PROLOOG

Aan den rand van de hei lag het Heihuis; gebeukt door de rukwinden, die

aanloeiden over de verre heivelden, gegeeseld door sneeuw en hagel,

gezengd door de brandende zon, die gloeiend de hitte deed opslaan van

den gebarsten grond.

Sinds overoude tijden had het Heihuis daar gestaan in de norsche

eenzaamheid van de verre hei, en van vader op zoon hadden de Bags het

bewoond.

Het was een geslacht, afgescheiden van de overige bevolking; afstammend

van eenmaal beruchte vrijbuiters, had zich in hen bewaard het oude,

vurige bloed; waren de Bags kernachtiger, slechter, krachtiger, sluwer,

grooter, zelfs in hun ondeugden; edelmoediger, fierder.... de Bags,

forsch van lichaam, met den eigenaardig scherp gesneden roofdierkop, en

zware bewegelijk kaak.

Zwervers waren zij eenmaal, en onrustig, ongedurig waren zij gebleven,

zelfs toen zij reeds grondbezit hadden in het dorp en te Boge; te

ongedurig om lang te blijven op één plaats, verdwenen ze soms tijden

lang, huis en hof overlatende aan onderhoorigen.

Hun vrouwen zochten ze op hun zwerftochten in verre streken; altijd had

een vreemde vrouw, langer en forscher van bouw dan de vrouwen uit het

dorp, als meesteres geleefd op het Heihuis.

Het was het eigenaardige van hun geslacht, dat zij zich zoo weinig

hadden vertakt; bijna altijd was de eenige zoon meester gebleven op het

Heihuis.

Van oudsher had een band bestaan tusschen de Bags en de boeren; dat

volk, apathisch, lui, ledig den tijd slijtende in armoede, maar

aanhangende met blinde trouw dengene, aan wien ze zich eens hadden

gehecht; het was een trouw, overgeleverd van geslacht op geslacht; het

was het onwillekeurig eischen van diensten soms, en het even

onwillekeurig gehoorzamen daaraan.

De oude Martin Bag, de grootvader van Jelle Bag, legde, door in zijn

ouderdom te huwen met de dochter van een rijken boer uit Boge, den

grondslag tot ’t landbezit van zijn geslacht. Sinds dien behoorde de

uitgestrekte „Kloeve” aan de Bags.

Er was één Bag geweest, verschillend van de overigen; deze Eli, de zoon

van Martin, stond als een geheel aparte figuur tusschen zijn geslacht.

Als de dorpers hem zagen gaan, lang, bleek, met wél den eigenaardigen

Bagkop, maar zonder het kenmerkend scherpe, bijna wreede, verzonken in

zijn droomerijen, met de vreemde, starende oogen, ontweken ze hem

schuw; hem vreezend in hun duister bijgeloof, om zijn volkomen eenzaam

bestaan; waar hij leefde, geheel verzonken in zijn arbeid, het

navorschen van natuureigenschappen met zonderling onbeholpen

werktuigen.

Zijn zoon was Jelle Bag. Misschien was nooit een Bag geboren, met de

oude natuur zijner vaderen krachtiger in zich.

Hij breidde de „Kloeve” uit en beheerde den allereersten tijd het goed

scherpzinnig en nauwkeurig. Evenals al de Bags laat getrouwd, vierde

hij in zijn jonge jaren al zijn dolle lusten bot, maar de boeren

hielden van hem, ontzagen en vreesden hem, een vrees om al de geruchten

die van hem gingen, waarvan niemand het ware wist; en ze hingen hem

aan, om zijn groote, bijna kinderlijke vroolijkheid en ruwe

goedhartigheid.

De vrouw van Jelle Bag kwam zelden in het dorp; zij was een kleine

vrouw, met een kinderlijk gezicht, stil en teruggetrokken; bij de

boeren kwam zij nooit, zooals Jelle. Die was bij hun feesten, zat bij

hen, en praatte en dronk met de mannen, en schertste zijn ruwe scherts

met de vrouwen; en zij hadden hem lief! Als hij aankwam, liepen ze aan

hun deur, en riepen hem vroolijke groeten toe, en hij schreeuwde terug

met zijn luide, lachende stem, die ver in ’t rond klonk. In de tijden

van strenge vorst, als ellende en gebrek het dorp teisterden, liet

Jelle Bag groote hoeveelheden levensmiddelen komen uit de stad. En het

was een van de eerste en sterkste indrukken, die de kleine Eli, hun

zoon, behield van zijn vader: zooals hij eens was komen aanrennen met

zijn wagen, zijn reuzengestalte rechtop, schreeuwend en lachend met

zijn door veel dronkenschap gevlekt rood gelaat; en de mannen juichten

en lachten; en de vrouwen trokken angstig hun kinderen uit den weg voor

zijn woeste vaart, en de honden blaften en sprongen tegen den wagen op.

En midden in het dorp, in al dat rumoer, hield hij stil, en zijn

frissche stem overklonk alle geluid, terwijl allen om hem heen drongen

en hij tusschen hen staande, de spijzen uitdeelde aan ieder met een

goedhartig woord en ruwe grappen.

Eli vergat dit nooit, het was het prachtige, het grootsche, dat hij

behield in zijn kinderverbeelding, en zoo bleef hij zijn vader zien in

een glorie. Maar Maria Bag zag men bij die gelegenheden nooit.

Zij was het kind van rijke pachters bij Brogs; zonder liefde was zij de

vrouw geworden van Jelle, omdat het haar in Brogs verveelde; uit een

soort vreesachtig ontzag had zij zich aangetrokken gevoeld tot dezen

man, die haar waarlijk lief had met al de ongedurige heftigheid van

zijn natuur, al den hartstocht van zijn wenschen en begeeren. Maar

eenmaal in het eenzame Heihuis, waar zij zich ongelukkig voelde, met

een man die haar angst en wrevel tegelijk gaf, berouwde haar iederen

dag meer haar huwelijk; en niet kunnende waardeeren zijn groote liefde

voor haar, trok zij zich van hem terug, stootte hem af met scherpe,

bitse woorden.

