BAXTER WEER IN ACTIE.

De inspecteur van politie van Scotland Yard was gedurende de

afwezigheid van Raffles uit Londen geheel op zijn verhaal gekomen.

De Vloo, zooals secretaris Marholm werd genoemd, had dezen morgen weer

lust om zijn chef te ergeren.

„Waarachtig, inspecteur”, sprak hij tot Baxter, „gij ziet er uit, alsof

gij maandenlang verlof hadt gehad. Ik geloof, dat gij in den laatsten

tijd wel dertig pond zijt aangekomen.”

Baxter antwoordde, zonder te begrijpen, dat Marholm schertste:

„Ja, mijn lieve Marholm, het wordt tijd, dat ik verlof neem om weer

eens naar Mariënbad te gaan. Ik wordt te vet.”

„Geen slechte gedachte”, antwoordde de Vloo, „Mariënbad zou u stellig

goed doen, maar gij kunt de reiskosten sparen, als Raffles gauw weer in

Londen terugkomt.”

Nauwelijks had de Vloo dezen naam genoemd, of de inspecteur fronste het

voorhoofd en sprak:

„Ik heb het u eens voor al verboden, den naam van dezen schurk buiten

dienst tegen mij te noemen. Wees blij, dat die man eindelijk van den

aardbodem verdwenen is.”

„Het is zeer vermetel van u, dat zoo beslist te beweren”, antwoordde de

Vloo.

De inspecteur wierp hem een woedenden blik toe en riep:

„Ik weet, dat hij uw vriend is, Marholm, en gij zoudt het prettig

vinden, als dat sujet hier weer opdook om mij bespottelijk te maken.

„Maar ik zeg u dat, mocht ik Raffles in dit leven nog eens

ontmoeten—wee hem!

„Ik heb een cursus in Jiu-jitsu gevolgd en heb bovendien op de

universiteit te Oxford nieuwe studiën gemaakt van de crimineele

wetenschap.”

„Zeg eens, inspecteur”, vroeg de Vloo met een boosaardig lachje, „heeft

die professor u ook verteld, hoe men misdadigers moet vangen, die men

nooit heeft kunnen krijgen?”

„Professor Smithson in Oxford beweert, na lange wetenschappelijke

studiën, dat er geen enkele misdadiger is, dien men niet zou kunnen

krijgen!”

„Oho!” lachte de Vloo, „zeker door hun zout op den staart te strooien?”

„Houd uw flauwe grappen voor u!” riep Baxter woedend uit. „U schijnt

zelfs professor Smithson van Oxford niet heilig te zijn.”

„Neen”, antwoordde de Vloo met een breeden grijns, „ik geloof er niets

van. Gij moet dien professor eens verzoeken, Raffles naar Scotland Yard

te zenden. Het resultaat zou zeker schitterend zijn!”

„Zwijg, Marholm! Houd u met uw werk bezig! Gij zijt den laatsten tijd

toch al niet zeer vlijtig.”

„Wat mij zeer koud laat”, dacht de Vloo bij zichzelf, zijn neus vol

plichtsgevoel in de acten en papieren stekend.

„Een telegram, inspecteur”, meldde op dit oogenblik de

telegrambesteller en overhandigde den inspecteur van politie het roode

couvert, waarop hij het bureau weer verliet.

Baxter, die juist zijn middagslaapje wilde doen, gaf het telegram,

zonder het te lezen, aan de Vloo met de woorden:

„Lees het maar, Marholm, de inhoud zal wel van geen belang zijn.”

Nauwelijks had de Vloo een blik geworpen op het telegram, of hij riep

den inspecteur van politie na:

„Blijf hier, het is een zeer gewichtig telegram betreffende onzen

vriend Raffles!”

Baxter maakte verbaasd rechtsomkeert bij de deur en stamelde:

„Van— — — —van— — — —van— — — —Raffles?”

„Hoor maar eens!” riep Marholm. „Een telegram van consul Hasper uit

Shanghai.”

„Vijf weken geleden kwam hier in de haven het zeiljacht Carmenrita

binnen met een lading opium ter waarde van 2 millioen dollars.

„Deze lading opium was het eigendom van den Chineeschen groothandelaar

Wou-Wang en was bestemd voor Sam-Li, koopman te Shanghai.

