AAN DEN LEZER.

Gaarne zou ik het Algemeen, van dit eerste gedeelte van een zeer

uitgebreid Dichtstuk 't geen men weinig hoop zal koesteren van ten

einde gebracht te zien, verschoond hebben. Doch, daar het met veel

warmte, en onder eene belangstelling, die my altijd dierbaar zal

blijven, aangevangen en door ettelijke Boeken of Zangen heen doorgezet

was, kon ik aan verscheiden Kunstvrienden geen mededeeling weigeren,

die niet dan door den afdruk geschieden kon; en deze afdruk diende

algemeen te zijn, wilde men uit het onverkrijgbare en zeldzame geene

baatzuchtige uitzichten doen ontstaan, die de verspreiding langs

heimelijke onregelmatige en onvolkomen wegen bevorderde; van welke my,

ook reeds voorlang, inzonderheid ten aanzien van den Tweeden Zang

dezer vijf, niet zeer aangename alhoewel (in zich-zelfs beschouwd)

vleiende blijken waren voorgekomen. Hoe veel waarde of deelneming

echter sommigen mijner bekenden aan dit werk hechten mochten,

het is verre van daar, dat ik er een algemeenen opgang van wachten

zou. Niet zoozeer om het onvolkomene van dit gedeelte (want waar is

een Dichtstuk van eenigen der latere Poëeten, waarvan men niet slechts

eenige Zangen leest, zonder de overige in het minst ter harte te nemen;

en wat zijn het ooit anders dan goede of voor goed doorgaande brokken,

die in een uitgebreid Dichtstuk, van de algemeene waardy, die er aan

gehecht wordt beslissen?) maar om dat noch onze leeftijd, noch zelfs

onze Natie, Dichterlijk genoeg is om in een Heldendicht, ja zelfs

in den toon daarvan, smaak te vinden. Zekerlijk, noch de ingezogen

Fransche denkwijze (zoo Tegendichterlijk als er eene by mogelijkheid

zijn kan), noch de door opvoeding, onderwijs en omgang verkrachte en

geschaafde zeden, noch het laauwe kinderspel van liefhebbery, waar

men zich by de algemeene geld- en fortuinzucht mede ontspant, en alle

behoefte van hooger wereld, zoo ze eenigzins opkoomt, verdooft en in

slaap sust; noch zelfs de in zwang gaande Theoriën, die schier alles

wat dichterlijk is, van de Dichtkunst uitsluiten, en haar inderdaad

tot een laf en nietig spel der Inbeelding verlagen, die in onze dagen

niet slechts alle namen en kleuren aanneemt, maar ook alle waarachtig

gevoel uitroeit, overheerscht, of bedwelmt; niets van dat alles is

bestaanbaar met zucht voor zoodanig een Dichtstuk als het meesterstuk

aller voortbrengselen van den menschelijken geest zou zijn, indien

men er in onze dagen het aanzijn aan geven kon. En hoe ook zou iemand

zich dit aanmatigen, die nimmer iets zoo betreurde als door het Lot

geplaatst te zijn in deze ongelukkigste aller tijden, het tijdstip

van den pijnlijken en ontzetlijken arbeid en worsteling van geheel

de Natuur, om uit een afgrijselijke nacht het geheel verduisterde

morgenlicht van waarheid en wezendlijkheid te doen voortbreken, hemel

en aarde te hereenigen, en het echt en miskende verband tusschen het

eeuwige Geestenrijk en voorbygaande schijnwareld te herstellen? Zeker,

zoo mijn zucht ter afschudding van alle stoffelijke en uit loutere

wanbegrippen gesmede kluisters onbepaald en vurig is, zy is echter

veel te onvolkomen, om my naar vollen eisch op te heffen, en om die

waarachtige vlucht te doen aannemen, die den waren Dichter en zijn

alles meêsleepend vermogen kenteekent. Den dichter, zeg ik: namelijk

"Hunc qualem nequeo monstrare et sentio tantum,"

[Zoo ik: hem wensche en eisch, maar enkel kan beseffen.]

En inderdaad heb ik onder de tegenwoordige vierschaarspanners van

den Hollandschen Pindus by gedeeltelijke voorlezingen van dit stuk,

juist altijd geene toejuiching gevonden als by de mededeeling van

nietigheden, die of den heerschenden smaak streelden, of die zachte

aandoeningen verwekten waar men zich thands meê tevreden houdt en

toegeeflijk genoeg is, om, zoo de verzen en wendingen slechts niet

gants en in alles evenzeer ondichterlijk zijn, Poëzy in te stellen.

Doch ik heb veel te vroeg den aart van den roem en al wat men eer of

onderscheiding noemt, leeren kennen, om dien ooit te zoeken; en mijn

zucht was steeds, ook in 't vak der Letteren, waarvan inderdaad Poëzy

't groote middelpunt en beweegpunt is, nuttig te zijn. Ook is het

wellicht niet zonder alle vrucht, door deze gemeenmaking eene schets

of een soort van afschaduwing te geven van de wijze, waarop ik my het

Heldendicht voorstelle. Hoe veel of hoe weinig het juist moge zijn,

't zal ten minste dichterlijke gevoelens en wijzen van bevatting

kunnen opwekken en geboren Dichteren aanleiding bieden, om een beter

en volkomener pad door de hoogere streken der wareld van gevoel in

te slaan.

