HET GEVECHT AAN DE YAQUI-RIVIER.

Gouverneur Marquez stond aan boord van de „Democrata” naast Matteo en

andere officieren en keek met scherpen blik langs de kust.

Hij, zoowel als zijn officieren, bespiedden met verrekijkers het land

en hoopten elk oogenblik de masten van het geheimzinnige zeiljacht, dat

den vluchteling Delma uit de haven van Guaymas had gebracht, te zien.

Maar geen spoor ervan was te ontdekken.

Hij was een week te laat gekomen en terwijl hij de geheele kust

afzocht, bevonden zij zich in Honolulu en maakten zich gereed voor de

terugreis.

Delma was met den kruiser, vergezeld door zijn dames, naar San

Francisco gevaren en hij, zijn dames, Charly Brand en commandant Dalton

hadden met Raffles afgesproken, elkaar in New-York terug te zullen

zien.

Raffles moest het zeiljacht onder zijn persoonlijke leiding weer naar

zijn plaats van herkomst terugbrengen.

Dat was een zaak van eer voor hem.

Terwijl hij na de afvaart van den kruiser in Honolulu lag, had hij zijn

manschappen de volle gage uitbetaald en hun drie dagen verlof gegeven.

Hij bevond zich nu geheel alleen met zijn zeelui.

Terwijl hij bij het prachtige weer op het dek van ’t jacht van zijn

rust genoot, smeedden Tylar, Jurgens en de andere matrozen snoode

plannen.

Den vierden dag keerde de bemanning aan dek terug, maakte het schip

gereed en keek de zeilen na.

Des avonds, toen de zon als een schitterend gouden bal in zee verdween,

heesch het jacht alle zeilen en verliet de haven.

Geheimzinnig als een reusachtige witte zeevogel, verdween het op den

onmetelijken oceaan.

Raffles bevond zich op de commandobrug.

Geen zeil was in zicht, hoe ver hij ook met zijn kijker den horizon

bespiedde.

Het was tegen 10 uur toen hij zich ter ruste wilde begeven.

Hij gaf nog eenige laatste bevelen voor den nacht aan den bootsman,

toen hij plotseling van achteren aangegrepen werd en een slag kreeg met

een hard voorwerp.

Het werd duister voor zijn oogen en hij zonk bewusteloos neer.

„Is hij gewond?” vroeg Jurgens.

„In ’t geheel niet”, antwoordde bootsman Tylar.

Toen Raffles ontwaakte, was hij geboeid en omringd door al zijn

matrozen.

„Vervloekte verraders!” riep hij den bootsman toe, „wat beteekent dit?

Zijt gij gek geworden?”

„Dat niet”, antwoordde Tylar, met een breeden, vertrouwelijken grijns

op zijn pokdalig gelaat, „het beteekent alleen, dat gij nu eens een

zeiltochtje met ons zult maken inplaats van wij met u.

„Wij zijn zoo raar rondgetrokken met u. Wij weten ook, wie gij zijt en

het zou een kleine moeite voor ons zijn, om u in de eerstvolgende haven

in handen te leveren van een Engelschen consul, die er dan voor zou

zorgen, dat gij op staatskosten, in kettingen geklonken, naar uw

vaderland terug werd gezonden.

„Maar wees onbezorgd!

„Wij zijn niet van plan, u persoonlijk iets te doen, noch om dit jacht

te stelen... maar...

„Als gij pogingen doet om u te bevrijden of u met mijn zaken te

bemoeien..... dan.....

„Dan gaat gij over boord!

„Gehoorzaam nu mijn bevelen! Wij zullen zooveel mogelijk ervoor zorgen,

dat gij het naar uw genoegen bij ons hebt”.

Bootsman Tylar verliet nu als kapitein den geboeiden Raffles.

Deze zag, hoe al zijn manschappen gewapend waren met revolvers en

messen.

Tevergeefs brak hij zich het hoofd met de vraag, wat deze daad van

geweld van zijn lieden te beteekenen had.

