Mijn Wraak.
Ik heb gewacht en gehoopt.—Niet als een angstige moeder met bevend
verlangen wacht op haar kind.
Niet als de jonge man met vreugd-kloppend hart wacht op zijn liefste...
Ik heb gewacht als een hongerige—gehongerd, gesmacht heb ik naar de
ure, dat ik weten zou:
Hoe hij geboet heeft voor zijn misdaad aan mij, zijn broeder.
Dat ik weten zou, hoe mijn vloek zich vervulde aan hem:
„Hij zal niet rusten, eer hij zijn schuld aan mij zal hebben betaald.”
Ik zal niet stérven kunnen, eer ik wéét, dat het zich heeft vervuld.
Ik—wacht op een teeken...
Er zijn zoovele jaren gegaan,—ik ben oud.
De lange zomeravonden vlamde de hemel bij ondergaande zon; als dan
langzaam de gloed bleekte—en de sterren kwamen in stillen, ernstigen
avond,—heb ik lang gezeten en dat alles aangezien, en ’t is geweest, of
ook mijn vlammende haat is ondergegaan.
Ik heb de donkere nachten vaak wakker gelegen—en hoorde den wind, die
fluisterde en suiselde langs het venster—en ’t is geweest, of hij iets
gestild heeft in mijn onrustig hart.
De lange winterdagen heeft de witte sneeuw het land bedekt heinde en
ver.
En ’t is geweest of zij met haar kouden, blanken vrede iets koelde van
mijn brandenden haat.
Heden is ’t gebeurd—het teeken, maar het is anders dan ik eens had
gedacht.
Hij is gekomen in mijn droom—en zei woorden, die ik niet verstond—en ik
liet hem binnen.
Er was niets in mij dan vrede.
Zijn oogen heb ik gezien, lang en ernstig in de mijne starend—en toen
haatte ik niet meer.
Er was iets anders in dan vroeger—iets dat mij pijn deed...
Heeft ook hij moeten wachten? Waarom verstond ik de woorden niet?
Ik zag zijn lippen bewegen—en hoorde de klanken—en verstònd hem niet.
Zal ik het ééns kunnen verstaan? Heb ik nog niet lang genoeg geleefd?
Mijn God, is ’t dàt?
Moet zóó het begrijpen in mij komen?
En de vrede...?