Daar dan nu dit stuk voor het Algemeen verschijnt, ben ik wel

verplicht, als ter Inleiding voor mijn Lezers, eenig verslag te

doen van het onderwerp en de wijze waarop ik het meende te moeten

behandelen. De groote zwarigheid in het Heldendicht is tegenwoordig,

het geen men, met een kunstwoord, van het Tooneel der Oudheid ontleend,

de machine noemt, de inwerking namelijk van bovennatuurlijke wezens,

die of 't ware, de springvederen zijn moeten wier ineenvattende

werking het werkstuk des Dichters in beweging moeten zetten,

in werking houden en ten doel leiden. De Oude Grieken en Romeinen

hadden hunne uit Geest- en menschelijkheid saamgestelde persoonlijke

of onpersoonlijke Goden (hun Noodlot tel ik onder de laatsten)

te baat, wier bestaan, invloed, bestuur, en tusschenkomst in alle

onze menschelijke handelingen, algemeen geloofd en aangenomen was,

en (met welke verfijningen of verzieringen dan ook) in den grond

der zaak door verlichter en onverlichter Wijzen en Dichters zoowel

als door 't plomp en verstandeloos volk erkend werd. Dat men Homerus

dit geloof betwist, en deze wezens by hem tot bloote Leenspreukige

voorstellingen maken wil, is, (wie het dan ook tegenwoordig beweeren

of voorstaan) eene ongerijmdheid waarmeê men zeer te onrechte zijn

scherpzinnig doorzicht waant eer aan te doen, maar verdient geen

weêrlegging. Onze Christelijke begrippen van God en Geesten, gelijk zy

gewoonlijk voorgesteld worden, hoeveel zy ook aan de verhevenheid van

voorstelling mogen toebrengen, leveren weinig op ter verlevendiging of

vervulling van het geen wy in de zoo bruikbare Goden des Heidendoms

verliezen, daar zy geene weêrstrevigheid toelaten dan tusschen de

Goede en Kwade geesten, waarvan de eenen te eenvormig, de anderen te

volstrekt hatelijk, en beide te zeer afwijkende en onbegrijpelijk voor

ons menschen zijn, om ons wederkeerige en genoegzame deelneming in te

boezemen, en om er al de party van te trekken die men noodig heeft;

en inderdaad spreidt deze machine (indien met haar dus noemen zal)

eenen nevel van slaperigheid over geheel een Dichtstuk, van welke

noch Milton noch Klopstok zich heeft kunnen vrijhouden. Dat er

niets kouder is dan de Allegorisehe wezens, waarvan vele nieuweren

zich bediend hebben, is algemeen erkend. Drijdens Beschermgeesten

der Koninkrijken en Volken zijn even zeer krachteloos om belang te

verwekken, en schoon ik niet zou willen ontkennen dat men daar eenig

voordeel uit trekken kan, zij deelen misschien in de ongelegenheden van

die allen, Hoogvliet had zich eenen weg geopend door de afscheiding

der Goddelijke eigenschappen in het Tweede Boek van zijnen Abraham;

maar de laffe en koude aanmerking van den inderdaad dommen en alles

behalven dichterlijken Van Engelen, die (ongelukkig genoeg!) een

der orakels van zijn tijd was, heeft eenen afkeer van dit hulpmiddel

ingeboezemd, schoon de aart onzes bestaans zelf het als aan de hand

geeft, ja meêbrengt, en het in de Heilige Schriften zijn grond heeft,

die ons Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid dikwijls menschelijker

wijze in eene tegenworsteling voorstellen, waarvan het gevoel zich in

onze ziel, als van twee onderscheiden hooger Beginselen, aanbiedt. Doch

wel terecht heeft men opgemerkt, dat het met alle Fraaie kunsten, en

met de Dichtkunst aan 't hoofd van die, uit was, zoo dra Theoristen

geloof en invloed bekwamen!--Maar wat dan, wat bleef er overig,

om dit dringend gebrek te vervullen?

De koude en in alles nietige, maar zeer beschaafde Schrijver, of

liever samenflanser, van den Belisarius trof juist het tijdstip aan,

waarin hy zich by het aangrijpend verval van smaak en kunstbesef,

aanzien kon geven, en vond het goed het Heldendicht van zijn ziel

en beginsel te ontbloten, om dat hij de ziel en dat beginsel niet

bevatten kon. Niet vreemd. Velen ontkennen aan zich-zelven hun

ziel en wezen, op juist even den zelfden grond! Ongelukkiglijk had

zijn wanbegrip invloed op de onvergelijkelijke Dichteresse van den

Germanicus, (die zekerlijk in een minderen kring dan het Heldendicht

geschitterd zou hebben en beter naar verdienste erkend zijn;) en

de Germanicus moest een Heldendicht zonder machine worden. Met dit

alles is het belangrijkst gedeelte van dit Dichtstuk dat gene, dat

er de ontknooping van maakt: een Geestverschijning. Die naamlijk van

een beschermgeest, die het echt Dichterlijk inzicht van haar gemaal

(den nooit op prijs gestelden Van Winter, wiens Monzongo--alleen al de

Treurspelen zijner Egâ tien--ja honderdmaal opweegt) tegen het door

haar aangenomen beginsel dat zy by alle tegenspraak met vrouwelijke

geestdrift voorstond, haar opdrong. De voortreffelijkheid intusschen

van dit Meesterstuk in schoonheden van detail, en inzonderheid van

een Versificatie, die niet genoeg gewaardeerd is geworden, zal aan

den waarachtigen kenner altijd verwondering inboezemen, alhoewel

iemand hier en daar in den toon-zelf eenige meerdere verheffing

mocht wenschen.--Doch dit zelfde wanbegrip heeft zich verspreid,

en genoegzaam weet men vrij algemeen niet meer, wat eigenlijk de

machine en haar gebruik of aanwending in 't Heldendicht zij.