Het geheele geval leek veel op een zeerooverstruc...

Terwijl hij op deze wijze als gevangene op zijn eigen zeiljacht naar

een onbekende plaats werd gebracht, werden van den Mexicaanschen

kruiser paarden en soldaten, geschut en munitie aan de Yaqui-kust aan

land gebracht en Marquez en zijn vriend besloten om dat, wat hun door

de vlucht van Delma was ontnomen, weer terug te krijgen door geweld van

wapenen.

150 man, een troep avonturiers, waren aan de kust geland en begaven

zich in lange linie, den stroom volgend, in de richting van het

voornaamste kamp der Yaquis.

Aan den mond der rivier lag de Mexicaansche kruiser gereed, met zijn

kanonnen de troepen te beschermen.

Zwijgend en zooveel mogelijk elk geluid vermijdend, bewoog de expeditie

zich voorwaarts.

Plotseling weerklonk van de spits een kreet:

„Wie daar?”

In het volgende oogenblik gleed het naakte lichaam van een Indiaan als

een stuk vluchtend wild door de struiken.

Schoten knalden, want het was duidelijk, dat een spion der Indianen de

aankomst der Mexicanen had ontdekt.

Marquez was van oordeel, dat Delma zich bij de Yaquis moest bevinden.

„Zij achten hem als een koning,” sprak hij gedurende den rit tot

Matteo, „maar ik zal dien rooden honden toonen, hoe wij den schurk bij

zijn voeten aan een boom ophangen en voor hun oogen doodschieten.

„Tegen den morgen zullen wij hun grootste kamp bereikt hebben.”

Vijftig ruiters vormden de spits van het detachement.

De weg opzij werd smaller en smaller, onbegaanbare oerwouden, moerassen

en steile rotsen wisselden met elkaar af.

Toen de morgen daagde, bevonden de Mexicaansche troepen zich in een

nauwen bergpas, waardoor zij in het dal der Yaquis konden komen.

Zij zagen niet, dat in het dichte oerwoud zich honderden Yaquikrijgers

als slangen verborgen hielden.

Plotseling weerklonken wilde kreten, kano’s, bezet met gewapende

Yaquis, kwamen van de andere zijde der rivier, schoten kraakten in het

oerwoud en een verwoed gevecht begon.

Steeds meer krijgslieden der Yaquis kwamen uit de wildernis te

voorschijn.

Als een onmetelijke golf van menschenlichamen werden de Mexicanen meer

en meer teruggedreven en tegen den middag was er van den geheelen troep

nog slechts een erbarmelijk restje over, dat zich in gesloten gelederen

telkens weer verdedigde tegen de woeste aanvallen der Yaquis.

Het werd avond.

De avonturiers schoten hun laatste patronen af en snelden daarop in

razende vlucht naar den oever, waar zij beschut waren door de kanonnen

van den kruiser.

Slechts weinigen gelukte het, aan boord van den kruiser te komen.

Marquez en Matteo waren niet onder hen.

Zij waren, aangelokt door den rijkdom der goudmijnen, in de speeren der

Yaquis geloopen en terwijl de kruiser met zijn granaten tevergeefs de

oevers, die met struikgewas waren begroeid, beschoot, vlamden in den

nacht reusachtige houtvuren op in het kamp der Yaquis.

Dat waren hun overwinningsvuren!

In de wildernis der Yaquis echter lagen vele avonturiers, en onder hen

ook Marquez en Matteo.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Toen Raffles den volgenden morgen ontwaakte, keek hij eerst verbaasd om

zich heen.

Hij lag geboeid in de vroegere kajuit van den bootsman, terwijl deze

als kapitein zijn intrek had genomen in de hut van Raffles.

Het was donker om hem heen, omdat de vensters gesloten en met zeildoek

behangen waren.

Aan de beweging van het schip bemerkte hij, dat dit in volle vaart was.