„Zooals is gebleken is de lading opium door Raffles gestolen en hij met

het geld, 1½ millioen dollar, waarschijnlijk op weg naar Londen. Wacht

hem daar op.”

Baxter stond nog steeds met open mond Marholm aan te kijken, die op

zijn beurt met een vriendelijk glimlachje Baxter ironisch toeknikte.

„Nu, nu, daar heb je het alweer!” brulde Baxter. „Als je van den duivel

spreekt, dan is hij er.”

„Ja, ik zei u dadelijk al, dat we met Raffles nog niet hebben

afgedaan.”

„Hoe komt die man er in ’s hemels naam toe een scheepslading opium te

stelen?”

„Waarschijnlijk,” lachte de vloo, „wilde hij daarmee het hoofdbureau

van politie een genoegen doen. Wij slapen nog niet genoeg.”

„Zwijg,” riep Baxter, „en word toch eindelijk eens verstandig; 1½

millioen heeft die kerel weer gestolen.— — —”

„Jawel, 1½ millioen dollar!”

„Wat zullen we doen?”

„Heel eenvoudig,” antwoordde de vloo. „Begeef u op de politieboot en

vaar Raffles op de Theems tegemoet.”

Baxter hield zijn buik met twee handen vast en riep:

„Alleen de gedachte hieraan maakt me al zeeziek. Ik kan er niet tegen,

op die boot te varen.”

„Dan moet gij u door professor Smithson uit Oxford een middel tegen

zeeziekte laten geven, anders is dit een beletsel den grooten Raffles

te vangen.”

„Ik zou den hemel danken, als die Raffles voor goed in China was

gebleven.”

„Wees toch blij,” lachte de vloo, „dat ge nu de kuur in Mariënbad

uitspaart.

„Over een paar dagen zult ge al verscheiden pond afgenomen zijn, en

binnen vier weken weer op een normaal standpunt zijn gekomen, zooals

vóór het vertrek van Raffles.”

„Stel u in verbinding met den loods Omyr en vraag eens, of er al een

zeiljacht Carmenrita de Theems is opgevaren.”

Marholm ging naar de telefoon en vernam toen, dat daags tevoren een

zeiljacht, Carmenrita genaamd, op de Theems was aangekomen en bij de

Towerbridge voor anker lag.

Nauwelijks vernam Baxter deze mededeeling of hij gaf bevel, alle

beschikbare detectives en politie-agenten mobiel te maken om met hem

Raffles gevangen te nemen.

„Gelooft ge dan waarlijk, dat Raffles zich nog aan boord van het jacht

bevindt?”

„Zwijg,” donderde Baxter, „en stoor mij niet in mijn ambtsbezigheden.”

Op dit oogenblik trad een loopjongen binnen en vroeg beleefd naar den

inspecteur van politie Baxter.

De vloo wees den jongen met de hand naar den inspecteur, waarna de

loopjongen hem een brief ter hand stelde.— —

„Van wien komt die brief?” vroeg Baxter den jongen.

„Dat weet ik niet, Sir,” antwoordde de jongen. „Een meneer gaf mij den

brief aan den oever van de Theems met de opbracht hem bij u te

bezorgen.”

„Het is goed.”

De loopjongen ging weg en Baxter opende den brief.

Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, toen hij het bekende

handschrift van Raffles zag.

„Mijn lieve inspecteur van politie,” zoo begon de brief.

„Wat een brutaliteit van dien schurk, om mij altijd „mijn lieve

inspecteur van politie” te noemen!” vloekte Baxter hard op.

„Waarom?” vroeg de vloo. „Ik vind dat in het geheel niet brutaal, maar

beleefd en netjes.”

„Ik ben zijn vriend niet!” riep Baxter en ging voort met lezen.

„Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik van mijn maandenlange reis weer

naar Londen ben teruggekeerd en ik hoop, u bij de eerstkomende

gelegenheid mijn opwachting te maken.”

Baxter hield op met lezen, keek de vloo aan en sprak:

„Ik geloof werkelijk, dat die man zoo brutaal zal zijn om mij te komen

bezoeken.”