Wat my betreft: van mijnen vroegsten leeftijd altijd met de Eerste

Wareld en hare bevolking zoo wel als met haar verband tot een hoogere,

bezig, hing my steeds de bekende plaats uit het boek der Schepping

(Gen. VI, 2, 4,) aan, waar de kinderen Gods gezegd worden zich

met de dochteren der menschen vermengd, en uit haar de machtigen,

de geweldhebbers der aarde, voortgebracht te hebben, die men Reuzen

noemde. Al dra vond ik deze plaats 't zij by sommige Kerkvaderen 't

zij by Rabbijnen verstaan van onsterfelijk kroost van onzen eersten

Vader, door hem, vóór zijn jammerlijken afval, in Eden geteeld; en

het denkbeeld dat dezen als Erfgenamen van den zaligen lusthof door

de uitgebannene Aartsouders verbeurd, aan hun Nageslacht deel in die

zaligheid wenschten, kwam mij eene even natuurlijke onderstelling

voor, als een poging van deze Geweldigen zelven, zoo fier op hunne

Vaderlijke afkomst als op hun meerderheid van krachten en moed,

om het ook voor hun gesloten Paradijs te herwinnen. Met één woord,

ik vond er de Heidensche Fabel der Hemelbestormeren in, en niets

was natuurlijker, dan dat zich met de uitdelging van geheel een

menschdom dat zich dezen verwaten aterlingen onderworpen had, de

vernieling des vroegeren aardbodems en de losmaking van het Zalig

Eden, daar eerst meê verbonden, onderling als tot een enkel tafereel

voor mij vereenigde. Ik zag sedert de zelfde wijze van beschouwing

elders of aangenomen, of met ten minste schijnbare gronden gestaafd

of verdedigd; en zie daar 't onderwerp, dat my boven alle andere,

niet slechts in innerlijk belang en gewicht der gebeurtenis zoo

wel als door rechtstreeksche betrekking tot elk onzer, maar ook

door een waarlijk Dichterlijken aart, kleur, en houding, scheen

uit te teekenen! Ruim boven alle mate was my hier het Tooneel;

vrij, de omkleeding zoowel als de stoffeering; en de rijkdom van

toestel zoo onbekrompen als hy gewenscht kon worden! Verscheidenheid

van wezens in overvloed, kwam hier by: Geestelijke van allen aart,

menschen van gewone en tevens van buitengewone natuur en voorrechten;

goede en kwade Engelen; en boven al, een geslacht van onvervallen

Paradijsmenschen in Adams staat vóór den val, en nog in die verhevene

stand en eigenschappen waar hij uit verviel; treffend uit den aart

voor al wie zich aan hen verwant kan gevoelen! en deze allen door de

naauwste betrekkingen aan elkander verbonden. Verscheidenheid, zeg ik,

en menigvuldigheid van die allen, in éénheid van Schepping, van aan-

en grondlage, vereenigd, en waarin de persoonlijkheid, karakters,

belangen en uitzichten zich zoo verre verdeelden, als men aan gevoel

en verbeelding slechts zou willen toegeven; doch allen in het groote

punt samenvloeiende, dat het voorwerp des Heldendichts maakte!--Kon

een zoodanig veld, een zoodanige stof, ophouden my voor oogen te

blijven zweven, na dat zy zich eenmaal had aangeboden?

Geen wonder derhalve, wanneer 't, by eene algemeen bedoelde

herlevendiging (of, wil men, herschepping) van den Nationalen Geest

en Letteren, Kunsten, en Wetenschap, en den blijden morgenkreet van

een nieuwen dag, my tot plicht werd, my midden in mijnen vervallen

toestand, als door eene tooverkracht te verheffen om aan den

toegang des Hollandschen Zangbergs, als ware 't, de nog ongevormde

of platgetreden sporen te openen, en (meer dan les en aanwijzing)

het voorbeeld van den moed te geven, vereischt om hem op te streven:

geen wonder, zeg ik, wanneer ik, onafgeschrikt door den omvang des

onoverzienbaren arbeids, (ook zelfs zoo ik niet dan ten deele aan

't my gegeven vertrouwen beandwoorden wilde;) my in de verschillende

vakken der Dichtkunst verdeelen moest, op een wijs als bekend is,

ook om een stouten greep in 't ontzachlijke vak des Heldendichts

te doen, mij zoodanig onderwerp voorstelde, als waarvan de rijkheid

onuitputtelijk, en 't belang voor mijn hart-zelf ongelijkbaar was, en

dat mijn geheele gevoel kon vervullen, en, om het dus uit te drukken,

van alle kanten op eens en gelijkelijk aandoen.