Hij stond op van zijn bed, ging naar de deur en sloeg er met den

elleboog tegen, daar hij dorst had en iets wenschte te drinken.

Eenige oogenblikken later trad de bootsman bij hem binnen, vergezeld

door een Chinees, dien Raffles nog niet aan boord had gezien.

„Hallo!” riep de bootsman, „gij hebt verscheidene dagen en nachten

geslapen, zoodat wij al dachten dat gij niet meer zoudt ontwaken.”

„Verscheiden dagen en nachten?” vroeg Raffles en plotseling begreep

hij, daar hij een fijne opiumlucht gewaar werd, dat de diepe

bewusteloosheid, waarin hij had gelegen, het gevolg was geweest van een

kunstmatig verdoovingsmiddel.

„Geef mij iets te drinken!” sprak hij tot Tylar.

„Allright!” antwoordde de voormalige bootsman. „Deze Chinaman dien ik

aan boord heb genomen, zal u gedurende de reis alles bezorgen, wat gij

wenscht.

„Ik waarschuw u nog eenmaal, spaar uzelf en ons onnoodige moeite en

houd u rustig!”

„Gij moet zelf weten, wat gij hebt gedaan”, antwoordde Raffles,

„volgens de scheepswetten hebt gij u schuldig gemaakt aan muiterij en

gij zult daarvoor door de bemanning van het eerste Engelsche

oorlogsschip, dat u ontdekt, aan een ra worden opgehangen.

„Gij hebt een fout begaan, Tylar, als dit schip niet in New-York

aankomt en mijn vrienden tevergeefs op mij wachten, wordt het

signalement van het schip aan alle havens getelegrafeerd, en krijgen

alle schepen bericht van mijn verdwijnen.

„Wees ervan verzekerd, dat gij binnen korteren of langeren tijd uw

straf zult krijgen voor deze muiterij.”

„Daarop ben ik voorbereid, Lord Lister”, antwoordde de bootsman.

„Gij schijnt te hebben vergeten, dat door een toeval, doordat ik een

gesprek afluisterde tusschen u en uw vriend Charly Brand, ik te weten

kwam, wie gij eigenlijk zijt.

„Mocht gij ons verraden, dan begrijpt gij zeker wel, wat dat voor u

beteekent.

„Maar stel u gerust, mijn vrienden, voor wie ik werkzaam ben, en in

wier dienst het jacht deze reis maakt, en ik, wij hebben onze eigen

signalen voor elke haven van Yokohama tot San Diego en San Francisco.”

Raffles dacht eenige oogenblikken na en hij zag in, dat zijn gewezen

bootsman en zijn matrozen een zaakje wilden uithalen, waarvoor zij dit

jacht noodig hadden.

Het zou een kleinigheid voor hen zijn geweest, wanneer zij het jacht

geheel in hun bezit wilden hebben, om hem over boord te werpen.

„Luister eens, Tylar”, begon Raffles, „nog is het misschien tijd, dat

wij het eens kunnen worden. Gij en de bemanning zult u er niet over

kunnen beklagen, door mij hard of onrechtvaardig te zijn behandeld.”

„Neen, dat niet”, antwoordde de bootsman, „wij waren allen over de

behandeling tevreden en zijn door u ook zoo goed betaald, als nog nooit

in ons leven, daarom willen wij dan ook het plan, dat wij met de boot

hebben, slechts in zooverre uitvoeren, dat gij noch het schip er schade

bij hebt.

„Alles, wat het u zal kosten, is zes weken tijd en gedurende dien tijd

uw vrijheid.

„Na zes weken kunt gij met vreemde manschappen naar New-York varen om

het schip, dat uzelf immers ook niet toebehoort, den eigenaar terug te

brengen”.

„Voor mij zijn zes weken een groot stuk van mijn leven, Tylar”, sprak

Raffles, „en ik doe u een laatste voorstel. Ik wil niets weten van de

dingen, die gij van plan zijt te doen met mijn boot en wil doen, alsof

er niets was gebeurd.

