HET GEHEIM VAN DE ZEE.

John Raffles zat met commandant Dalton in diens kajuit en wachtte den

nacht af.

Zij hadden niemand in het vertrouwen genomen en zelfs madame Delma en

haar dochter wisten niets van hetgeen er zou gebeuren.

Zij wilden de dames de vele uren van spanning besparen en dus

vermoedden de beide dames niet, toen zij zich om 10 uur ter ruste

begaven, welke gewichtige gebeurtenis haar te wachten stond.

Nauwelijks was alles op het schip in rust, of commandant Dalton begaf

zich met Raffles naar de commandobrug en gaf den signaal-officier

bevel, met drie tusschenpoozen rood licht te laten schijnen.

Eenige oogenblikken later bracht de officier dat bevel ten uitvoer en

het gloeiend roode schijnsel verlichtte het schip, de haven en de stad.

De officier wist niet, wat dit signaal beteekende, maar hij keek even

gespannen in de nu weer heerschende duisternis als zijn commandant en

Raffles.

Nu begaf Raffles zich met een boot aan boord van het zeiljacht en

weldra volgden hem van den kruiser twee booten, door commandant Dalton

bezet met gewapende matrozen.

Alleen Raffles en Dalton wisten, welk doel deze nachtelijke expeditie

had.

Zacht, elk geluid vermijdend, lieten Raffles en commandant Dalton de

booten naar het havenhoofd varen, welke daar in de schaduw der dammen

bleven liggen wachten.

Dalton en Raffles zelf echter verlieten de booten en gingen op de

havenhoofden heen en weer wandelen.

Bijna een half uur werd hun geduld op de proef gesteld, totdat

plotseling dicht bij hen, uit een groep palmboomen, de donkere gestalte

van een man opdook, die eerst een oogenblik met spiedenden blik naar

hen keek en daarop naar hen toesnelde.

In het volgende oogenblik had Raffles Delma herkend en zonder veel

woorden te wisselen, brachten hij en Dalton hem naar de vaartuigen.

Nadat de vluchteling aan boord was gekomen, voeren de booten even

geruischloos als zij gekomen waren weer naar de haven terug.

Nauwelijks was Dalton met Delma aan boord van den kruiser, of hij liet,

om den spionnen van den gouverneur zand in de oogen te strooien, door

fluitsignalen alle man voor een nachtelijke manoeuvre op dek roepen.

Met daghelderen schijn vlamden de zoeklichten van den kruiser over het

water, terwijl de matrozen de booten bemanden en een landingsmanoeuvre

uitvoerden.

Na eenige uren waren de booten weer ingehaald, daar de eb intrad.

Gedurende dien tijd had Delma in de kajuit van Dalton dezen het geheim

verteld van zijn schatten aan de kust.

„Het is het beste,” sprak hij, „dat wij reeds hedennacht, zoodra het eb

is, naar het hol in de rotsen varen om de gouden staven en dollars,

welke ik daar met mijn vrienden verborg voordat men mij gevangen nam,

in veiligheid te brengen.

„Het zal voor u bijna onmogelijk zijn om dezen schat zonder mijn hulp

te vinden.”

Opnieuw werden de booten in gereedheid gebracht en nu hadden de

bewoners van het land wel kunnen gelooven, dat er een landingsmanoeuvre

werd uitgevoerd aan de steile, rotsige kust van de Noordelijke haven.

Aan het Noordelijk deel van de kust stak een groote rots in zee

vooruit. Naar deze rotsklip liet Delma de booten varen en hij sprong

het eerste op de glibberige steenen, terwijl Dalton en Raffles met

eenige matrozen, die ladders en touwen droegen, volgden.

Het was 2 uur in den nacht: duidelijk hoorden zij de scheepsklok van

den kruiser over het water opklinken.

De zee was kalm en zonder eenige beweging.

Nieuwsgierig volgden de matrozen den hun onbekenden Delma, die over de

rotsblokken voortsnelde, totdat hij voor een in de diepte voerende

kloof bleef staan.

„Wij zijn er!” riep Delma en hij sprong in de grot, waarin hij bijna

geheel verdween.

„Volgt mij met lantarens, ladders en touwen, en weest voorzichtig, want

de grond is glibberig en eenige meters beneden de oppervlakte van de

grot zijn allerlei kleinere holen, die naar een bodemlooze diepte

voeren.”

Voorzichtig, hand aan hand en met de lantarens de vochtige gewelven

belichtend, liepen zij voorwaarts.

Kapitein Dalton en Raffles waren even nieuwsgierig als de matrozen.

Nadat zij allen onder den grond waren verdwenen, bevonden zij zich in

rotsgangen, die niet hooger waren dan dat een man er in gebukte houding

kan staan.

Alleen wanneer het eb was, was deze grot te betreden, want bij vloed

stond het water er eenige meters in.