Het was dan ook in het jaar 1809, wanneer ik mijne proeven van

Tooneelpoëzy in het licht had gegeven, dat ik, alhoewel onder de

drukke bezigheden, waartoe my 't vak der Hollandsche Taalkunde in

't nieuwlings opgericht Instituut van Letteren, Wetenschappen, en

Kunsten (ook my helaas! opgeladen) verbond, my eenige maanden tijds,

aan 't Dichtstuk, waar van hier de eerste Zangen in 't licht treden,

overgaf. Hoe kort het mocht duren, eer de algemeene Overweldiger ons,

met den weldadigen en kunstlievenden Lodewijk (wiens heuschheid en

goedheid ten opzichte van my, zwakken en uitgeputten grijsaart,

nooit wedergâ had, maar wiens weldaden voor my by de uitkomst in

louter jammer verkeerd moesten worden,) met alle welvaart, hoop,

en uitzicht, tevens geheel ons Volksbestaan ontnam, weet een ieder;

en dat met dezen omkeer van alles, geen gevoel voor my overig bleef,

met het voortzetten van zulk een Dichtarbeid bestaanbaar, behoeft

geene melding.--Men ontfangt het derhalve, gelijk het toen bestond,

en zonder eenige verandering, byvoeging, afdoening, of al wat men

beschaving noemt, zoo, gelijk het mij uit de ziel is gevloeid. Men

weet, hoe ik veelal over het zoogenaamde beschaven denke. 't Is de

oefening, die den dichter volmaken moet, maar geen vormelooze, of

anders, misvormde klomp zal in 't Dichterlijke door de beschaving,

dat gene worden wat het behoorde te zijn; en het geen, zoodanig

als het in de warmte des gevoels uitgestort werd, niet verdient aan

het Algemeen aangeboden te worden, zal door geene bewerking beter

Poëzy worden. 't Zijn slechts enkele plaatsen, waar eene uitdrukking

verbetering toelaat; maar dan nog zal 't eene zeldzaamheid zijn,

zoo die plaats zelve, by eene zelfs wezendlijke verbetering, niet

(van een anderen kant beschouwd), waarlijk verliest. Die ook zijnen

stijl, uitdrukking en versificatie niet volkomen meester is, maar in

de gave en zuivere uitstorting van zijn gevoel, door de moeilijkheden

van dit zekerlijk oneindig vak van studie te rug wordt gehouden, de

zoodanige moet zich nimmer aanmatigen, de hand aan Melpomenes dolk

of Calliopes Heldentrompet te slaan. Het is in deze vakken niet dat

men zich vormt; men moet ze, om ze in te stappen, reeds meester zijn.

Deze uitdrukking klinkt misschien stout en vermetel, in 't oor

van dien gene die my iets meer zou toeschrijven, dan het geen ik

hiervoren verklaarde my aangematigd te hebben. Den MOED namelijk van

te ondernemen, in hem, die zich-zelven niet ten voorbeeld en wegwijzer

opwerpt, maar wien het zijnes ondanks en in wederwil zijner yverigste

en aanhoudendste ontschuldigingen, wordt opgelegd. Den zoodanige is

niet meer dan goede trouw, wil en vlijt af te vorderen; en hy geeft

wat hy vermag, zonder aanmatiging of beschroomdheid. Die den doornbosch

druiven afvergt, moet wel de braambezie voor lief nemen; en dezen treft

dan ook het verwijt niet, dat zijn vrucht de verwachting te loor stelt.

Het geen hier van het Dichtstuk gegeven wordt, schoon het het ontwerp

daar van duidelijk uitdrukt, en vertrouw ik, in levende werking stelt,

zal echter aan niemand den gang van het plan verraden, even weinig als

de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en,

wier naauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing

mag blijken. Niet licht zal men zich uit dit voorgedeelte een denkbeeld

maken van 't geen ik met Segol of zijne Zilfa voor heb; en misschien

weinig beter, wat gewichtigen rol de ongelukkige Elpine of haar hooge

minnaar te vervullen heeft. Voorbereiding ziet men zekerlijk gemaakt

om Noach op te doen treden; maar hoe, blijft voorzeker den lezer

een raadsel, zoowel als de algeheele verwikkeling, die van oogenblik

tot oogenblik groeien moet, en hare ontknoping in eens bereikt als

het oogenblik der verdelging daar is, waarvan het ontzettende met

eene duidelijkheid van voorstelling gepaard moet gaan, die geheel de

vorming der aarde tot grond heeft, in wier gantsche wording de lezer

vooral moet ingelijfd worden. 't Spreekt van zelf, dat er gronden van

God- en Geestenleer geopend moeten worden die niet gemeen zijn, maar

vrij van alle weêrstrevigheid tegen de Heilige bladeren. Byzondere

redenen heb ik gehad, om, ondanks de reeds verregaande weelde en de

algemeenheid der kostbare metalen, de zeldzaamheid van het staal,

het nog niet invoeren van het gebruik des paards, en dergelijke meer,

te onderstellen; waarvan de reden zichzelve al mede in den loop van

het Dichtstuk ontdekken zou. Men verge my hier niets van dat alles te

verklaren of op te helderen. Tot verstand van dit gedeelte zou het

onnoodig; tot verstand van het geheel altijd ongenoegzaam, en zelfs

verwarrend zijn, zoo het niet in een geheel uitvoerig verslag van de

overige vijftien of zestien boeken die het werk voltooien moesten,

ontaardde, en dan zelf een geheel boekdeel vereischen zou. Men

houde ook niet elke onderstelling, hier aangenomen, voor meer dan

eene Poëetische verziering die door 't Dichtstuk gevorderd scheen,

doch den Schrijver-zelven geheel vreemd is. Grootelijks zou men zich

bedriegen, indien men uit sommige der hier voorgestelde begrippen

tot mijne gevoelens besloot, anders dan voor zoo verr' die gevoelens

buiten dien en van elders door mij erkend mogen zijn.