Jelle Bag was niet heel fijngevoelig; als ze hem buitengewoon ergerde

voer hij driftig tegen haar uit, tot zij bevend van angst en toorn

wegliep; dan gaf hij zich over aan drinkgelag, om zoo gauw mogelijk

zijn ergernis te vergeten.

Maar bij Marie steeg de wrevel tegen haar man: zij had niet in zich wat

de vorige vrouwen der Bags hun booze luimen had doen verdragen; een

groote liefde, en dit was, wat Jelle Bag noodig had.

Toen het kind, Eli, opgroeide, werd Jelle voor een poos kalmer; hij

hechtte zich sterk aan zijn zoon, en trok hem geheel tot zich; hij

begon hem mee te nemen op zijn tochten te paard, en overnachtte dan

dikwijls in een verre hoeve.

Dikwijls ook nam Jelle hem mee naar de hut van Adam Feke, midden op de

hei; en Eli zag altijd met verwondering naar dien kleinen grijzen man,

die uren lang met zijn vader kon praten. Als hij alleen was met Adam,

speelde deze voor hem op zijn fluit, maar als Jelle kwam, hield hij op,

want Jelle zei lachend, dat hij die fluit niet hóóren kon. Dan liet

Adam het, want Eli bemerkte toen al, dat Adam nooit iets weigerde aan

zijn vader.

Het was een sterke vriendschap van de twee mannen, sinds hun

kinderjaren; een gehechtheid van den ouderen Adam aan Jelle, dien hij

bewonderde als zijn meerdere in kracht, en liefhad met een

fijngevoelige toegevendheid om zijn onbesuisde goedhartigheid, zijn

weinig verstandelijk doorzicht bij zijn groot kinderlijk hart.

Het was een vriendschap, nooit veranderd of verminderd; toegenomen nog

in de jaren toen Jelle al lang meester was op het Heihuis en Adam

woonde in zijn eenzame hut op de hei.

De ouderen in het dorp herinnerden zich den tijd, toen Adam Feke en

zijn broeder Geert smids waren in Boge; dat hun werk, vooral dat van

Adam, al het werk in den omtrek overtrof. En zij wisten te vertellen

dat Adam Annelies Bruis liefhad sinds zij kinderen waren, en in dien

zomer, dien iedereen zich herinnerde, toen de hitte zoo groot was, dat

alle gewas verschroeide, zou Annelies de vrouw worden van Adam Feke.

Het ware van wat toen gebeurd was, wist alleen Jelle Bag. In die dagen

zat Adam veel in zijn werkplaats; nog laat in den nacht zag men zijn

licht branden. En terwijl zijn hart was vervuld van Annelies, legde hij

die liefde in zijn werk; en hij zocht en zocht altijd weer naar een

wijze van bewerken, die aan het blanke staal een eigenaardigen glans

zou geven; hij zag in zijn geest de voorwerpen, die hij maken zou, en

het zou alles spreken van zijne liefde voor Annelies.

Maar in dien tijd, als Adam arbeidde, was Geert bij Annelies, en

langzaam ontstal hij Adam haar liefde. Adam wist niets—hij arbeidde. En

eindelijk vond hij het; maar nòg zei hij het niet aan Annelies; hij

wilde haar verrassen, tot haar gaan en zeggen, dat zij het was, die dit

in hem had gewrocht.

Toen onverwachts op een avond liep hij uit zijn werkplaats, met het

eerste, pas voltooide stuk werk, naar haar huis, waar hij haar dacht,

op hem wachtende—en vond hen beiden, Geert en Annelies.

Adam sprak niet; hij stond daar lang en stom, en zag hen aan met

scherpe oogen; en hij deed niet wat het allereerste oogenblik in hem

opbruiste: op zijn broeder aanvliegen en hem wegschoppen uit dat huis,

waar men hem laag had beroofd van alles—hij bedacht, dat zij niets meer

van hem was nu—en hij zweeg en zag hen aan, terwijl alles in hem

stierf.

Eindelijk keerde hij zich om, en ging terug naar zijn werkplaats.... en

zat daar den ganschen nacht, en alleen de oude trouwe dingen van werk

zagen zijn smart.

Den volgenden dag waren Geert en Annelies weg; Adam sloot de smidse en

ging wonen in de eenzame hut, midden op de hei, ver van de menschen.

Zijn werk raakte hij niet meer aan. Annelies was de ziel geweest van

alles, zijn werk, zijn leven—en zij had alles in hem gedood. En hij

leefde voort, een vroeg oude man, stil, verloren. De boeren waren

gewend hem te zien rondzwerven, uren ver over de hei, of te hooren den

klagenden toon van zijn fluit. Bijna nooit kwam iemand in zijn hut,

alleen aan Jelle Bag had hij zich vaster gehecht, als ’t eenige wezen,

dat hij liefhad, en dikwijls, als heftige woorden waren gevallen op het

Heihuis, ging Jelle Bag naar de hut van Adam Feke, en bleef daar

verscheidene dagen.

Maria scheen hieraan gewend. Heel in ’t begin zag men haar soms op den

weg staan en uitzien, als Jelle met het kind weg was; later nooit meer.

Maar dikwijls, als Jelle Bag thuis was, reed zij in den wagen naar

Brogs, en bleef langer dan een week weg.

Eli bleef teer en fijngebouwd. Als Jelle voorbijstoof met het kind voor

hem op ’t paard, deed het denken aan een klein wit vogeltje tegen zijn

breede borst.