„Daarvoor betaal ik u en uw manschappen in de volgende haven zes

maanden loon en teeken uw papieren met mijn handteekening als kapitein

van dit schip.

„Gij weet, dat gij zonder mijn handteekening op uw papieren niet

gemakkelijk opnieuw kunt aanmonsteren”.

„Laat dat aan ons over, Lord Lister! Gij kunt ons niet dat betalen, wat

wij met deze vaart verdienen.

„In vertrouwen gesproken, ik handel volgens strenge bevelen en

onderhandel nu verder met Ah-Sam. Ik heb drukke bezigheden!”

Hij verliet de hut en de Chinees begon, met een boosaardig lachje om de

smalle lippen, het vertrek in orde te brengen.

Met welbehagen ademde Raffles door de nu geopende vensters de frissche

zeelucht in.

Hij overlegde, op welk gedeelte van de zee zij zich konden bevinden, en

begreep uit de aanwezigheid van den Chinees, dat de boot zich op weg

moest bevinden naar Chineesche wateren.

Naar Zuid- of Noord-Amerika kon hij zich met den besten wil geen zaken

van eenig belang denken, waarbij zijn muitende manschappen iets zouden

kunnen verdienen.

Het werd hem ook duidelijk, dat het plan door zijn bemanning in

Honolulu moest zijn vastgelegd.

En daar in Honolulu veel Chineezen werkzaam zijn, als reeders en

kooplui, moesten deze daarbij hun hand in het spel hebben.

Het jacht doorkliefde intusschen met groote snelheid de groene golven

van den Oceaan met koers naar het Westen, de uren werden dagen en

Raffles kon niets anders doen dan werkeloos in zijn hut wachten, totdat

men een haven zou hebben bereikt.

Wat zou hij doen?

Hij stond alleen tegenover een paar dozijn gewapende matrozen.

Op een middag kwam Tylar voor de tweede keer in zijn hut en bracht hem

eenige boeken, welke hij in de kajuit had gevonden, om te lezen.

Hij lachte, toen hij de boeken voor Raffles op tafel legde en sprak:

„Wel, Lord Lister, over twee dagen hoop ik klaar te zijn.

„Ik denk, dat gij u zult vervelen en daarom breng ik u deze boeken”.

Raffles keek den muiter met trotschen blik aan en sprak:

„Tylar, denk eens na over hetgeen ik u zei. Ik verhoog uw loon van zes

maanden op twaalf en vaar met u mee naar New-York”.

„No, Sir”, antwoordde Tylar, „ik houd evenveel van geld als gij en

daarom kan ik niet op uw voorstel ingaan.

„Gij kunt mij niet zooveel betalen als ik op deze vaart verdien.

„Het zou ook onzin zijn, gij kunt uw geld sparen, want, nietwaar Lord

Lister, dat gele goedje is het beste wat er op de wereld bestaat!

„Het is het eenige geneesmiddel voor alle zorgen, het bezorgt zelfs

zoo’n leelijken, gelen schurk de mooiste blanke vrouwen.

„Geld is de beste vriend van ons allen, en vooral van een eenzamen man

zooals ik er een ben. En daarom wil ik mijn geldbuidel op deze vaart

zoo goed vullen dat hij mijn gansche leven lang niet meer leeg wordt.

„Dit is mijn laatste antwoord in deze aangelegenheid.”

Hij stond dien dag voor het eerst toe dat Raffles op dek kwam.

Met op den rug gebonden handen lag hij dichtbij de commandobrug en

verbaasde er zich over, dat de zorgen van zijn voormaligen bootsman

zich zoover uitstrekten, dat deze hem een zonnescherm had bezorgd voor

de brandende zonnestralen.

Aan boord heerschte een voorbeeldige discipline, hoewel de matrozen de

bondgenooten waren van Tylar en Jurgens.

