Het "Abel spel ende een edel dinc van den hertoghe van Bruyswyc, hoe hi
wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant", in de wandeling naar
den hoofdpersoon "Gloriant" geheeten, moet gerekend worden tot de serie
van voortbrengselen van onze Middeleeuwsche dramatische letterkunde,
waartoe ook de in deze reeks uitgegeven "Esmoreit" en "Lanseloet van
Denemerken" behooren. Voor litterair-historische bijzonderheden omtrent
deze serie Middeleeuwsche drama's, voor zoover ze in een weder
niet-wetenschappelijk bedoelde uitgave op hun plaats zijn, moge verwezen
worden naar de inleidingen van genoemde stukken, mede van de hand van
den schrijver dezer regelen.
Hier zij nog slechts opgemerkt dat de in deze dingen ook slechts een
weinig georiënteerde lezer weder aanstonds merken zal, hoe dicht de
avonturenvolle stof van zulk een abel spel zich aansluit bij die der
ridderromans.
Wie van den oorsprong van het gegeven van ons drama meer wil weten,
verwijs ik naar de inleiding van: Mr. H.E. Moltzer, De
Middelnederlandsche Dramatische Poëzie,[1] naar welke uitgave de
hiervolgende text is afgedrukt.
Verdient ons stuk door een nieuwe uitgave uit de vergetelheid en
onbekendheid, waarin het zich op dit oogenblik bij het grootere publiek
bevindt, te worden te voorschijn gehaald? Het antwoord mag bevestigend
luiden, al was het alleen maar om het feit dat het Haagsche
tooneelgezelschap dat zich met den oud-vaderlandschen naam van
"Ghesellen van den Spele" getooid heeft,[2] het in het komende
tooneelseizoen voor het voetlicht zal brengen. Maar ook overigens, het
lijkt mij onbegrijpelijk dat, terwijl Esmoreit en Lanseloet van
Denemerken zich reeds weder verscheidene jaren in een belangstellend
toeschouwend en lezend publiek verheugen, de Gloriant betrekkelijk
onbekend en in nieuwer tijden, voor zoover ik weet, onopgevoerd en in
populaire editie onuitgegeven is gebleven. Litterair lijkt het stuk mij
verre de meerdere van de Esmoreit, zéker wat karakter-teekening en
dramatischen opbouw, maar ook wat de dialoog aangaat. Al is deze laatste
in de Esmoreit zonder twijfel vlot en pittig, de dialoog in òns stuk
komt mij voor--en ik hoop dat hieronder met enkele voorbeelden aan te
toonen--_sterker_, ik zou bijna zeggen _moderner_, want
langs-den-neus-weg-geestiger te zijn. En de dramatische opbouw: heel de
opzet is in Gloriant voor een modern mensch veel aannemelijker; wat is
gansch die geschiedenis van dien trotschen man en die trotsche vrouw die
zich allebei te goed vinden voor het huwelijk en die dus met fatale
zekerheid bestemd zijn om in elkaars handen te vallen, niet een
prachtige "trouvaille", de kunst van een geestig en
psychologisch-analyseerend modern auteur waardig. Denk eens aan Shaw met
zijn "macht van de levenskracht"!
Neen, ik persoonlijk vind, dat Esmoreit, ondanks zijn misschien diepere
moreele strekking en opzet, het als waarlijk tè-naïef bij Gloriant min
of meer aflegt, hoezeer ik het eerste stuk ook apprecieer als een
waardevol overblijfsel van middeleeuwsche volkskunst. En al geef ik
oogenblikkelijk toe dat de fijne, diep-menschelijke "Lanseloet" zeer
veel zielvoller is dan Gloriant, minder onderhoudend is dit laatste stuk
zeker niet! Ik begrijp dan ook in geenen deele hoe Prof. Dr. J. te
Winkel in zijn "Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" I[3] tot
zijn blijkbaar niet zeer gunstig oordeel over het stuk gekomen is; Prof.
te Winkel, die anders het sappige van onze oud-nederlandsche kunst zoo
wèl weet te apprecieeren!
Op het verbazend-aardige gegeven van het stuk wees ik boven al met een
enkel woord en ik zal er geen verdere beschouwingen aan wijden, wijl ik
bij ondervinding meen te weten dat een uitgelegde mop geen mop meer is
en ik het er bovendien voor houd dat "inleiders" van litteratuur-werken
die zoovéél meenen te moeten uitleggen een weinig-hoogen dunk van de
intelligentie van hun publiek aan den dag leggen. Het is heusch geen
heksentoer om het verloop van dit tooneelwerkje te volgen en wie het
zintuig voor de fijne humor ervan mist--ik beklaag hem--doch kan het hem
met geen redenatie van twintig vel druks bijbrengen!
Van de pittigheid van de dialoog een enkel voorbeeld. (Ook die zij
overigens den lezer te "savoureeren" overgelaten!) Lees eens hoe aardig
en raak Gloriant in Tooneel I van het derde bedrijf, als hij het ten
gevolge van het portret "te pakken" heeft, door zijn oom Gheraert met
zijn eigen woorden, waarmee hij zoo kort te voren nog de vrouw en de
liefde smaalde, wordt vastgezet!