Eéns ging een gerucht door het dorp, dat Maria Bag van haar man was

weggevlucht—het kind had zij achtergelaten, uit angst, dat Jelle anders

haar schuilplaats zou opsporen... De oude Rosa vertelde het, bleek en

bang, vreezend den terugkeer van haar meester... Maar laat in den avond

hoorde het volk op den weg een dollen hoefslag en aan hun deuren

gesneld, zagen zij Jelle Bag voorbijstuiven op zijn groote zwarte

merrie. Hij leek dronken, en hing diep over den hals van het paard, dat

hij onophoudelijk spoorde; en bij het even-lichtschijnsel van een

lantaarn, zagen zij zijn gelaat verwrongen, met strakke oogen staren in

den duisteren avond.

Den volgenden dag vonden boeren hem op den weg bij Boge, bewusteloos,

met een wond aan het hoofd. Blijkbaar was hij in zijn blinde drift van

’t paard geslagen. Ze namen hem op en gingen Adam Feke waarschuwen, die

het dichtst bij woonde; en de mannen zagen met verbazing, hoe de

tengere, schijnbaar krachtelooze man, de reuzengestalte van Jelle Bag

op zijn armen beurde, en naar zijn hut droeg.

Toen hij genezen was, woonde hij weer in ’t Heihuis, alleen nu met

Rosa, die voor ’t kind zorgde, en een knecht.

Hij kwam toen zeer zelden meer in het dorp; als hij er kwam, zat hij

ineengezakt op zijn stoel, naar alles vragend, vrijgevig, goedhartig

als altijd, langzamerhand zelfs terugvindend zijn vroegere, ruwe

scherts, maar een wrak van wat hij ééns geweest was;—zich mateloos

overgevend nu aan zijn oude kwaal, dronkenschap, leek hij met zijn

waggelenden gang, gebogen rug, en een uitdrukking van zorg op zijn

rood, gevlekt gelaat, een oude man.

Voor den kleinen Eli kwam nu de tijd, die een grooten invloed had op

zijn karakter voor heel zijn leven. In het sombere Heihuis, met zijn

bijna altijd dronken vader, begonnen in dien tijd dingen zich voor ’t

eerst helder af te teekenen in zijn kinderbegrip. Al het vroegere, de

tijd toen zijn moeder nog op het Heihuis was, en een zekere beschaving

en weelde daar heerschten, de heerlijke lange tochten met zijn

vroolijken vader te paard, bleef hem bij als iets moois; hij was toen

nog te klein om de dagelijksche twisten van zijn ouders op te merken,

of er onder te lijden.

Het werd nu iets anders. Tusschen dagenlange verwaarloozing kwam soms

bij zijn vader de plotselinge behoefte op, hem te liefkoozen, hem bij

zich te hebben. En Eli behield deze oogenblikken altijd in zijn

herinnering; hij zag zijn vader de kamer uitkomen en om hem roepen; als

Eli dan gauw kwam aanloopen, tilde hij hem op, en nam hem mee naar zijn

kamer, zette hem op zijn schoot, en vertroetelde en kuste hem; zoo’n

heelen dag dan hield hij hem bij zich, vertelde hem de eene

geschiedenis na de andere, voortdurend drinkend, tot hij eindelijk

dronken insliep.

Dan sloop Eli weg; hij was nooit bang voor zijn vader, want Jelle Bag

zou hèm zelfs in zijn buien van dronkemanswaanzin altijd ontzien; en

hij bleef van hem houden, als ’t eenige wezen dat er wàs om lief te

hebben.

Zijn grootste vreugd was Adam Feke; als hij kwam op ’t Heihuis, speelde

hij met Eli, vertelde hem verhaaltjes, leerde hem knutselen, en nam hem

soms voor een paar dagen mee naar zijn hut. Toen reeds viel het Eli op

als iets buitengewoons, hoe groot de liefde en eerbied waren, waarmee

Adam zijn vader altijd bejegende of van hem sprak.

In dien tijd begon het kind zijn moeder te missen; de herinnering aan

haar was te flauw, dan dat hij naar haar kon verlangen om haarzelfs

wil; maar hij zag, dat andere kinderen een moeder hadden, die voor hen

zorgde; Rosa zorgde voor hèm, maar hij voelde instinctmatig, dat dit

iets anders was.

Hij werd een heel gevoelig, teer kind, lastig, in zichzelf gekeerd,

heerschzuchtig, door Rosa toegegeven in al zijn grillen; uiterst

kwetsbaar, met een voor zijn leeftijd zeer scherpe opmerkingsgave; een

kind geschapen om gekoesterd te worden, met een groot verlangen naar

liefde-geven en liefde-ontvangen. Een onvriendelijk woord van iemand

kon hem dagen lang die persoon doen ontwijken, en het duurde heel lang

eer hij het vergat.

Naarmate hij ouder werd waren de dronken vlagen van Jelle Bag voor Eli

een grooter pijniging. Niet, dat hij in zijn kinderbegrip dronkenschap

iets slechts of verachtelijks kon vinden, maar het woeste getier, de

ruwe woorden, de afwezigheid dàn van alle goedhartigheid, die anders

Jelle Bag bléven kenmerken, waren hem een hel van ellende. En in de

goede tijden kon hij den schrik van die buien niet meer vergeten.

Eli begon toen meer aan zijn moeder te denken; hij vroeg herhaaldelijk

aan Rosa, waar zijn moeder was, waarom zij was heengegaan. En de dwaze

oude vrouw, eindelijk zwichtend voor zijn dwingen, vertelde hem, dat

zijn moeder hem verlaten had, en nu ver weg woonde.

Eli zat een poos doodstil, met groote starende oogen—en toen Rosa

verschrikt zweeg, en hem wilde liefkoozen, sloeg hij haar van zich af,

en liep weg, en ontweek haar de eerste dagen.

Het was voor hem een openbaring van schaamte en vernedering; hij kon

niet inzien de schuld, de lage daad van zijn moeder; maar plotseling

zag hij:

„Alle kinderen, die hij kende, hadden hun moeder kunnen houden, hun

moeder hièld van hen, wou niét van hen weg; maar hij was zeker een te

akelig, klein vervelend kind, waar zijn moeder niet van houden kòn—en

daarom was zij weggegaan.”