„Waarom ook niet! Daaraan twijfel ik geen oogenblik!” sprak de vloo,

„maar lees toch verder. Ik ben benieuwd naar hetgeen Raffles ons nog

heeft te vertellen.”

Baxter nam den brief weer op en vervolgde:

„Opdat gij ziet, hoezeer ik u hoogacht, heb ik u een interessant

souvenir van mijn reis meegebracht.

Geef u geen moeite om mij na ontvangst van dezen brief weer op uw

gewone manier te vervolgen, want ik bevind mij op een plaats, die

gij niet gemakkelijk zult ontdekken.

Met beleefde groeten en de meeste hoogachting,

Uw John C. Raffles.”

„Ha!” riep Baxter uit, nadat hij den brief ten einde toe had gelezen,

„nu zit hij in de val.

„Hij vermoedt niet, dat ik dit telegram heb gekregen van den consul van

Shanghai en dat ik weet, dat hij zich op zijn jacht Carmenrita bevindt!

„Vooruit, Marholm! van het jacht kan hij ons niet ontsnappen, er liggen

geen balken onder het water! Dit is nu eens een plekje, vanwaar hij ons

niet kan ontsnappen!”

„Nu, nu!” mompelde de vloo vol twijfel.

„Zoo geheel zeker ben ik daar niet van, voordat Raffles zich inderdaad

hier in Scotland Yard bevindt.”

Een kwartier later vertrokken een half dozijn met politieagenten en

detectives bezette automobielen naar de Theems.

Vanuit talrijke booten, welke de politie-inspecteur liet aanrukken,

begon hij het jacht, dat midden op de rivier lag, van alle kanten te

omsingelen. Het leek wel, alsof het Chineesche booten van Korea waren,

die nogmaals een aanval op het schip wilden doen.

„Voorzichtig, mannen!” riep Baxter, toen hij met de revolver in de hand

zich aan boord begaf.

„Sluit het schip nauw in! Zoodra hij over boord springt, moet gij hem

grijpen en vast houden!”

Daarop begon hij het schip nauwkeurig te doorzoeken. Maar niets werd

gevonden, zelfs geen enkele rat.

„Hier!” riep de vloo.

Haastig gaf Baxter zijn mannen een teeken en fluisterde:

„Wij hebben hem, jongens, en als ik mij niet heel erg vergis dan slaapt

hij. Hij is al te vermetel geworden! Hij voelt zich wel veilig in zijn

schuilhoek!”

Hij beval, dat verscheiden detectives, met revolvers gewapend, hem

moesten volgen en opende daarna moedig de deur.

Op een bed zagen zij de gedaante van een man.

Zonder hem nauwkeuriger te bekijken, wierpen drie detectives zich onder

leiding van Baxter op den slapende en boeiden hem. (Zie het titelblad.)

Verbaasd keek de gevangene, die zich tevergeefs tegen de ijzeren

vuisten der politiebeambten trachtte te verdedigen, om zich heen.

„Wat wilt gij van mij?” schreeuwde hij tot Baxter.

„Houd u niet zoo dom, Raffles!” antwoordde Baxter, „deze keer zijt gij

ons niet ontkomen!”

„De duivel moge mij halen, als dat Raffles is,” mengde zich nu de vloo

in het gesprek.

„Ik ben Raffles niet!” riep de gevangene, „ik ben de bootsman van dit

schip.”

„Dat kan iedereen wel zeggen,” antwoordde Baxter, „maar als gij ons

niet wijst, waar John Raffles zich bevindt, geloof ik niet, dat gij het

niet zijt.

„Ik weet maar al te goed, Mr. Raffles, dat gij de kunst van u te

vermommen uitstekend verstaat.

„Voorwaarts! Naar het hoofdbureau van politie!”

Reeds dien avond vermeldden de nieuwsbladen de eerste sensatieberichten

omtrent de eindelijke gevangenname van den veelgezochten meesterdief.

Tegelijkertijd wisten zij te vertellen, dat hij bij zijn laatste truc

voor 1½ millioen dollar aan opium had gestolen.

Dit bericht hadden zij te danken aan de mededeelzaamheid van de vloo.

Hoe schrok Baxter, toen hij, juist toen hij den vermeenden Raffles een

verhoor afnam, weer een brief ontving door bemiddeling van een

loopjongen.