Voorzichtig tastend gingen zij langzaam vooruit, af en toe door groote

waterplassen wadend, door de zee achtergelaten.

Steeds dieper ging het in de grot.

Hier en daar bevonden zich aan de kanten, als de muilen van zwarte

reuzenbeesten, de ingangen naar zijholen en wee hem, die, zonder den

weg te kennen, in dit labyrinth zou verdwalen!

Ook Delma moest soms met zijn lantaarn de wanden belichten om den weg

te herkennen aan geheimzinnige teekens, welke alleen hij kende.

Delma en Raffles droegen magnesiumfakkels, welke zij eerst, wanneer

Delma het teeken ertoe gaf, in het inwendige van de grot zouden

aansteken.

Plotseling werd de smalle rotsgang breeder en een groote ruimte

vertoonde zich voor hen.

„Steekt de fakkels aan!” riep Delma, „wij zijn aan het doel!”

Op het volgende oogenblik siste de magnesiumfakkel, welke Delma

vasthield, met een helderen schijn aan en verlichtte de ruime grot,

wier wanden bedekt waren met grillige figuren.

In het midden van het hol bevond zich, als een reusachtig donker gat,

een zwarte draaikolk en plotseling weerklonk een gil uit den mond van

Delma.

Vol ontzetting sprong hij achteruit naar de plek, waar Dalton en

Raffles stonden.

En nu zagen zij, dat zich middenin het water een groote zwarte kop

vertoonde, waarvan zich meterslange, afschuwelijke grijparmen

uitstrekten, welke hen trachten beet te pakken.

Met van schrik verwrongen trekken keken ook de matrozen naar het ondier

der zee, in welks rijk zij waren binnen gedrongen.

„Wij moeten handelen!” riep Raffles, die het eerst zijn koele

tegenwoordigheid van geest terug kreeg en hij trok een der matrozen de

enterbijl uit den gordel.

Nu sprong hij naar voren en sloeg den naar hem grijpenden vangarm van

het monster met één houw van de scherpe bijl af.

Als een alles vernietigende maalstroom bewoog het ondier zich nu met

zijn tallooze armen voor de ontstelde oogen der matrozen.

„Neemt de houweelen!” beval Raffles. „Wij moeten de armen vasthouden en

een voor een afslaan!”

Verscheiden matrozen en ook Dalton snelden hem te hulp.

Terwijl zij met hun enterhaken de armen van het monster grepen, sloeg

Raffles op hetzelfde oogenblik den eenen vangarm na den anderen af.

Bijna een uur lang duurde het gevecht tusschen de menschen en den

zwarten duivel der diepte, zooals het volk den octopus noemt.

Toen hadden zij het zeemonster eindelijk onschadelijk gemaakt.

„Het zou het beste zijn geweest”, sprak Dalton, „als wij het beest met

een stukje dynamiet naar de andere wereld hadden geholpen”.

„In geen geval!” riep Raffles uit, „de ontploffing zou misschien de

geheele grot in elkaar hebben doen storten”.

Nadat zij nu de draaikolk van zeewater, waarin de afgehakte ledematen

van het monster rondtolden, waren voorbijgegaan, kwamen zij aan de

plek, waar een zestal metalen kisten en meer dan een dozijn geteerde

zaken onder een vooruitspringend rotsblok verborgen waren.

„Dat is de schat!” riep Delma uit. „En nu aangepakt, jongens, het zal

je geen schade aanbrengen!”

Zij sloegen de touwen om de kisten en trokken ze door de gangen naar

boven.

Hetzelfde deden zij met de zakken en al de drie booten, die de

nachtelijke expeditie meemaakten, werden gevuld met de kostbare lading.

Drie uur, nadat zij den kruiser hadden verlaten, sprongen zij weer aan

boord en brachten den schat in de kajuit van den commandant.

„Zoo”, sprak Dalton tot Delma, „nu bevindt gij en uw schat u in

veiligheid achter de kanonnen van dit oorlogsschip en behoeft niet meer

te vreezen voor de verdere laagheden der Mexicaansche tijgers.”

„Vóór alles verzoek ik u om een der zakken samen te openen, opdat wij

den inhoud kunnen verdeelen onder de geheele bemanning. De blauwe

jongens hebben zich braaf en dapper gehouden”, sprak Delma.

Met van vreugde stralende gezichten kregen alle manschappen van den

kruiser een geldgeschenk van 50 dollar van den geredden Delma.

Daarvoor moesten zij den commandant beloven, over de geheele zaak het

stilzwijgen te bewaren, zoolang zij zich in een Mexicaansche haven

bevonden.

Nog steeds wisten Madame Delma en haar dochter niet, dat haar

echtgenoot en vader zich reeds weer sinds eenige uren aan boord van den

kruiser bevond en dat het grootste deel van haar vermogen was gered.