Men passe het gene ik hier zeg, zelfs op geheel de opvatting der

bygebrachte Bijbelplaats toe, die mijne Fabel tot grond ligt. Want

hoe zeer men haar met een aantal namen, die eerbied inboezemen,

waaronder Cedrenus, Clemens van Alexandrië, Zosimus, Africanus,

Syncellus, Justinus de martelaar, en zelfs Augustinus, zou mogen

versterken; hoe veel aannemelijks zy in zich-zelve moge hebben, en

hoe veel zy schijne op te helderen, zy is al te zeer onderhevig aan

zwarigheden die van verre uitzichten zijn; en zeer ongeneigd ben ik,

schijnbaarheden, die of meer of minderen grond voor zich hebben,

als waarheden voor te staan. Doch waar Dichterlijke warmte het hart

overmeestert, schept het zich in de ontstoken verbeelding een Wareld,

en wie betwist het ons? Hy die dees wareld wil intreden, voor dien

moet het toovertooneel, dat de Poëzy hem ontsluit, even zoo lang voor

volstrekte waarheid verstrekken, als zy hem op haar vleugelen draagt,

in haar wolken omvoert, en tot hooger licht door laat blikken, waarvan

elke toeschemering, hoe onvolkomen ook, en zelfs hoe bedriegelijk, ons

aan eenen hooger aanleg en hooger bestemming herinnert dan deze onze

aardsche vervallen toestand met duidelijkheid toelaat te beseffen,

en verder of anders dan in eene soort van hemelsche dronkenschap en

bedwelming te genieten.

Hoeveel of hoe weinig ik dat gene aanneme, dat tot grond van die

onderstelling kan strekken, doet derhalve ter zaak niet; doch, in den

tijd, dat men veelal alle Geestendom, en alles wat niet stoffelijk is,

en wel, in dien groven zin stoffelijk, waarin dit ons verval ons het

stoffelijke gewaar doet worden, onbelemmerd ontkent, een gemengelde

wareld te ontsluiten, waarin velerlei soorten en klassen van wezens

niet alleen, maar ook onvervallen en aan 't Geestendom, zelfs door den

aart van hun lichaam, verwantschapte en gelijkende Paradijsmenschen

door één zweven, moet zoo vreemd schijnen, dat er (om het niet voor of

laffe of boze spotterny te doen houden) naauwelijks verzekering genoeg

schijnt gegeven te kunnen worden van de oudheid van een gevoelen,

dat zoo hersenschimmig moet voorkomen. En het zal hoogwaarschijnlijk

velen niet ongevallig zijn, dat men hen ten dien aanzien tot het oud

maar niet algemeen bekend geschrift, 't zoogenoemde boek van ENOCH,

verwijze. Ieder weet, dat de Apostel Judas, in zijnen brief bij de

algemeene Christen Kerk voor echt gehouden, en onder de Schriften des

Nieuwen Verbonds geplaatst, eene voorzegging van Enoch, den zevende

van Adam, heeft aangehaald, welke blijkbaar ten zijnen tijde erkend

werd, en schoon het niet noodig is, uit deze plaats meer dan eene

mondelinge overlevering van die profecy op te maken; dat echter Enoch

geschreven hebbe, wordt niet slechts door Augustinus op grond van die

aanhaling des Apostels aangenomen, maar wie zal het in twijfel trekken,

die den aart van het letterschrift, en daaruit, de hooge oudheid

daarvan, die van den oorsprong-zelven des menschelijken geslachts

afgestamd schijnt, recht bevat en in aanmerking neemt? Hoe het zij;

dat men reeds in de vroege Eeuwen des Christendoms een geschrift had,

't geen op Enochs naam doorging, is zeker, en, schoon dit buiten alle

mogelijkheid van twijfel (als zoo vele andere,) een verdicht stuk was,

en hem bedriegelijk werd toegeschreven, dit bewijst ten minste dat men

toen ter tijd onderstelde dat Enoch geschreven had. Zoodanig een stuk

is ook inderdaad tot ons gekomen en aan den Geleerden niet vreemd,

dat onder den naam van den rechtvaardigen en met God wandelenden

Enoch, van de Engelen (daar Wachters of Wachtëngelen, Egrigoroi)

en hare vermenging met der menschen dochteren handelt; en zulks met

eene uitvoerigheid en op eene wijze, die duidelijk genoeg den tijd van

het ontstaan van dit geschrift, als niet vroeger dan de Babylonische

gevangenis, aantoont. Uit dit stuk, dat wy in 't Grieksch hebben,

zal ik, ter voldoening aan eene hier niet ongepaste nieuwsgierigheid,

het volgende uittreksel bybrengen.

"En het geschiedde, als de kinderen der menschen vermenigvuldigd waren

geworden, en hun schoone en aanlokkelijke dochters geboren waren,

dat de Wachtëngelen haar begeerden; en zij verleideden elkander,

zeggende: Kiezen wy ons vrouwen uit de dochteren van de menschen

der aarde. En Semeïxas, hun hoofd, zei tot hen: Ik vrees dat gy

dit mooglijk niet doen zult, en ik (dus) alleen aan dat overgroote

kwaad schuldig zal zijn. Maar zy antwoordden hem alle: Alle zullen

wij zweeren en ons met een eed verbinden, van dat voornemen niet af

te gaan tot wij het ten uitvoer gebracht zullen hebben. Toen zwoeren

zij allen en verbonden zich met eede.