En in dien tijd kwam een groote bitterheid in zijn karakter door de

vraag, waarmee hij zichzelf afkwelde:

„Waaròm hij dan niet was als andere kinderen—waarom dan zooveel

naarder?”

De oude Rosa begreep niet, wat ze aan hem misdaan had, maar hij vergaf

’t haar nooit, dat zij dat ongelukkige gevoel over hem gebracht had,

door ’t hem te vertellen.

Het maakte hem schuw, bang zich te vertoonen, en een kwetsend woord te

hooren of een verwijt; hij speelde weinig meer met de andere jongens,

maar zocht altijd zijn vader, in een hunkerend verlangen naar

teederheid. En tot Jelle Bag spràk dat bleeke, trotsche kindergezicht,

dat zoo verlangend hem kon aanzien, en hij deed meer zijn best zich in

te houden als Eli bij hem was.

Er was één mensch, dien Eli zijn vertrouwen gedeeltelijk schonk: Adam

Feke.

Eens toen hij in Adams hut zat, vroeg hij plotseling:

„Adam, waarom ben ik niet zooals de andere kinderen?”

De oude zag verbaasd op.

„Wat praat je toch, Eli?”

De jongen lag languit op den grond, krassend met een spijker over de

steenen, en met een donkeren blos zei hij zonder op te zien, haperend:

„Hoe of ’t toch komt, dat moeder niet van mij hield, en niet bij mij

blijven kon...?”

Adam begreep het plotseling; met een trek van smart en toorn op zijn

gelaat, tilde hij den knaap op en trok hem op zijn knie.

„Jij bent niets minder dan anderen, je bent ’n echte Bag, maar je moet

liever nooit meer over je moeder denken—wees alleen maar blij, dat je

je vader hebt en die houdt van je, en ik ook, en alle menschen...”

Eli vergat dit óók nooit. Waarom moest hij maar niet meer aan zijn

moeder denken...? Maar hij geloofde Adam onvoorwaardelijk, en hij deed

zijn best te denken, zooals Adam zei.

Adam was hem ook ’n raadsel. Waarom leefde hij zoo ver van de andere

menschen, en waarom speelde hij zoo uren lang op zijn fluit? Maar hij

speelde niet zooals Hent en Renier; Eli voelde het als iets heel

vreemds, het was een toon, dien hij, toen hij ver weg was, nooit kon

vergeten, die hem als kind, als hij alleen bij Adam zat in zijn eenzame

hut, en niets zag dan de verre vlakte, waarover tegen den avond

langzaam de nevels aanzweefden, bijna angstig maakte.

Op een heeten zomerdag stierf Jelle Bag plotseling. Eli was toen twaalf

jaar. Hij herinnerde het zich later alles nauwkeurig; hij had den

heelen morgen over de hei gezworven, en toen hij op den weg naar het

Heihuis kwam, vloog Rosa hem schreiend tegemoet, en zeide hem, dat zijn

vader heel ziek was.

En Eli kwam van den zonnigen weg buiten in het donkere vertrek. Hij zag

zijn vader liggen, roerloos en bleek, en Adam Feke, die op zijn knieën

voor hem lag; de eene hand van den doode rustte op Adams arm.

Van wat toen gebeurde, had hij geen duidelijke herinnering; hij wist

alleen dat Adam hem had opgenomen en weggedragen, en later bij hem zat

en zacht tegen hem sprak.

De droefheid van Eli was groot en bitter, hij voelde zich verlaten als

Adam er niet was, en volgde hem als een schaduw. In die dagen kwamen de

dorpelingen allen van Lode, en wilde nog eens voor ’t laatst Jelle Bag

zien; en de mannen en vrouwen, die daar stil en eerbiedig binnenslopen,

een wijle stonden, en dan weer zacht heengingen, zagen medelijdend naar

den teeren knaap, die zoo alleen bleef in ’t Heihuis.

Maar den tweeden dag, na Jelle’s dood, gebeurde voor Eli iets

wonderlijks.

Hij hoorde een wagen stilhouden, en toen hij in de gang kwam, zag hij

een vrouw het huis binnengaan. Deze vrouw was klein en jong; zij

kleurde toen zij den knaap voor zich zag, en kuste hem toen zacht.

Hetzelfde oogenblik kwam Adam Feke buiten, hij bleef staan, verbaasd en

toornig; zij sprak een paar woorden, die Eli niet verstond, en Adam

antwoordde kort, daarna gingen zij samen binnen.

Met een kloppend hart bleef Eli luisteren; hij hoorde nu Adams stem

hard en scherp, zooals hij die nog nooit gehoord had, en de hare

zacht-bevend; eindelijk hoorde hij hen gaan naar de kamer waar Jelle

lag, en stil sloop hij naar binnen.

Hij zag toen zijn moeder, bleek, midden in ’t vertrek, en Adam stond

naast de baar; zijn grijs hoofd was gebogen, en zijn hand lag op ’t

voorhoofd van den doode, als om hem voor iets te beschermen. En Eli

verwonderde zich, waarom zijn moeder niet evenals Adam bij zijn dooden

vader ging, en alleen maar uit de verte schuw naar hem keek.

Eindelijk zei Adam:

„Je moeder is gekomen, om je mee te nemen, Eli.”

In den knaap sprong één oogenblik het geluk op, dàt zijn moeder was

gekomen om hem te halen, dàt ze nu zouden zien, Rosa en iedereen, dat

hij niet minder was dan een ander kind—en ademloos vroeg hij:

„Ga ik, Adam?”

De oude man knikte zwijgend.