Terwijl Raffles onder het zonnescherm lag en naar den horizon keek

waaraan kleine witte wolkjes als rookpluimen hingen, trad de muiter

naar hem toe en sprak:

„Ik weet, dat gij een goed zeeman zijt, Lord Lister. Wat denkt gij van

het weer en van de kleine wolkjes, die daar opduiken?”

„Hoe staat de barometer?” vroeg Raffles.

„Dertig!”

„Dan komt er storm”, antwoordde Raffles, „wilt gij mij zeggen, waar wij

ons bevinden?”

„Volgens de kaart in de Gele Zee!”

„Hoeveel mijlen van land?”

De muiter zweeg een oogenblik, toen sprak hij:

„Ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van de kust af.”

„Wij moeten dichter bij land zijn. Ziet gij die kleine zwermen vogels,

die voor ons schip vliegen, dat zijn landvogels, die niet meer dan

honderd mijlen in zee gaan.”

Op dit oogenblik werd de muiter weggeroepen door den Zweed.

Het eten stond klaar in de kajuit.

Drukkende stilte heerschte in de lucht en in het water. Een

eigenaardige, verschroeiende hitte, die het zweet bij de geringste

beweging uit alle poriën perst.

Slap hingen de zeilen neer.

Raffles, die dit alles waarnam, fluisterde:

„De gekke kerels gaan zitten eten, terwijl het meer dan tijd is om het

schip op den storm voor te bereiden!”

„Hé, Ah-Sam!”

De Chinees, die als wacht vlak bij hem zat, kwam nader.

„Roep onmiddellijk Mr. Tylar. Er is gevaar!”

Daar de kajuit dichtbij was, verliet de Chinees hem en eenige

oogenblikken later stond de muiter voor hem.

„Wat is er?” riep de bootsman.

„Drommels, kerel!” riep Raffles op den toon, dien hij altijd als

kapitein had gebezigd, „roep de bemanning aan dek! Elke seconde komt

het gevaar nader, pas op, of de duivel haalt u en het geheele schip!”

Een dof gerommel, als het geluid van ver geschut, dreunde nu van den

horizont.

Het water zag er zwartgroen en onheilspellend uit, een plotselinge

windvlaag blies de zeilen van het jacht op en wierp het op zijde en nu

haalde Tylar zijn signaalfluit uit zijn zak om de bemanning op dek te

roepen.

Het was meer dan tijd, en terwijl zij de zeilen inhaalden, vulde de

hemel zich met laaghangende, donkergrijze wolken, wier randen

zwavelgeel van kleur waren.

De zee begon steeds woester te worden en nog was het laatste zeil niet

ingehaald, toen het door een orkaan met luid gefluit en gehuil aan

flarden werd gescheurd.

Het kraakte los als een kanonschot, toen het zeil scheurde.

De Chinees echter greep Raffles beet, trok hem in de kajuit, waarvan

hij de deur stevig achter zich sloot en schreeuwde:

„Taifun zal komen, groote storm!—Water als de hel! Schip en alles

verdrinken!”

Het gelaat van den Grooten Onbekende was als uit brons gegoten.

Het leek, of een reuzenvuist het schip had aangegrepen en het in den

kokenden maalstroom wierp.

„Nu zullen wij eens zien, wat voor een kapitein mijn bootsman is,”

mompelde hij met een bitter lachje.

Met luid gekraak, alsof het jacht aan splinters zou vliegen, sloegen de

golven tegen de planken.

De koning der golven, Taifun, had er met geweld bezit van genomen.

Onophoudelijk woedde en donderde het van alle kanten, breede

bliksemstralen doorkliefden de wolken en het scheen alsof het laatste

uur was gekomen.

Als geweldige rotsen kwamen de golven naar het schip toegerold en

dreigden het te vernietigen.

Menschelijke kracht kon hier niet helpen....

Raffles had een sigaret opgestoken en dacht aan de laatste uren van

zijn samenzijn met Carmen Marquez, de laatste schoone herinnering, die

hij van het leven had behouden.

