Laat in den avond, toen alles sliep, ging Adam Feke naar Eli’s huis.
Eéns klopte hij; toen niemand kwam stak hij een sleutel in ’t slot, en
opende de deur.
Het huis was stil en donker, hij liep de gang door, en kwam in Eli’s
kamer.
Eli sliep.
Adam stak het licht aan; op de tafel zag hij een leege flesch.—Hij borg
haar weg,—toen bukte hij zich over Eli heen, en keerde hem een weinig
om, om hem in ’t gezicht te zien.
Hij werd niet wakker.
Adam liet hem zacht weer los; een poos zag hij hem aan, zooals hij lag,
zijn hoofd op zijn arm, zwaar snurkend; daarna zette hij het licht op
de tafel, en ging op een stoel naast ’t bijna uitgedoofde vuur zitten.
De nacht viel...
En Adam zat en luisterde naar al de geluiden van nachtstilte—die hij
kende en herkende als oude vrienden.
Maar later in den nacht was er iets nieuws.
Iets dat zacht neergleed langs het venster.
Adam stond op, en zag uit.
„De sneeuw,” zei hij, „ik verwachtte ’t...”
Ook die zag hij terug als een oude bekende; dat was nu de winter—dit
werden weer de avonden als hij bij ’t vuur zat, en de wereld lag wit om
hem heen; dan was er een rust in al dat wit, die de zomer en de herfst
niet gaven; dit leek zoo goed en zoo rein, alsof het ’t eind was van
alle dingen.
Hij keerde terug naar ’t vuur; vroeger had hij dit niet zoo gevoeld,
toen dacht hij ’t einde anders, verlángde het anders.
Nu niet meer—hij wist nu, „Het Einde” kon nooit anders zijn, hij kon
het zich nooit anders meer denken dan blank en rustig...
Eli kreunde zacht... Adams gedachten trokken naar hem.
„Voor hèm ook—voor Eli ook. Hij stond er nu nog midden in,—overal òm
hem de ellende,—dat gebeurde zoo in je leven,—alles tegelijk, en dan
was je wanhopig,—maar je kwam er uit,—en dan later—véél later, Het
Einde—stil verlangd, rein... voor hèm ook—Jelle’s kind...”
De nacht verging... de sneeuw viel snel en dicht, en begroef alle
herinnering aan zomer, in strak-wit.