"Het waren er twintig, die in de dagen van Jared of Jered (den vader

van Enoch) zich op den top des bergs Hermoniim, dien zy daar Hermon

naar noemden, dus met onderlinge vervloeking verbonden." (Van welke

twintig de namen dan worden uitgedrukt.)

"Dus namen zich ook al de overigen in het jaar der wereld 1170"--(Welke

berekening, ten aanzien van Jareds leeftijd, met den Hebreeuwschen

text gants niet overeenstemt, zoo als men weet dat het in 't algemeen

ook met den Griekschen text van het boek van Mozes is)--"vrouwen,

en begonnen zich met haar te vermengen tot aan den zondvloed toe:

en deze (vrouwen) baarden hun drieërlei menschen. De eerste soort

waren de groote Reuzen; en deze reuzen teelden de Naphilim, en uit

dezen zijn de Elioth geboren. En leerden zich-zelven en hunne vrouwen

kruidmengingen en bezweeringen.

"Het eerst leerde Exaël, de tiende Vorst, zwaarden en pantsers,

en alle soorten van wapentuig maken, en de metalen der aarde en

't goud bewerken; en daar maakten zy den vrouwen versiersels en geld

van. Zij leerden elkander zich te blanketten en op te schikken, en met

kostelijke gesteenten te schitteren; en daar werd vele godloosheid

op aarde gepleegd, en daar openlijk roem op gedragen." (Voorts

wordt de uitvinding der kunst van tooveren en onttooveren, der

sterrenkunst, en voorzeggingskunst uit sterren, lucht, aarde, en maan,

gemeld.) "Naderhand vingen de Reuzen aan menschenvleesch te eten, en

de menschen begonnen op de aarde te verminderen. Het overig menschdom

riep den Hemel aan over hunne boosheid en verval.

"En als de groote Aartsengelen, Michaël, en Rafaël, en Gabriël,

en Uriël, dit hoorden, zagen zy neêr uit de heiligheid der hemelen,

en veel bloed langs het aardrijk ziende vergieten--traden zy tot God

en spraken:--

"--Het overspelig en bastaardgeslacht der Reuzen overstroomt de

aarde, en zy is vervuld met ongerechtigheid. En ziet! de geesten der

verslagenen roepen luidkeels, en hun kermen is tot de poorten des

hemels geklommen, enz.

"Toen nam de Allerhoogste het woord, en de Alheilige sprak, en zond

Uriël tot den zoon van Lamech, zeggende: Ga naar Noach en zeg hem in

mijnen naam, verberg u-zelven. En maak hem het naderend einde bekend;

dat geheel de aardbodem vergaan zal.--Onderricht den rechtvaardige,

den zoon van Lamech, wat te doen, en zijne ziel zal in 't leven bewaard

worden, en hy zal in der eeuwigheid ontkomen; en uit hem zal een plant

geplant worden, die door alle geslachten in der eeuwigheid voortduren

zal. En hij sprak tot Rafaël: Ga en werp Exaël met de handen en voeten

gebonden in de duisternissen. Ontsluit de woestijn die in de woestijn

Dodoël is, en werp hem daar weg, dat hy daar voortleve, op scherpe en

ruwe steenen gelegen, en met de duisternissen bedekt.--En tot Gabriël

sprak hij: Ga, Gabriël, naar de Reuzen, naar 't bastaard volk, de

kinderen der hoerery, en verdelg de kinderen der Wachtëngelen door

de handen der menschenkinderen. Doe hen tegen elkander oorlogvoeren

ter vernieling; en laat de lengte hunner dagen tot de dagen hunner

vaderen niet reiken.--En tot Michaël sprak hy: Ga Michaël, bind

Semeïxa en alle zijne medestanders, zoo velen zich door vermenging

met de dochteren der menschen besmet, en haar met hunne onreinheid

bezoedeld hebben; en als hunne kinderen omgekomen zullen zijn, en zy

de verdervende straf hunner gruwelen erkend zullen hebben, zult gy

hen, den tijd lang van zeventig geslachten, in verholen plaatsen der

aarde vastgekluisterd houden, tot den dag toe, die bestemd is om hen

te recht te stellen.--En de Reuzen uit geestelijke en vleeschelijke

wezens geboren, zullen op aarde Boze geesten genoemd worden, en hunne

woning zal boven de aarde zijn."

Dit zal volstaan mogen, om te doen blijken, dat de grond dezer Fabel

niet uit mij gesproten is. En het Dichtstuk-zelf zal bewijzen,

in hoe verre ik van deze oude Mythologie (om het dus te noemen)

gebruik heb gemaakt; of, eigenlijker gezegd, aanleiding genomen heb

ter ontsluiting van eene geheel andere, alhoewel daarmede naauw

samenhangende wareldmengeling van door één zwevende wezens van

geheel verschillenden aart. Ook is by my het Reuzengeslacht niet uit

eigenlijke Engelen of ingestelde Wachtgeesten, maar uit menschen,

onsterflijke, doch van een verhevener aart, Engelen nabijkomende, en

der Engelen speelgenooten, met één woord, Paradijsmenschen, gesproten,

wier betrekking tot het vervallen nageslacht van den gemeenen Vader

ongelijkbaar nader is, en aan de Verbeelding (dus koomt het my voor)

minder tegen kan staan: alhoewel ik voor my, niet inzie, hoe, naar

een redelijk begrip van 't gene men geestelijk en lichamelijk noemt,

in zijn aart en wezen, ook zelfs de mogelijkheid der vermenging van

geesten met menschen niet erkend zou mogen, ja moeten worden.

