschot, en de kreet: "de Blanken hebben het

dorp bezet", ging als een loopend vuurtje door de gelederen der

Molutches. Schrik en ontzetting deed hen een oogenblik aarzelen en

nu hieven op hun beurt de Penk een woest gejubel aan.

"De Pehuenches hebben onze paarden," deze jobstijding doofde aller

moed. De mannen sloegen op de vlucht, doch Lupan wist ze tot staan te

brengen en te verzamelen om het dorp te bestormen. De wallen waren door

blanke krijgslieden bezet. Ondanks den kogelregen, door deze op hen

afgezonden, vlogen de Indianen tegen de rotsen op. Lupan moest, het

kostte wat het wilde, den vijand verslaan en het dorp terugwinnen,

anders dreigde zijn volk een algeheele vernietiging. Een salvo

kartetsen uit de beide kanonnen wierp Lupan en zijn troepen terug;

voor een oogenblik slechts; eer het geschut opnieuw was geladen,

bestookten de dappere Molutches de kanonniers met bolas en lasso. De

Blanken, het oogenblikkelijk gevaar inziende, sprongen zonder een

commando af te wachten van de wallen, met hun geweren en pistolen

dood en verderf brengend in de gelederen der tegenstanders. Opnieuw

donderde het kanon. Lupan zonk ter aarde en met zijn dood verloren

de Molutches hun steun. Als gejaagde guanacos snelden ze weg, op den

voet gevolgd door de Pehuenches, die hen terugdreven over den bergpas.

De Molutches waren totaal verslagen. Hun verlies was groot, hun

Opper-Toki gesneuveld, zijn zoon gevangen.

Tegen den avond zond Huïl nog eenige krijgsgevangenen en het bericht,

dat hij in het Buffel-dal, zijwaarts van de Limayleofu gelegen,

eveneens den vijand op de vlucht had gejaagd. De Pehuenches waren

over de geheele linie overwinnaars.

Reeds den volgenden morgen verschenen in de legerplaats aan het Nahuel

Huapi meer afgezanten, die om vrede smeekten. De Blanken wenschten

geen oorlogsschatting te heffen, de Penk hadden een rijken buit aan

paarden in hun bezit; niets stond dus het stellen der vredesvoorwaarden

in den weg. Kellipan beloofde een der volgende dagen op te rukken en

op een aangewezen plaats in het Limaydal te verschijnen om vrede met

de Molutches te sluiten.

Waar vóór eenigen tijd het leger der Pehuenches was samengekomen,

werden een week later de vredesceremoniën voltrokken.

Een hondertal Penk, rijk gekleed, goed gewapend en op vurige rossen

gezeten, stonden tegenover eenzelfde aantal Molutches, eveneens in

krijgsdosch getooid.

Beide partijen waren als in slagorde opgesteld.

De Toki's reden heen en weer op het terrein, en hielden verscheidene

aanspraken tot hun manschappen, die telkens met een luid "wap,

wap, wap!" beantwoord werden. Onder de Penk bevonden zich Malen

en eenige gevangen genomen Toki's; ook de Molutches hadden enkele

krijgsgevangenen. Aan den rand van het dal eenigszins zijwaarts,

stonden de blanke strijders eveneens in rij en gelid. De Molutches

rukten op tot een kolonne en reden herhaalde malen om de Pehuenches,

een vervaarlijk gejuich aanheffend, hun messen en bolas' heen en weer

slingerend, terwijl de hulptroepen uit het Buffel-dal hun geweren

en pistolen afvuurden. Daarna keerden zij op hun plaats terug en

schaarden zich weer in slagorde.

Kellipan en de aanvoerder der Molutches reden elkaar tegemoet, schudden

elkaar de hand en hielden lange deftige toespraken, die eenige malen

herhaald werden, omdat het gebruik eischt, dat eerst na den derden

keer het "Ahon" weerklinkt. Ten slotte overhandigde de overwinnaar den

overwonnenen een bundel roode snoeren en na elkaar nogmaals de hand

geschud te hebben, vertrokken de Opper-Toki's met hun krijgsgezellen.

De Molutches begaven zich naar het Nahuel Huapi meer om een nieuwen

Opper-Toki te kiezen, de Pehuenches, vergezeld door hunne bondgenooten,

trokken terug naar hun gebied. De Toki's der Penk reisden mede naar

Carmen om de hun beloofde geschenken, die veel rijker waren dan

de Indianen zich hadden voorgesteld, in ontvangst te nemen. Op den

terugtocht vertoefden onze vrienden een geheelen dag op de plaats

waar eens de nederzetting der Carrils was. Ook den Gualichu-steen

werd nog eenmaal door Miguel, Lord Westfield, Ned en Tom bezocht. Te

Carmen werd niet lang halt gehouden, maar van de eerste gelegenheid

gebruik gemaakt om Buenos Aïres te bereiken. De bevrijde bomberos

meldden zich weer bij hun chef aan; de pamparoovers waren bij de

paters Jezuïeten aan de Rio Negro gebleven.

De beide Westfields, Miguel, Pedro en Bob vertrokken met de "Mariëtta"

onder bevel van kapitein Ballière naar Europa.

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar · 第 13 / 17 题