Maar in Eli’s gevoelige kinderziel brandde zich vast Adams droevig

gezicht; hij dacht plotseling, hoe hij weg zou moeten van Adam, van

zijn vader, van alles hier, en tegelijk kwam met heftigen wrok boven:

„dat zijn moeder maar altijd was weggebleven, en nu hem wel weghalen

kon,”—en snikkend vloog hij naar Adam, en klemde zich aan hem vast,

klemde zich vast aan zijn dooden vader, roepend:

„Dat hij niet weg wilde—dat hij niet ging....”

Dit was misschien het eerste bittere oogenblik voor Maria Bag, toen zij

den knaap zich van haar zag afkeeren, en zich vastklemmen aan alles,

wat haar vijandig tegenover had gestaan.

Maar twee dagen later ging zij met Eli heen; Adam Feke had zijn eigen

droefheid tot zwijgen gebracht, en Eli’s welzijn inziend, hem overreed

met zijn moeder mee te gaan. En terwijl hij sprak van al het nieuwe,

dat hij zien zou, het groote huis waarin hij ging wonen, zag hij

langzamerhand in het kind het verdriet verminderen, en het verlangen

naar al dat onbekende stijgen.

Het afscheid was een laatste groote droefheid voor Eli. Adam stond

naast den wagen, en hield den jongen in zijn armen, terwijl Eli

snikkend aan zijn hals hing.

Toen plotseling zette Adam hem neer, en zonder Maria Bag te groeten of

aan te zien, keerde hij zich om, en liep snel den weg af. En zoo

behield Eli hem langen tijd in zijn herinnering; zijn kleine, tengere

gestalte haastig voortloopend, terwijl zijn lange grijze haren wijd

uitwoeien in den wind.

Het werd toen voor Eli een geheel nieuw leven.

Hij kwam erin, schuw, vreemd, wantrouwend, ongelukkig; hij ging nu op

de school in Brogs met andere jongens van zijn leeftijd; maar slechts

heel langzaam en moeielijk liet de herinnering aan zijn vroeger leven

hem los. Het terug-verlangen naar Adam, naar zijn vader, maakte hem

lang norsch, gesloten, vreemd tegen zijn nieuwe omgeving. Er was iets

anders in zijn karakter gekomen; vroeger opende zijn hart zich voor

elke vriendelijkheid, nu lieten de liefkoozingen van zijn moeder hem

koel. Het bleef het na-voelen, het wrevelig niet-begrijpen, waarom zijn

moeder hem vroeger zoolang had verlaten; maar hij zei het haar nooit.

Voor Maria bracht deze tijd de groote teleurstelling van haar egoïste

hoop: dat dit kind haar nu liefhebben zou.

Langzamerhand won zij hem wel, sleet zijn terughouding uit door het

nieuwe leven, waarvan hij, toen hij zich eenmaal moeielijk eraan gewend

had, genieten ging.

Hij vond toen den omgang met andere jongens van zijn leeftijd heerlijk.

Gezien onder zijn vrienden en op school door zijn eigenaardige

persoonlijkheid, met zijn groot overwicht op anderen, altijd een der

eersten bij hun spelen, met veel spierkracht, schoon feitelijk nooit

van een sterk gestel, was dit voor hem een waarlijk gelukkige tijd.

Maar hij zocht zijn plezier altijd buitenshuis, hij zou nooit verlangen

eens bij zijn moeder te zitten en met haar te praten; thuis was hij een

schijnbaar onverschillige jongen, zijn wil doordrijvend; zij hem zwak

toegevend in al zijn grillen, zonder hem ooit geheel te kunnen winnen.

In dien tijd had zij hem kunnen winnen door groote vastheid van

karakter, door hem te dwingen haar hoog te houden, tegen haar op te

zien; maar zij kon geen eerbied in hem wekken, en dat was voor zijn

natuur noodig, wilde hij iemand liefhebben. Ze liefkoosde hem, gaf hem

zijn zin, en verlangde van hem liefkoozingen, en leefde overigens haar

eigen leven. En ze voelde niet, dat ze hierin te kort schoot; in haar

zwakke natuur kon nooit een groot gevoel leven, ze verlangde lief te

hebben, maar ze kon zich er niet voor opofferen; ze besefte niet, waar

ze in gebreke bleef, maar ondervond pas de gevolgen, en was dàn

ongelukkig. En zoo bleef er altijd iets tusschen hen; zij irriteerde

hem, niettegenstaande hij te goedhartig was, om geen spijt te voelen,

als hij een enkelen keer haar onvriendelijk behandelde.

Toen hij ouder werd, opende zich zijn begrip voor de daad van zijn

moeder; hij zag toen plotseling volkomen haar schuld aan hem en zijn

vader. De leefwijze van zijn vader mocht zijn leven verduisterd hebben,

hij had nooit een wrok tegen hem gevoeld; maar te sterk was de

herinnering aan zijn kindersmart door de schuld van zijn moeder, dan

dat hij dit ooit kon vergeten. Nooit maakte hij er tegen haar eenige

toespeling op, maar hij trok het op als een muur tusschen hen, dien ze

nu nooit meer kon doen vallen. En in dien tijd begon ze meer en meer te

haken naar zijn liefde; ze had zich niet voor hem kunnen opofferen,

toen hij hulpeloos en afhankelijk was, nu voelde ze bitter, dat hij ver

van haar bleef.

Eli was toen achttien jaar; zijn schooltijd was voorbij en hij leefde

een poos ledig, doelloos, niet wetend wat nu te beginnen; in dien tijd

was er iets, dat mèt het plotseling herleven van de herinnering aan

zijn vader, zich vast en scherp in zijn gedachten drong: het volkomen

begrip van de vreeselijke kwaal, die zijn ondergang was geweest, en

zijn huis had verwoest; en tegelijk met dit de angst, dat hij ook eens

zóó zou worden. Het was een zonderlinge, haast intuïtieve angst voor

iets, wat toch absoluut niet bij hem bestond; het was als een angst

voor iets, waaraan hij voelde niet te kunnen ontkomen.