Niemand, verbeelde ik my, zal mij reden afvergen, veel min ter

verantwoording roepen, over de onderstellingen, die ik my aanmatigde

ten aanzien van den staat en gelegenheid van dien eersten en

vernietigden wareldbodem, met het aardsch Paradijs samenhangende, en

rivieren en streken behelzende, waarvan het aandenken by de benoeming

des later ontbloten gronds wel heeft kunnen vernieuwd worden,

maar die met het geheelal van dien bodem vernield en verbroken

zijn. Mijne eigenlijke en byzondere denkwijze-zelve omtrent dien

vroegeren wareldgrond, stemt reeds op verre na niet overeen met

de Topografie, die ik hier als Dichter vereischt rekende; en hoe

zoude ik haar derhalve buiten dat Dichterlijke doel kunnen of willen

rechtvaardigen? Die zich met my op het grenzenloos meir der Poëzy

inschepen wil, neme in mijn vaartuig, al ware 't een mosselschelp, en

even zoo in den koers dien ik verkies te houden, genoegen, al wilde ik

met de Grieken een zeer veranderlijk en misleidend gestarnte ten gids

nemen. Die beter weet, stappe vrij uit en kieze zich een beter weg;

ziedaar zijn recht, en het mijne!

Na deze herinneringen, vertrouw ik geen verdere voorafspraak of

inleiding noodig te zijn. Indien ik hier iets by wilde voegen, het zou

de versificatie betreffen, die zekerlijk in een Heldendicht ook in

hare mechanic (gelijk men het noemt) vrij verscheiden dient te zijn

van den gewoonlijken daaglijkschen trant, en niet slechts een hooger

en fierder toon, maar daarby ook meer rijkheid, ruimte van omvang, en

afwisseling te hebben, dan eenig ander soort van Poëzy hoegenaamd. Maar

zal men die, in de thands plaats hebbende wanbegrippen omtrent dit

gedeelte der Dichtkunst en de volslagen miskenning harer gronden,

opmerken of onderscheiden? En zou zelfs al wat ik hiervan mocht willen

aanduiden, niet geheel verloren zijn of misverstaan worden, zoo lang

men aan Theoriën vasthoudt, die tegen de gronden tevens van taal,

melodie, en natuurgevoel strijden, en die het gelukkig is dat zy,

die er meê pronken, doorgaands in hun werk-zelf vergeten of over

het hoofd zien? Zoo veel beter is blinde Natuurdrift dan bedorven

verstand! Zekerlijk zoekt men hier ook in een Voorrede geen stelsel

van Prozodie, dat in dit, als in elk Dichtstuk bestaan moet, en dus

ook te vinden zijn voor die de aangeleerde lessen slechts aflegt,

en dan onbevooroordeeld wil opmerken. Echter wenschte ik (kon de

wensch slechts iets baten), dat men by de lezing niet alleen de

verscheidenheden van klanken, die aan ieder der vokalen op zich-zelfs

eigen zijn, wel in acht nam, maar ook inzonderheid mede de scheva,

(die in onze taal zoo gemeen is,) waar zy niet als vokaal geschreven

staat, echter gevoelen, zooal niet hooren, deed, en dus geen trom-len

by voorbeeld, geen daaf-rend, geen herin-ren, geen eig-ne, of een-ge,

uitsprak, zoo dat konzonant tegen konzonant stoot, en er geen de

minste zweem meer van 't dactylische of anapestische (dat onze taal

eigenaartig is, en waar al hare zoetvloeiendheid aan hangt,) overig

blijft. En ik zeg even het zelfde ten aanzien van de eerste persoon in

de werkwoorden, ik word, ik bid, ik spreek, ik zwijg; en dit vooral in

de zoogenaamde Toevoegelijke wijze, als: op dat ik hier niet te veel

over hoop haal. De belachlijke en alle taal verwoestende dolheid,

van de ten opzichte van den klank altijd onvolkomen, en hoe langer

hoe meer bedorven schrijfwijze of spelling, te willen naspreken, heeft

(en menigwerven beklaagde ik dit,) oneindig veel toegebracht om onze

heerlijke moederspraak van de haar eigenaartige kracht, nadruk en

welklank te ontzetten, en brengt onze verzen allengs tot een louter

geweld doen aan 't teder echt Nederlandsch gehoor, dat van ouds nevens

het Italiaansche, het meest zangrig gevoel van alle Europische Natiën

had. Wat my betreft; de Hemel behoede mijne schriften voor Lezers van

zulk eenen stempel, en ik vrees niets zoo zeer, als dat dezen mijn

verzen op hunne wijze welluidend zouden vinden. Ik heb voor omtrent

vijftig jaren, die gemaakte, stijve, en in alles valsche uitspraak

zien opkomen en veld winnen; en het was niet dan onder begunstiging

van de Hoogduitsche domheid en betwetery, dat zy zich vestigde, en

met al het overige wat Holland onthollandschte, samenliep, om het mox

daturos progeniem vitiosiorem by ons in de onvoorbeeldigste kracht

te verwezendlijken.