Eerst des morgens, toen zij aan het ontbijt verschenen, begonnen

Raffles en Dalton haar voorzichtig te vertellen van de avonturen van

den afgeloopen nacht en eindelijk kwam, op een afgesproken teeken, de

geredde binnen.

Dalton en Raffles verlieten zwijgend en ongemerkt de eetzaal en lieten

het drietal alleen in de plechtige en gelukkige oogenblikken van het

weerzien.

Terwijl zij langzaam op het dek heen en weer wandelden, weerklonken

plotseling alarmschoten van het havenfort.

„Ha!” riep Dalton, „zij hebben de ontsnapping van den gevangene

bemerkt.

„Let eens op, Sir, nu begint het tweede gedeelte van de geschiedenis.

„Ik ben nieuwsgierig, hoe zij zich zullen gedragen”.

Het duurde een half uur, toen verscheidene booten van het land kwamen

en Dalton en Raffles zagen, dat zij gevuld waren met soldaten.

Een der booten begaf zich naar het zeiljacht, terwijl het andere den

weg nam naar den kruiser.

„Halt, gentlemen!” riep Dalton, toen de boot aan bakboordzijde

aanlegde, „wat wenscht gij?”

„Wij verzoeken toestemming om op uw kruiser te zoeken naar een

vluchteling, die gisternacht uit het fort is uitgebroken”.

„Ik denk, dat gij schertst”, lachte Dalton. „Aan boord van een

Amerikaansch oorlogsschip zijn geen vluchtelingen van vreemde naties.

„Iedereen, die zich achter de kanonnen van mijn kruiser bevindt, is

even veilig als op Amerikaanschen bodem en gij moet dus uw verzoek om

uitlevering van dezen persoon richten aan mijn regeering te

Washington.”

De commandeerende officier der boot stiet een vloek uit en antwoordde:

„Ik zal het strengste bevel uitlokken van gouverneur Matteo, om den

vluchteling, wanneer hij zich aan boord van uw schip bevindt, weer aan

land te brengen.

„Ik maak er u opmerkzaam op, dat het verborgen houden van dezen

vluchteling aan boord van uw oorlogsschip verwikkelingen zou kunnen

geven tusschen Mexico en de Vereenigde Staten!”

Dalton lachte luidkeels:

„Vertel uw gouverneur uit mijn naam, dat de Vereenigde Staten nog nooit

verwikkelingen met Mexico hebben gevreesd!”

Zonder verder notitie te nemen van den Mexicaanschen officier, keek hij

met scherpen blik naar het zeiljacht, haalde plotseling een

signaalfluit te voorschijn, zette die aan den mond en gaf het signaal:

„Booten gereed houden voor het gevecht!”

Onmiddellijk weerklonk het fluitsignaal en de bemanning haastte zich

uit hun hutten en van het dek in de booten, zoodat in minder dan vijf

minuten de stoomsloepen benevens acht booten klaar voor het gevecht in

het water gereed lagen.

Dalton sprong met Raffles in de stoomsloep en gaf bevel:

„Vooruit naar het zeiljacht! Daar aan boord bevinden zich Mexicaansche

soldaten, die het eigendomsrecht der Vereenigde Staten aanranden!”

Pijlsnel vlogen de stoomsloepen en booten naar het zeiljacht, dat door

de Mexicaansche soldaten geënterd was.

Zij wachtten niet eerst de komst der Amerikaansche mannen af.

Haastig, als een sprinkhanenzwerm, verlieten zij het zeiljacht, voordat

de booten aankwamen en roeiden met snelle slagen naar de haven.

Een luid hoera klonk hun na uit de monden van Uncle Sam’s teerjakken.

Daarop keerden de booten naar den kruiser terug, terwijl Raffles zich

aan boord van zijn jacht begaf.

Hij zag, dat zijn matrozen mismoedig keken en zijn bevelen blijkbaar

met onwil opvolgden.

Dadelijk riep hij de geheele bemanning aan dek, liet het anker lichten

en het jacht de zeilen bijzetten.

Langzaam kruiste hij nu met zijn jacht in de buurt van het oorlogsschip

en na twee uur verliet een boot het oorlogsschip, waarin zich behalve

de matrozen, commandant Dalton en Delma bevonden.

„Ik ben van plan”, sprak Delma tot Raffles, toen hij zich met Dalton op

het zeiljacht bevond, „met u een expeditie te ondernemen naar de

Yaqui-rivier en daar mijn vriend, het opperhoofd, mijn redding mede te

deelen, om verder met hem een overeenkomst te treffen, aangaande het

afstaan hunner kolenmijnen aan de Vereenigde Staten”.

„De regeering te Washington,” sprak Dalton, „zal u voor het edelmoedige

geschenk bijzonder dankbaar zijn. Wij hebben tot heden hier aan de

Pacific-kust geen enkel kolenstation.”