Hij was ervan overtuigd, dat het jacht niet bestand was tegen de

woedende elementen.

Hij vond het verschrikkelijk om in de kajuit vastgebonden te zitten en

niet als een man voor zijn leven te mogen strijden.

Het jacht vloog als een bal door de opgezweepte watermassa.

Elk oogenblik verwachtte hij, dat een der masten over boord zou gaan en

het schip door Taifun tot een wrak geslagen zou worden.

Raffles had zijn tweede sigaret opgerookt, toen de bootsman de deur

opende en sidderend, met knikkende knieën, binnentrad.

„Ik heb alles gedaan wat mogelijk was,” mompelde hij, zich het zeewater

van het gelaat vegend.

„Het jacht is sterk als een leeuw! Maar toch weet ik niet meer, wat ik

zou kunnen doen. Wij worden gedurende eenige minuten als in een cirkel

rondgedraaid!

„Ik heb geprobeerd de boegspriet tegen den storm te houden en heb mij

met Jurgens aan het stuurrad vastgebonden.

„Alles tevergeefs! Wilt gij ons helpen?”

Zonder het antwoord van Raffles af te wachten, sneed hij met een mes de

boeien van zijn gevangene door en de Groote Onbekende begaf zich,

zonder te antwoorden, met hem naar het dek.

„Waar is Jurgens?” riep Raffles.

„Hij ligt beneden met een gebroken rib!”

Nu betrad Raffles het overstroomde dek.

Het was hem bijna onmogelijk zich een weg te banen naar de

commandobrug, terwijl hij zich vasthield aan een touw, dat over het dek

gespannen was.

De razende storm scheen hem te zullen wegvegen van het dek.

Toen hij op de commandobrug stond, riep hij, om zich verstaanbaar te

kunnen maken, tot Tylar:

„Waar zijn de booten?”

„Naar de weerlicht!”

„Kurkvesten en reddingsgordels?”

„Alles, wat op dek was, naar de hel!”

„Dan zullen wij allemaal ook naar de hel gaan,” sprak Raffles, „behalve

wanneer gij mij zegt waar wij ons bevinden.”

„In de buurt van Nagasaki,” riep Tylar en gebruikte zijn handen als een

trompet.

Met alle kracht moest Raffles zich aan de ijzeren leuning der

commandobrug vasthouden, om niet weggespoeld te worden.

„Alle man aan dek!” beval hij.

Toen de matrozen bij de commandobrug waren samengekomen, schreeuwde hij

door den scheepsroeper:

„Stuurboord en bakboord, met ankers, alle kettingen die aan boord zijn,

in zee!”

De matrozen, blij dat zij eindelijk voor hun leven mochten vechten en

weer een leider hadden, voerden ondanks de zware zee in eenige minuten

de ankermanoeuvre uit en dadelijk begon het lichte jacht minder te

draaien en danste het weer over de geweldige golven.

De kettingen en ankers hielden het als een ballon vast.

Zoodra de bemanning het resultaat zag, gevoelde zij zich verlicht.

„Een kranige kerel!” mompelden zij en zij waren vol bewondering voor de

handigheid van Raffles.

„Brengt de olievaten op dek, die beneden liggen als ballast! Brengt de

scheepspomp in verbinding met olie en geeft olie naar stuurboord en

naar bakboord!”

De olietonnen werden de een na den ander door de matrozen, die daarbij

hun leven telkens waagden, op dek gebracht en met de scheepshandpomp

verbonden.

Dat was de laatste kans om het jacht uit het ontzettende terrein van

God Taifun weg te krijgen.

De woeste zee werd kalmer onder de olie en de reusachtige golven, die

het schip dreigden te verpletteren, werden weer normaal.

Een gefluit en gehuil klonk plotseling over het schip door de lucht en

het scheen, alsof een demonische macht het vaartuig in den afgrond van

den Oceaan wilde drukken.