Het werd gedurende de paar jaar, die hij rondliep, zonder afleiding

voor zijn gedachten, een kwelling, die hem niet losliet, die hem thuis

ongedurig en veeleischend maakte, en onder zijn vrienden beurtelings

opvliegend en uitgelaten vroolijk.

Het was in dien tijd van onzekerheid en onvoldaanheid zijn ongeluk, dat

niemand hem trachtte paal en perk te stellen; zijn moeder willigde zijn

geringste gril in, om hem maar tevreden te stellen; zijn vrienden

ontzagen hem, verdroegen van hem meer dan van een ander; en er was

niemand die hem vermocht te leiden in een goede richting, terwijl hij

voortdurend onbevredigd en ongelukkig zocht. Hij wilde niet blijven in

Brogs, de Kloeve trok hem niet, hij verlangde iets—iets dat hem

bevredigen zou, zijn leegte vullen, iets dat hij lief kon hebben en

waarvoor hij werken zou...

Hij had veel behouden van zijn karakter als kind; de groote

gevoeligheid voor invloeden van buitenaf, wat was geworden: een

onberekenbaar veranderlijke stemming, wisselend met het uur, den

invloed ondergaand van een geluid, een kleur, een wolk voor de zon, een

klank in een stem. Als kind had hij gehunkerd naar liefde, blindelings

gevolgd dengene, dien hij liefhad: het was geworden: het onbevredigd

verlangen naar één groote liefde.

De liefde van zijn moeder sprak niet tot hem, de genegenheid van zijn

vrienden voldeed hem niet. En in dien tijd begonnen in het rusteloos

groot verlangen zich deze twee dingen te vereenigen: zijn angst te

worden als zijn vader, en onmiddellijk daarop volgend—„als ik iets had,

waaraan ik me geheel kon geven, dan zou ik niet bang meer behoeven te

zijn.”

Een enkele keer kwam hij weer in Lode, hier trok het hem; als hij door

het dorp liep of bij Adam Feke of een der anderen zat, had hij een

gevoel, alsof hij hier thuis hoorde.

Adam woonde nog altijd in zijn hut; hij was niet veel veranderd of

ouder geworden en zijn liefde voor Eli was dezelfde gebleven. Zij waren

samen als oude vrienden, wanneer Eli bij hem zat, als zoovele jaren

geleden, en luisterde naar wat de oude vertelde. Er was één punt, dat

Adam nooit aanroerde—Maria Bag; een enkele maal als Eli den naam van

zijn moeder noemde, zag Adam op, alsof hij iets wilde zeggen; dan met

een barschen trek op zijn verweerd gelaat zweeg hij.

„De Kloeve”, de eens zoo rijke bezitting der Bags, was in den laatsten

tijd van Jelle’s leven herhaaldelijk bezwaard; bovendien verwaarloosd

door slecht beheer; en Maria Bag had het bestuur over dit goed dat

Eli’s eigendom was, zorgeloos overgelaten aan opzichters. Eli begon nu

weer belang te stellen in de Kloeve en dikwijls bleef hij een poos in

Lode om het van daaruit gemakkelijker te bereiken.

Maar zijn leven bleef leeg. Eindelijk hield hij het niet meer uit in

Brogs en in een wanhopige bui ging hij op reis. Een heelen tijd zwierf

hij, toen bleef hij een paar jaar in Vels, het afgelegen verre dorp op

de grenzen met zijn uitgestrekte heivelden en sombere dennenwouden. Hij

bleef hier bij een neef van zijn vader, een Bag, die tot groote

welvaart gekomen was. Het was een oude, kleine man, met een schranderen

witten kop, begaafd met een scherp verstand en taai geduld.

Bij hem bleef en werkte Eli drie jaar; onder hem leerde hij het

bearbeiden van den grond, zag hij, hoe woeste heigrond was herschapen

in bosch en vruchtbaar bouwland; het was het werk van meer dan een

menschenleven. De vader van Marten Bag was het begonnen maar alleen

Martens scherpe oogen zagen nu de vruchten van hun zwaren, dikwijls

schijnbaar hopeloozen arbeid. Hier voelde Eli zich gelukkiger; hij had

nog niet gevonden wat hij zocht, maar Marten Bag had een grooten

invloed ten goede op hem; van hem leerde hij het nut van geregelden,

harden arbeid—hij hoorde hem verhalen, hoe de vaders der thans zoo

welvarende boeren arme stumperds waren geweest, die ’s zomers gingen

werken over de grens om een karig loon te verdienen; en nu waren hun

kinderen gezeten boeren, eigenaars van den grond.

In dien tijd, op een avond, terwijl hij zat naast Marten en uitzag over

de hei, kwam plotseling de gedachte aan Lode in hem. Hij zag het,

zooals hij het na zijn terugkeer uit Brogs gezien had, in al zijn

armoede en ledigheid; de mannen verrichtend den weinigen veldarbeid, de

rest van den dag verdroomend in luiheid en tevreden berusting; de

vrouwen en kinderen bleek, hongerig, verarmd, zich schikkend in dat

leven, omdat het nu eenmaal zoo was, en geen mogelijkheid bestond eraan

te ontkomen.

Hij zag nu weer de tijden, als zijn vader de spijzen uitdeelde, als de

boeren om den wagen drongen, en met hongerige handen grepen naar hun

deel. Het was het volk, dat zijn vader, zijn voorouders hadden

liefgehad, maar nooit verder hadden gebracht; dat hij liefhad met een

overgeleverde gehechtheid van eeuwen; en voor ’t eerst overdacht hij

dit alles met een geheel nieuwe, zachte aandoening, een verlangen,—vaag

nog, om zich aan hen te geven. Hij dacht het uit, toen hij dien nacht

wakker lag, en de dagen daarna, overdacht hij met een nieuw opgewekten

moed, die hem ontrukte aan zijn oude grieven. Nog sprak hij er niet van

tegen Marten Bag, maar langzaam rijpte het plan in hem.