En met onzekere blikken las hij het volgende:

„Mijn lieve inspecteur van politie!”

Naar ik verneem, hebt gij in plaats van mijn persoon van mijn schip

het souvenir weggehaald, dat ik voor u had meegebracht uit Mexico

en China.

De man, dien gij hebt gevangen genomen, is mijn bootsman Tylar, die

zich aan boord van mijn schip aan ernstige muiterij heeft schuldig

gemaakt.

Ik verzoek u, hem deswege flink te straffen.

Ik groet u en ben met de meeste hoogachting,

John C. Raffles.”

„Goddam!” schreeuwde Baxter.

„Had Smithson gelijk of ik?” vroeg de vloo.

„Smithson is een ezel!” antwoordde Baxter woedend. „Zijn theorieën

kloppen niet! En nu komt nog het gekste van alles, dat wij namelijk

voor Raffles een proces moeten voeren tegen een muitenden bootsman.”

„Nu, dat is tenminste iets,” troostte de vloo. „Men moet den hemel voor

alle goede gaven dankbaar zijn!”

„Als de kranten maar niet bestonden!” jammerde Baxter, „nu zullen zij

weer den spot drijven met ons en vooral met mij!”

Wat de inspecteur had gevreesd, gebeurde.

In kolommenlange artikelen schilderden de kranten overal den aanval van

Baxter op het jacht en de gevangenname van den onechten Raffles.

De geïllustreerde spotbladen teekenden hem zelfs uit, zooals hij in een

boot als Engelsch admiraal den aanval leidde.

En deze bladen kregen Señor Delma en zijn dames, evenals Charly Brand

op den morgen van hun aankomst in Londen onder oogen en zij vernamen

daaruit voor het eerst, wie hun dappere redder uit zoovele gevaren was

geweest.

„Als het mij vergund was,” sprak Señor Delma tot Charly Brand, „om een

standbeeld op te richten ter eere van uw vriend, dan zou ik het doen!”

Daar kwam de hotelbediende een heer aandienen, die hen wenschte te

spreken.

Eenige oogenblikken later werd de deur geopend en Raffles trad binnen.

Hij begroette Señor Delma alsof deze zijn broeder was, maar toen deze

meende, dat het voor Raffles misschien beter zou zijn om voor altijd in

Mexico te blijven en daar een behaaglijk en rustig leven te leiden,

antwoordde deze:

„Mijn lieve Señor Delma! Ik zou zeer zeker uit heimwee naar mijn

geliefd Londen doodziek worden. Neen, ik houd van deze stad en ben

blij, dat ik mij weer op Engelschen bodem bevind.

„Bovendien ben ik voor mijn vaderland zeer nuttig.

„Er zijn maar al te veel schurken op de wereld, waartegen onze wetten

en inspecteur Baxter onmachtig zijn en met wie men alleen iets kan

uitrichten vanaf het standpunt van misdadiger.

„Ter wille van die schurken blijf ik in Londen totdat ik sterf!”

Señor Delma wist hierop niets te antwoorden. Hij gaf Raffles de hand en

sprak:

„Ik kan niet anders dan u als een held bewonderen.”

Nu zag Raffles, dat Charly Brand zonder pruik was.

„Zeg eens, Charly!” riep hij uit, „sinds wanneer heb je weer een kalen

knikker?”

„Sinds ik heb ingezien, dat ik niet geschikt ben voor het huwelijk. Een

pruik op het hoofd is te warm en ik kan zoo’n ding onmogelijk mijn

levenlang dragen. Ik doe het daarom liever zonder vrouw en blijf jouw

vriend en jonggezel!”

„En Alma Delma?” vroeg Raffles zoo zacht, dat haar vader het niet kon

hooren.

„Is jong en mooi en zal als rijke erfgename zooveel mannen kunnen

krijgen als zij maar wil.”—

Een vroolijk souper was het slot van den avontuurlijken tocht van Lord

Lister naar Mexico en toen Señor Delma opstond om met tranen in de

oogen Raffles te danken voor alles, wat deze voor hen had gedaan,

stemden allen na den toast in met den uitroep:

„Lang moge Raffles voor ons allen gespaard blijven. Leve onze Raffles!

Hoera! Hoera! Hoera!”

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 17 / 17 题