Met starren blik keek Raffles naar het woeden der elementen.

Eenige meters verder en het jacht zou onherroepelijk verloren zijn.

Geen enkel schip, noch de fierste pantserkruiser, noch de grootste

passagiersboot, zou uit dit geweldige, op een cycloon gelijkend geraas

en gekook der golven, uit het middelpunt van het gebied van den Taifun,

weer te voorschijn zijn gekomen.

Plotseling kwam er een eind aan het vreeselijke geloei en gehuil.

Raffles wendde zich tot Tylar, die bij den barometer stond en

schreeuwde:

„Hoe staat het glas?”

En de bootsman riep terug:

„Glas beter. Negen-en-twintig nu— —zooeven zes-en-twintig— —stijgt tot

dertig. Wij zijn er door!”

Toen het maanlicht met helderen glans op de waterheuvelen scheen, was

het gevaar voor het mooie schip geweken.

Tylar keek Raffles aan met een eigenaardige uitdrukking in zijn blik.

Deze stond als uit marmer gehouwen aan het stuurrad en stuurde het

schip.

Nu wendde hij zich tot Tylar.

„Neem nu het roer over, Tylar, en leid het schip verder! Ik heb hier

niet meer te doen! De boot is gered!”

Hij gaf den bootsman het roer en begaf zich, zonder zich verder om

dezen te bekommeren, naar zijn kajuit, waar hij zich uitgeput op zijn

bed wierp.

„Dat is de malste tocht”, mompelde hij, voordat hij ging slapen, „dien

ik ooit in mijn leven heb gedaan. Ik ben alleen maar nieuwsgierig, wat

zij met het schip voor hebben.”

Den volgenden morgen was de storm gaan liggen en Raffles, die zich op

dek bevond, zag aan den horizont een blauwachtige, onbekende kust.

„Dat was een zware storm, Lord Lister!” riep Tylar, „sinds vanmorgen

vroeg zijn wij meer dan twintig wrakken voorbij gekomen. Genoeg schepen

voor een geheele vloot. De taifun zal honderden van menschen het leven

hebben gekost.”

Raffles antwoordde niet, maar keek er naar, hoe de matrozen het schip

langzaam weer in orde brachten en vergewiste zich ervan, dat het jacht

werkelijk geen schade had geleden.

Steeds meer naderde het vaartuig de kust en Raffles, die weer naast

zijn bootsman stond, sprak:

„Wilt gij mij zeggen, naar welke haven gij uw koers neemt?”

„Ja, Sir, wij varen naar Nagasaki!”

Raffles antwoordde niets.

Den volgenden morgen bemerkte hij in zijn kajuit, hoe een anker

neergelaten werd en het schip stil ging liggen.

Haastig kleedde hij zich en ging op dek.

Het schip lag in een wonderschoone baai.

Tylar en verscheiden matrozen begaven zich juist aan land.

Het was eigenlijk geen haven te noemen, waarin zij zich nu bevonden.

Slechts eenige pleizierjachten, wier witte zeilen in het zonlicht

schitterden, lagen op het blauwe water en behoorden waarschijnlijk aan

de eigenaren der villa’s, die tusschen de boomen lagen aan de baai.

Alleen rechts, aan den zeekant, bevond zich, als een zwerm zeevogels,

een groote vloot Japansche visschersvaartuigen.

Groote stoombooten voeren af en toe om de landtong heen en duidden aan,

dat de kleine baai, waarin zij ankerden, in de onmiddellijke nabijheid

van een havenplaats moest zijn.

Dikke, purperkleurige rook, die in breede streepen boven de landtong

naar boven steeg, verried de aanwezigheid van een groote havenplaats.

Raffles haalde zijn verrekijker en zag, dat de boot van Tylar met de

matrozen bij de trap van een groote villa aanlegde en dat zij in het

huis verdwenen.

Welk geheim zouden de matrozen daar hebben?!

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 10 / 17 题