XV.

Twee weken kropen om.

Nòg ging het werk voort; want de vorst was niet ingevallen, die het

voortwerken onmogelijk maken zou.

En somber, met steeds korter dagen, ging November voorbij.

Soms waren het stille, witte mistdagen, laag en kil over het land; dat

was nog het beste.

Maar dan weer kwamen de dagen, dat de storm den regen onafgebroken

zweepte over de vlakte—en het schoone land van dien zomer werd van een

eindelooze naargeestigheid.

Eli dacht dikwijls: „als het nog zomer was, zou alles zóó ellendig niet

zijn.”

En uiterst vatbaar voor indrukken, den laatsten tijd meer dan ooit te

voren, drukte die altijd grijze, sombere lucht hem ondragelijk.

De vorige week, toen hij ’t loon zou betalen, had hij ’s nachts ’t

uitgedacht: hij zou hun zeggen, dat hij de volgende week niet meer kon

laten werken, dat hij niet in staat was meer ’t loon te betalen. Hij

wist precies de woorden, waarmee hij het hun zeggen zou, en op hun

verwijten antwoorden.

Maar toen hij het loon ’s avonds uitbetaalde, liet hij hen heengaan

zonder iets te zeggen.

Later was dit hem een kwelling, te denken, hoe hij het oogenblik had

laten voorbijgaan; als hij het toen had gezegd, zooals hij zich vast

had voorgenomen, was nu het ergste gebeurd.

Hij kon ’t niet doen.

Toen deed hij een laatste poging; hij trachtte een nieuwe hypotheek op

de Kloeve te krijgen.

’t Mislukte.

En nu begonnen die dagen van ondragelijke kwelling, wetende niet in

staat te zijn aan ’t eind ’t volk te betalen.

Iederen morgen dacht hij: „ik kàn niet vandaag er heengaan en meewerken

of alles is als vroeger.”

En elken morgen ging hij.

Het volk scheen ’t niet te vermoeden.

Toen Eli betaald had, nadat hij bij Michiel was geweest, was ’t

wantrouwen verminderd.

„Als hij nog geen geld had, waar zou hij ons dàn van betalen?” zeiden

ze.

En de oude Brandt vermaande:

„Bedaard jongens. Eli is altijd eerlijk geweest.”

Elken dag was in Eli de verzoeking sterk, den achterweg te nemen, als

hij naar de smidse ging, niet langs de woningen van het volk,—en elken

dag overwon hij zich, en ging er langs en groette, soms zelfs met ’n

enkel woord tot de vrouwen.

Hij dronk veel; als hij het nu een dag liet, was hij totaal verslapt en

uitgeput; iederen dag nam hij zich voor ’t niet te doen, en altijd weer

bezweek hij ’s avonds.

Hester en niemand vermoedde dit, hij verborg het nog volkomen.

Adam wist het; maar hij wist het al lang en had het verwacht.

En bij toeval wist Berend Ross het.

Op een avond, terugkeerend van Geert Dule, aan wien hij zijn werk had

verkocht, kwam hij even bij Eli binnen. Eli had vergeten zijn deur af

te sluiten.

Toen hij binnenkwam rees Eli op, en Berend zag hem half beschonken,

onvast op zijn beenen, hem aanstarend met een woesten schrik in zijn

oogen.

Berend deed toen, wat zijn eenvoudige eerlijke natuur hem zei.

Hij ging niet dadelijk heen, en zag hem niet verwonderd of ontsteld

aan.

Half van Eli afgekeerd, ging hij kalm voor ’t raam zitten, en zei:

„Ik kom net terug van Geert Dule—de heele voorraad is weer weg; en je

weet wel, die dansende beer? daar heeft hij ’t dubbele voor gegeven...”

Eli antwoordde niet, hij zat doodstil ineen gedoken.

Berend sprak bedaard voort.

„Ik heb gedacht, jij was er zoo verzot op en Hester ook, ik zal voor

jullie een nieuwen snijden, dan kan jullie ’m in je huishouden zetten

later...”

Eli maakte een onwillekeurige beweging...

Berend verstond het.

„Och—jullie hebben nou zorg, en je denkt, dat is nog zoo ver, dat zal

misschien wel nooit gebeuren—maar dat zal ’t wel—eindelijk kom je d’r

wel—altijd wel anders dan je vroeger hebt gedacht.”

„Ik zou niet weten—hoe...” zei Eli—„hoe alles voor mij nog goed

wordt...”

„Och, dat begrijp je dan ook niet—dat heb ik ook altijd gedacht—en

nou—wordt ’t toch goed...

„Zie je,—dàn zet je je d’r eens tegen in—en dàn ben je baloorig en

drinkt eens om je verdriet te verzetten—maar dat is voor één keer—geeft

ook al niet... ’t eenige is—je moet maar doorploeteren—je er

doorvechten en—en altijd maar werken blijven—dan kom je er op de een of

andere manier—en ’t zal wel een goede manier zijn dan... en zoo doe jij

ook—natuurlijk, al denk je nou van niet—eindelijk kom je er toch weer

toe. Waarom jij niet? Jij kan meer dan de meeste menschen, als je maar

sterk genoeg bent om vol te houden—is ’t niet met ’t een, dan met ’t

ander.”

„Je weet niet alles,” zei Eli.

„Nee—misschien staat alles wel heel slecht voor je nou—maar als je daar

overheen bent, begin je maar weer wat anders. Zoo hou je jezelf

erboven.”

Eli zweeg; op dit oogenblik was hij niet in staat een indruk op te

nemen—maar later herinnerde hij zich Berend en zijn woorden op dien

avond als iets helders in dien grauwen tijd.

Toen Berend opstond om heen te gaan, vroeg hij:

„Morgen kom je zeker aan?”

„Ja.”

Buiten de deur wachtte Berend even, tot hij Eli van binnen had hooren

sluiten; toen ging hij weg.

Er was iets van ontspanning in Eli gekomen; hij sliep dien nacht

rustiger. Een paar keer werd hij wakker en herinnerde zich Berends

woorden.

„Dan begin je weer wat anders—jezelf er door vechten...”

Berend liep langzaam naar de smidse. Dicht bij huis kwam hij den

postbode tegen. Had hij een brief van Foeko gebracht? Hij schaamde zich

het den man te vragen, drie keer deze week had hij al vergeefs

gevraagd.

Binnengekomen, waar zijn moeder en Hester zaten, wachtte hij even of

zij iets zeggen zouden; zij zeiden het altijd dadelijk als er een brief

was gekomen.

Maar zij zeiden niets.

Stil ging hij naar zijn werkplaats.

En langzaam trachtte hij zich te wennen, niet op te zien, als de bode

langs kwam.

Het beloofde land · 第 22 / 33 题