Ook op iets anders zou ik in dit verband nog even de aandacht willen
vestigen. Als Gloriant de macht van de liefde heeft leeren voelen, en
hij deze geweldigste aller menschelijke aandoeningen verheerlijkt met
gloedvolle woorden (passages waar de dichter waarlijk een fiere
schoonheid in zijn verzen bereikt: vs. 568 vlg.; vs. 828 vlg.), dan is
in deze alleenspraken opmerkelijk de vereenzelviging van de Liefde Gods
en de menschelijke liefde (caritas en amor!). Schóón is deze
vereenzelviging in Gloriant's woorden ongetwijfeld, maar ongewoon in de
middeleeuwen waarin men deze beide "soorten" van liefde in den regel
nogal goed uit elkaar hield.
Hoe aardig en psychologisch-raak ook de opzet van het stuk, hoe vlot en
pittig ook de dialoog, de Gloriant zou geen waardig abel spel zijn (en
zou zeker een deel van zijn bekoorlijkheid missen!) als hij niet
gelardeerd was met een tal van prachtige naïeveteiten. De middeleeuwsche
toeschouwers, lezers en kunstenaars (die bijv. een Jeruzalemsche
hooge-priester in Katholiek bisschopsgewaad ten hoogste aannemelijk
vonden) stoorden zich niet aan een anachronisme of onmogelijkheid meer
of minder en wij--storen er ons ook niet aan, want aan de innerlijke
waarde van de Middeleeuwsche kunst doen zij geen afbreuk en--grappig
zijn ze vaak in hooge mate. Zoo het blijkbaar geloof in Vrouw Venus bij
den christen Gloriant--zoo de "Godenkraam", waarbij de Sarraceensche
dramatis personae om de andere seconde zweren: Mamet en Mahoen,
(verbasteringen van Mohammed die voor een afgod werd gehouden; dat de
Mohammedanen monotheïsten waren drong tot onze Middeleeuwers niet door!)
Apolijn, Jupetijn en Tervogant die uit de klassieke mythologie zijn
geïmporteerd,--zij zijn niet alleen in dit stuk het pantheon der
Saracenen.
Ook de "bekeering" van Florentijn tot het Christendom mag in dit
theologisch verband worden gememoreerd. Zij is een waardig pendant van
die van Esmoreit in het gelijknamige spel en is al even-weinig
voorbereid door behoorlijk godsdienstonderricht!
Ook Rogier is kostelijk, die voor de gezelligheid van Gloriant en
Florentijn, uit woede op zijn Heer Roedelioen en Mamet ten spijt
Christen zegt te worden, maar even later nog hartgrondig een
Tervogantsche knoop er op legt! (vs. 964). Hij is niet zoo dociel als
Esmoreit die onmiddellijk na zijn bekeering op vastberaden wijze
"Christelijk" zweert.
Maar alle spot ter zijde, er is toch ook iets zeer schoons gelegen in
het gevoel van absolute superioriteit nopens zijn godsdienst, dat de
middeleeuwsche Christen in zich omdroeg en waardoor dergelijke voor ons
onaannemelijke bekeeringen tot iets van-zelf-sprekends werden.
Aardig van ongemotiveerdheid is ook (vs. 739) hoe de "verrader" Floerant
den koning direct weet te rapporteeren dat de man in wiens armen
Florentijn wordt aangetroffen de hertog van Brunswijk is! Hoe kon hij
dat weten?
Ten slotte moet ik nog op enkele practische punten in verband met mijn
wijze van uitgeven wijzen:
1°. Aan textcritiek is bij deze populaire uitgave wederom niet gedaan;
2°. De verklarende noten pretendeeren niet steeds
wetenschappelijk-getrouwe "vertalingen" van de Middelnederlandsche text
te zijn. Vaak is deze niet letterlijk, maar in zijn moderne
"gevoelswaarde" weergegeven: ik bedoel de aanteekening geeft dan "wat
_wij_ in zoo'n geval zouden zeggen;"
3°. De indeeling in bedrijven en tooneelen en de tooneel-aanwijzingen
komen natuurlijk niet in het handschrift voor, maar zijn van schrijver
dezes, die bij voorbaat erkent, dat voor een eenigszins-andere indeeling
hier en daar wat te zeggen ware. Zoo zou men kunnen aanvoeren dat wat
hier als tweede bedrijf is gegeven eigenlijk nog tot de "expositie"
behoort en dus nog bij het eerste bedrijf had moeten worden ingedeeld.
Maar na rijpelijk overdenken ben ik tot de conclusie gekomen dat, zooals
ik het nù heb gedaan, de ontwikkeling der gebeurtenissen voor den lezer
overzichtelijker is;
4°. Wat de spelling en uitspraak van het Middelnederlandsch betreft; er
zij nog even aan het volgende herinnerd: oe = oo; y = ie; verbindingen
van werkwoord + voornaamwoord komen veel voor, bijv.: latic = laat ik;
stoerfdi = stierft gij;
In het algemeen geven de noten uitsluitsel.
Geniet, lezer (en eventueel toeschouwer), van dit allerleukste stukje
middeleeuwen, zooals schrijver dezes van het herlezen-na-jaren en
zich-er-in-werken genoten heeft!