Het volk van Lode zou niet langer voortleven in luiheid, armoede en

ledige onwetendheid; hij zou gaan te midden van hen en met hen

arbeiden; hij zou hen leeren den grond te ontginnen, te bevruchten; het

zou een heerlijk en groot werk zijn.

Het was een groot, zacht verlangen, vreemd en nieuw in zijn vurige,

heftige natuur, altijd lijdend onder eigen leed; voor ’t eerst voelde

hij de vreugde iets te kùnnen doen voor anderen. Toen hij alles geheel

voor zichzelf had uitgedacht, vertelde hij zijn plan aan Marten.

De oude liet hem stil uitspreken; een enkele maal knikkend met den

kleinen, snuggeren kop, volgde hij Eli’s plan nauwkeurig, met een

inwendige vreugd zich daarin denkend, wat hém, den ouden werker, den

jongen zich na deed voelen. Hij zag zich zelf weer jong, voelde weer

den ouden prikkel van moeielijken, maar eindelijk loonenden arbeid, en

gretig viel hij aan op het plan, maakte er zich van meester, alsof het

’t zijne was.

Marten Bag kende den grond in Lode, het was dezelfde harde grondsoort

als in Vels, die den arbeid, vooral den voorbereidenden, zeer zwaar

maakte, en eerst na jaren en jaren loonde,—en hij hield Eli al de

bezwaren ervan voor, maar Eli, eenmaal gewonnen, was niet meer af te

schrikken. Met niet te schokken vertrouwen hield hij het plan voor

oogen, dat helder en vast nu in zijn geest stond.

De hei bij Lode was waardeloos woest sinds eeuwen; hij zou het volk den

grond leeren bearbeiden, en hun daarvoor winter en zomer een vast loon

uitbetalen; dit zou hij kunnen doen met de opbrengst van „de Kloeve”.

Op den omgewerkten grond zouden boomen worden geplant en na jaren weer

gekapt; dàn zou ’t land worden tot vruchtbaar bouwland, en eerst de

kinderen zouden de vruchten plukken van dien arbeid. Een half jaar

bleef hij nog bij den ouden man, aan wien hij zich was gaan hechten als

zelden te voren aan iemand; en in dien tijd verlieten hem nooit een

oogenblik de moed en lust voor ’t groote werk, dat hij zou gaan

aanvangen, het nam al zijn gedachten en verdreef zijn melancholie; in

later tijd leken hem de jaren, die hij bij Marten Bag had doorgebracht,

de gelukkigste van zijn leven.

In ’t voorjaar keerde hij naar Brogs terug; het eerste wat hij deed,

was naar Lode gaan, naar Adam Feke, en hem zijn plan vertellen. De oude

man luisterde zwijgend; er was groote zorg in zijn gelaat, toen hij

eindelijk het hoofd ophief en Eli aanzag. Tot Marten Bag had het wèrk

gesproken, maar hij had niet ingezien, wat Adam wist, sinds Eli’s

prilste jeugd; Adam had hem lief met al zijn deugden en gebreken,

onvoorwaardelijk, maar tevens kende hij hem, zooals Eli niet zichzelven

kende; hij wist, dat in Eli al de gebreken waren van zijn vaderen, maar

in dezen was de kracht geweest die te beheerschen waar het noodig bleek

voor hun eigen heil, of ze te laten uitwoeden, al naar zij dat

verkozen; het egoïsme, dat geen wroeging kende en geen ontzien van

anderen, dat niets hoogers en beters in het leven verlangde.

Maar in Eli was dit niet; in Eli, met zijn heel gevoelige natuur, zijn

eeuwig wisselende stemming, veranderlijk als de lucht, waaronder hij

was geboren, was dat sterk verlangen naar iets hoogers, beters, en niet

de kracht dat verlangen naar wijsheid te besturen.

En Adam, terwijl hij dit overdacht, wist ook, dat als hij trachtte Eli

van dit plan af te brengen, dit gelijk stond met hem weer opnieuw

doelloos en ongelukkig te laten voortleven.

Hij zei alleen:

„’t Zal moeielijk zijn, Eli, héél zwaar!”

Eli begreep dit toen niet; maar in later jaren, toen elke

teleurstelling om het werk zwaar in zijn ziel zonk, had hij begrepen,

hoe Adam dit alles ten volle had ingezien. Het geheel was een groot

waagstuk, maar ook dàt zag hij toen niet in; het eenig gevoel, dat hem

bezielde, was ’t verlangen aan het werk te beginnen, het ideaal te

verwezenlijken van geluk door arbeid, dat hij zich nu eenmaal had

voorgesteld.

Bij een ander zou dat verlangen nooit zóó sterk zijn geweest; maar in

hem was de groote rusteloosheid van geest, het

onmiddellijk-zich-ongelukkig-voelen, wanneer hij niet werken, zwoegen

mòest, met inspanning van al zijn krachten. Het was die prikkel, die

hem voortjoeg, om zijn plan te volvoeren; de gedachte: „Als ik maar

eenmaal dat werk heb, in die omgeving, als ik arbeiden kan, en me

heelemaal geven aan anderen, dàn zal ik dat ellendige gevoel van angst

en onbevredigdheid verliezen, en voorgoed kunnen overwinnen... Lode is

voor mij het beloofde land; daar wacht ik alles van.”

Hij dacht er nooit aan, dat alles zou kunnen mislukken; het kwam niet

bij hem op, dat iets zoù kunnen mislukken dat hij aanvatte met àl zijn

kracht, àl zijn goeden wil.

Voor Maria Bag was dit een slag; het was de vernietiging van haar hoop,

dat Eli bij haar zou blijven in Brogs en een steun voor haar zijn in

haar verlaten ouderdom—en tegelijk de groote bitterheid, die zelfs háár

niet fijngevoelige natuur ondervond: het bewustzijn, dat zij hem niet

binden kon, dat hij geen oogenblik met iets als smart eraan dacht van

haar te moeten scheiden, dat in zijn nieuw leven geen plaats, geen

gedachte was voor haar.