„Gij zult er voortaan een hebben!” sprak Delma, „en deze kolenmijnen

zullen mijn geschenk zijn aan de Amerikaansche regeering, voor de hulp

die gij mij hebt verleend.”

„Ik zal,” sprak Dalton, „nog twee dagen na uw aankomst in de haven

blijven liggen, om te zien, of gij soms van hier uit vervolgd wordt.

„Dan zal ook ik naar de Yaqui-rivier komen, daar de verdragen met de

opperhoofden namens mijn regeering onderteekenen en daarbij samen met u

naar San Francisco reizen.”

Terwijl zij nog op dek stonden, bliksemde plotseling een roode gloed

uit de monden der kanonnen op het fort; het doffe gebrom van het

geschut weerklonk en verscheiden granaten kwamen dicht bij het

zeiljacht terecht.

„Goddam!” riep Dalton, „de kerels durven een Amerikaansch schip

beschieten! Nu blijft mij niets anders over, dan met gelijke munt te

betalen.”

Haastig nam hij afscheid van Raffles en Delma, wenschte hun goede reis,

en terwijl de havenbatterijen voor den tweeden keer hun granaten

afzonden, voer hij door het opspuitende water naar zijn kruiser terug.

John Raffles liet de zeilen bijzetten en als een trotsche zwaan gleed

het prachtvolle jacht uit de Mexicaansche haven.

Toen zij den havenmond bereikten, hoorden zij uit de haven het doffe

geluid van het geschut van den Amerikaanschen kruiser.

Dalton had woord gehouden en, nadat hij een half uur lang de

havenforten had beschoten, den vijand tot zwijgen gebracht.

„De gouverneur van Guaymas moet krankzinnig zijn geworden,” sprak

Dalton tot zijn officieren, „wij zouden nu het grootste recht hebben om

daar met onze troepen te landen en van Guaymas een Amerikaansche haven

te maken!”

Op dit oogenblik stiet een groote barkas van land, een witte vlag in

top voerend.

„Aha,” riep Dalton, „zij komen om te onderhandelen en hebben ingezien,

welke fout zij hebben begaan.”

Te midden der gouden uniformen van de officieren, zat in de barkas de

gouverneur.

Na eenige minuten beklom hij de valreeptrap en stond tegenover Dalton.

„Wat wenscht gij van mij,” riep Dalton op een alles behalve

beminnelijken toon.

„Komt gij misschien om mijne regeering uw verontschuldigingen aan te

bieden voor uw onverantwoordelijk optreden?

„Ik zal binnen eenige minuten mijn booten in Guaymas laten landen.

„Ik zal de Amerikaansche vlag op uw regeeringsgebouw hijschen in plaats

van den Mexicaanschen Adelaar.”

De gouverneur Matteo stond met bleek gelaat voor Dalton, uit zijn

kleine, fonkelende oogen straalde een doodelijke haat.

Een blik was den commandant voldoende om diepen haat te lezen in de

oogen van den gouverneur.

„Gij moet mij verontschuldigen, commandant,” sprak de gouverneur, „ik

was niet in de stad, maar bevond mij op mijn landgoed.

„Nauwelijks hoorde ik er van, of ik kwam zoo gauw mogelijk hier, om

verder onheil te voorkomen.”

„Gij zijt een leugenaar!” riep Dalton uit. „Als commandant van de stad

en als gouverneur van Guaymas zijt gij verantwoordelijk voor hetgeen

uwe troepen uitvoeren.

„Gij kunt uw verdere verontschuldigingen voor u houden en u tot mijn

regeering wenden.

„Hoe uwe regeering, de president van Mexico, hierover denkt, zult gij

zelf wel het beste weten!

„De havenbatterijen zijn door mij tot zwijgen gebracht.

„Het doet mij leed, dat gij en het gespuis, dat in uw dienst is, niet

tegelijkertijd met de kanonnen voorgoed onschadelijk zijt gemaakt.”

De Mexicaan mompelde een half gesmoorden vloek en zijn vuist omklemde

krampachtig het gevest van zijn degen.

Hij wierp fier het hoofd in den nek en, zonder nog een woord tegen

Dalton te spreken, verliet hij den Amerikaanschen kruiser.

Zoodra hij zich aan land bevond, zond hij een telegram aan Marquez en

zijn vrienden in Mexico, wien hij het gebeurde mededeelde en tevens

verzocht, ervoor te zorgen, dat het eenige oorlogsschip, dat Mexico

bezat, dadelijk naar de Yaqui-rivier vertrok, omdat hij veronderstelde,

dat de ontvluchte Delma zich daarheen had begeven.

Twee dagen later zette de Amerikaansche kruiser stoom en terwijl de

matrozen de „Yankee Doodle” speelden, verliet hij de haven.

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 8 / 17 题