Dat ik in liet stuk van spelling altijd als tusschen het echte

taaleigen en 't gebruik dat ik in mijnen tijd vestigen zag, ingeklemd

zat, weet ieder. En ik ben overtuigd, dat eene volmaakte algemeenheid

van spellen even zoo belachlijk en onzinnig is, als een algemeen

vaststellen van eene bepaalde Staatsvorm, stelsel van belasting en

dergelijke, welke alle middelen en geene doeleinden zijn, en dus,

in alle opzichten, van allerlei byzondere en zich zeer ongelijke

omstandigheden af moeten hangen; en die dus, zoodra als zy anders

aangemerkt worden, onzinnige opofferingen zijn van waarheid, van

plicht, en van rechten, waaraan men het heiligst ontzag verschuldigd

is, en waar boven men niets op aard stellen mag. Maar de razerny

dezer eeuw was reeds lang, a priori te willen zien, en dus scheppen,

in plaats van, met wijzer tijdvakken, a posteriori te kennen en

in te volgen; en daaruit rees noodwendig, dat het doel voor het

middel moest onderdoen en de zaak-zelve aan het stelsel ten beste

gegeven wierd. De Taal bestaat in geen letterfiguren, maar in levende

klanken; deze te kennen te geven, en dit zoo na mogelijk, is al wat

het schrijven beoogt, en de byoogmerken waardoor men iets meer wil,

hebben altijd de nadeeligste invloeden gehad. En echter wy kunnen

er ons, waar zy algemeen zijn geworden, niet geheel van losmaken,

maar worden, als in 't Newtonianismus de planeten, tusschen de twee

verschillende krachten, van eigen rechtstreeksche beweging, en van

aantrekking, in vrij ongelijke kringen gesleept. Die ellips, hoezeer

met zich zelve nooit gants eenvormig, houdt echter haar eigen gang, en

deze gang is ten mijnen aanzien reeds lang bekend. Ik heb dus omtrent

mijne spelling hier niets byzonders te melden, ten zij misschien dat

ik ten gemak van den Lezer, den derden naamval (dien wy dan toch

eenmaal, het moge in den grond met den aart der taal overeenkomen

of niet, gewoon zijn geworden op zijn Latijnsch van den vierden te

onderscheiden) waar het geschieden kan, met de apostrofe teekene,

die in mijne jeugd bij alle gebogen naamvallen gebruikt werd; het

geen ik ter vermeerdering van duidelijkheid, by ruime en somtijds veel

omvattende volzinnen, niet onnuttig vind, doch niet te min, als al het

willekeurige, gants niet aanprijze.--Liever had ik in de zinsnijdingen

meer onderscheiding ingevoerd, daar ons buiten twijfel een minder of

flaauwer snede dan het Komma, en een tusschenscheiding tusschen Kolon

en Semikolon, ontbreekt, die elk kundig of liever verstandig lezer

wel in acht neemt, doch moeilijk by een vaardig lezen, zonder eenige

aanwijzing vooraf, weet te plaatsen. Doch in het algemeen is het waar,

dat wy, om verzen of proza wel te doen gelden, een duidelijk en licht

verstaanbaar teekenstelsel vermissen, het geen ieder zekerlijk voor

zich-zelven, zoo wel als by 't onderwijs van de uitspraak der taal,

uitdenkt; maar, by de ware muzyk der taal, nog iets meer behelzen kon,

om recht nuttig te zijn. Doch dit kan uit den aart voor het algemeen

niet geschikt zijn, het geen nogthands meer en bepaalder aanwijzing

behoeft, dan onze vier zinteekens met de twee bykomstige van Uitroep

en Vraag, opleveren. Het gebrekkige van deze zinteekens maakt ook dat

zy van volzin tot volzin geene vaste en volstrekte maat van during

aanwijzen kunnen, maar alleen eene betrekkelijke onderling in elken

afzonderlijken volzin; zoo dat somtijds het Semikolon niet meer

during dan elders het kommateeken heeft, en somtijds in tegendeel

zich tot de langere rust van het volkomen kolon (de twee punten)

uitstrekt. Dit in acht te nemen, en ieder volzin, als eenigermate

een byzondere wijze van interpunctie hebbende, aan te merken, zal

aanmerkelijk tot de klaarheid der rede toebrengen. De aanéenschakeling

toch der volzinnen aan elkander, en de naamloze verscheidenheid daarin,

is alleen uit hun vorm- en inhoud-zelven te kennen.

Doch wat trede ik in dit alles, als of het stuk Lezers, als of het

belangstelling genoeg vinden zou, om wel gelezen, wel verstaan, en

wel gesmaakt te worden!--Men schrijve dit aan geene zelfmisleiding

toe, waarvoor ieders eigenliefde zeer vatbaar is, maar die by

my onvereenigbaar zijn zou met den tegenwoordigen toestand onzer

Letterkunde, zoo als ik haar in dit oogenblik zelf beschouwe.--Maar,

indien geene zelfmisleiding, wat is het dan?--'t Is, Lezers dezer

voorrede! eene bloot Dichterlijke omwandeling in de wareld van

verbeelding, waarin 't my zoo dikwijls een lust, zoo dikwijls een

behoefte is, uit te stappen; en die het zoo geheel vreemd niet is,

zoo ik wel eens (men verweet het my somtijds, doch gunne men my deze

troost, en misduide men 't niet!) met de werkelijke wareld, waar wy

in leven, vermenge.

Leyden;

in Bloeimaand 1820.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 9 / 27 题