En tòch begreep zij niet, dat zij zelf die tegenstrijdige hardheid in

hem gebracht had; zij ondervond het alleen, in een zwak besef er niets

aan te kunnen doen.

Eli merkte in deze dagen plotseling op, dat zij oud was geworden; het

kinderlijke in haar gezicht, dat zij zoo lang had behouden, was

weggevallen; zij was een oude vrouw. Dit wekte medegevoel in hem;

intuïtief begreep hij, hoe deze daad van hem een eindpaal zette aan al

haar wenschen, en hij dacht in verzacht, droef medelijden, hoe zij zich

altijd had tevredengesteld met het kleine beetje vriendelijkheid van

zijn kant, dat een vreemde haar even goed had kunnen geven, en het

maakte hem hartelijker, liefderijker voor haar dan ooit te voren.

Er was nog iets, dat hem trof; in al dien tijd had zij nooit getracht

hem van zijn plan af te houden, of een beroep op hem te doen om

harentwil; en hij begreep het droeve van haar bewustheid; dat wat zij

hem vroeg, vergeefs zou zijn.

Maar toen hij eenmaal van haar weg was sleet dat zachtere gevoel,

waarin hij zich had voorgenomen haar dikwijls te bezoeken, weer uit.

Eenmaal weg, in zijn nieuwe omgeving, voelde hij dit niet meer.

Zoo was Eli Bag tot het volk van Lode gegaan, en had tot hen gesproken

zijn woorden van frisschen, blijden levensmoed.

Als om een wonder had het volk zich om hem verdrongen, zonderling

aangetrokken tot dien zoon van Jelle Bag, tot die lange, teere

gestalte, dien bleeken, scherp gesneden kop, met smallen, vastgesloten

mond, en stralende, grijze oogen, en zij luisterden naar zijn luide,

heldere stem, die tot hen sprak van iets, zoo vreemd, en zoo heerlijk,

dat het een sprookje leek; en zij zeiden tot elkaar, de mannen, de

vrouwen:

„Heb je ’t al gehoord wat hij zegt, ga mee luisteren! hij wil ons

leeren den heigrond bearbeiden, en ons daarvoor een vast loon

betalen... Hij zegt, we zullen niet meer gaan werken bij vreemde

boeren. We zullen werken voor ons zelf en onze kinderen... onze

kinderen zullen welvarend zijn... dáárvoor alleen moeten we voortaan

werken.”

En ze luisterden—begrepen niet...

Eli Bag, die teruggekomen was en hun dat beloofde... Maar ze hingen hem

aan, met de snelle overgave van hun kinderlijke natuur, licht

gehoorzamend aan dien vreemden dwang; ze gelóófden hem, om zijn stem,

zijn gelaat, stralend van zonnigen moed en zij zeiden: ze zouden doen,

zooals hij hen wilde leiden, naïef geloovend in een plotselingen,

algeheelen omkeer ten goede in hun leven, niet denkend aan tegenslag of

teleurstelling.

Het was alles in ’t begin geweest als een heerlijk nieuw leven... Maar

in de lange, heete zomerdagen was de zware arbeid, het zware

diepspitten in den harden grond tegengevallen aan deze menschen, elke

groote inspanning ontwend, ontbloot van alle volharding en

arbeidskracht.

Zij konden nooit samen gaan, Eli en dit volk; zij wilden dàdelijk

resultaten zien, en verloren hun geloof in hem, toen dat niet gebeurde;

zij konden zijn hoog ideaal niet vatten, en hij kon niet begrijpen of

verschoonen hun willooze apathie, erfenis van eeuwen.

Het werd wrevel, ongeloof eerst; verzet later, en weigeringen om voort

te gaan, toen de zomer kwam, en zij konden gaan maaien voor een hooger

loon. Eli moest ze laten gaan en toen—hoewel ze langzamerhand één voor

één in den herfst terugkwamen om ’t werk te hervatten—was voor ’t eerst

zijn blijde illusie gevallen; hij zag, dat hij alleen stond met zijn

mooi ideaal—maar hij blééf tot zichzelf zeggen: ééns zouden zij inzien

dat het tot hun heil was geweest, hun kinderen zouden de vruchten

plukken.

Dit zeide hij tot Adam, tot zichzelf in moedelooze uren. Adam schudde

het hoofd, maar zei niet veel; hij was plotseling oud geworden, en kwam

zelden meer onder de menschen; maar urenlang zagen de boeren hem

rondzwerven met den ouden Wolf, zijn hond.

De stemming onder het volk ging altijd op en neer; zij konden dagenlang

werken zonder een klacht, goedsmoeds, vroolijk zelfs. En Eli, altijd

voelend onder den indruk van het oogenblik, wist dan niet meer van zorg

of toorn; dan dacht hij, dat hij het eindelijk gewonnen had...

Dan opeens, door een kleinigheid meestal, barstte de wrevel uit, en

keerde zich tegen hem, en het werk.

En Eli wist: tusschen hem en het volk was niet de band, die bestaan had

tijdens zijn voorvaders; dàt was de vrijwillige gehechtheid en

wederzijdsch hulpbetoon, maar feitelijk raakten hun belangen elkaar

niet. Wat het volk aan hèm bond, was een overwicht van ontzag, van

bijna-vergoding bij oogenblikken, maar nooit waarlijk van liefde; tegen

hem smeulde de wrok over den inbreuk, dien hij had gemaakt op al het

oude; over het nieuwe werk, dat nooit had bestaan, dat zij niet

gewenscht hadden, dat zij hadden aangevangen toegevend een oogenblik in

gedachtenlooze overgave aan zijn sterken invloed,—het werk, waartoe hij

hen dreef.

Zoo was het, toen Eli twee jaar in Lode was teruggekeerd.

Het beloofde land · 第 4 / 33 题