IN DE CITADEL.

Het was laat in den avond van den tweeden dag, toen John Raffles in de

nabijheid van het fort, dat van de stad was gescheiden door velden van

maïs, boonen en tarwe en groote tabaksvelden, op de dames wachtte, om

met haar te zamen den ouden bisschop van Guaymas, den vriend van hun

echtgenoot en vader, op te zoeken.

De tropennacht was reeds neergedaald en boeren in wit linnen pakken, in

shawls gehulde vrouwen, ruiters op zwaarbeladen muilezels, wier

zilverheldere bellen door de stille lucht klonken, gingen langzaam

Raffles voorbij en verdwenen in de stad.

Van den kerktoren weerklonk het Ave-Maria en daarna maakte zich een

diepe rust meester van de oude, romantische stad, waar eens de

Spanjaarden in woeste rooftochten naar goud waren komen zoeken.

John Raffles dacht aan de wilde avonturiers onder Fernando Cortez en

plotseling kwam het hem voor, alsof hij zelf een van die dolle

waaghalzen was, alsof hij hier aan de kust stond om den Roodhuiden hun

gouden schatten af te nemen.

Terwijl hij nog in gedachten verdiept naar de velden keek onder den met

sterren bezaaiden nachtelijken hemel, doken plotseling twee zwaar

gesluierde gedaanten uit de duisternis op en groetten hem zacht.

Het was lady Delma, die heden voor het eerst na een jarenlange

afwezigheid den bodem van haar vaderland betrad. Zij had zich geheel in

shawls en sluiers gehuld, opdat geen der spionnen van den gouverneur

haar zou ontdekken.

Zwijgend begaven zij zich naar de stad, terwijl Madame Delma, die alle

straten en pleinen nauwkeurig kende, als gids diende.

Naast de oude, deftige poort lag het vroegere klooster der dominicanen,

waarin de bisschop van Guaymas resideerde.

Zacht liet Madame Delma den koperen klopper op de deur vallen, een

luikje werd geopend en het gelaat van een ouden man verscheen, die

vroeg, wat zij wenschten.

Madame Delma ging naar de deur en op fluisterenden toon sprak zij:

„Goeden avond, Alverade. Herkent gij mij?”

Een half gesmoorde kreet van verrassing weerklonk uit den mond van den

slotvoogd.

Daarop sloot hij het luikje weer en opende zoo gauw hij kon de zware

deur, nadat hij in groote haast de grendels had weggeschoven.

Zij traden nu binnen en nauwelijks bevonden zij zich in de hal, die

door een olielamp was verlicht, of de slotvoogd sloot even haastig de

deur weer.

Daarop wendde hij zich tot madame Delma.

„Waar komt gij in ’s Hemelsnaam vandaan? Weet gij, dat dat u het leven

kan kosten?”

„Dat weet ik,” antwoordde madame Delma, „maar ik ben aan boord van den

Amerikaanschen kruiser gekomen en sta onder zijn bescherming.

„Ik zou niet bang zijn om onder het bereik der Amerikaansche kanonnen

openlijk de stad te betreden, wanneer ik op die manier mijn plannen

niet onmogelijk zou maken.

„Ik wensch namelijk mijn echtgenoot te bevrijden.”

„Ik dacht het reeds”, antwoordde Alverade.

„Is de bisschop thuis?”

„Helaas neen!” sprak de slotvoogd. „Hij is tijdelijk afwezig en komt

eerst over twee dagen terug van zijn inspectiereis, die hij in het land

maakt.

„Maar als ik u van dienst kan zijn, Señora, hebt gij slechts over mij

te gebieden.”

„Goed, Alverade, hier is een trouw vriend van mij, die reeds in San

Antonio zijn leven heeft gewaagd om mijn echtgenoot en mij te helpen.

„Ik verzoek u, naar zijn wenschen te luisteren en dan te willen zeggen,

hoe gij erover denkt.”

De slootvoogd opende de deur naar zijn kamer en liet hen het

ouderwetsch ingerichte vertrek binnengaan.

Hij haalde uit een kast in den muur een flesch ouden, Californischen

wijn, een schaal met gebak, glazen en prachtige trossen druiven.

De gastvrijheid, die steeds in het klooster werd betracht, gaf hem geen

rust, voordat hij zijn gasten een glas wijn had ingeschonken en met hen

gedronken had.

Eerst toen wendde hij zich tot Raffles en sprak:

„Ik ben tot uw dienst, señor.”

De slotvoogd was John Raffles in elk opzicht sympathiek; hij had een

openhartig, eerlijk gelaat en Raffles begon daarom zonder aarzelen hem

zijn plannen mee te deelen.

„Ik wil,” sprak Raffles, „morgenmiddag den gouverneur, onder een

geleide en vermomd als priester, bezoeken.

„Mij dunkt, dat dit zonder eenig gevaar uit te voeren is.”

De slotvoogd knikte nadenkend en antwoordde:

„Dat kan zonder gevaar gebeuren, en wat denkt gij verder te doen,

señor?”

„Dat weet ik voorloopig zelf nog niet. Ik kan dat eerst zeggen, nadat

ik het fort heb leeren kennen en persoonlijk met de gevangenen heb

gesproken.”

„Kom morgenmiddag om 2 uur bij mij,” sprak de slotvoogd, „ik zal u

helpen zooveel in mijn macht is.”

Eerst nu sprak mevrouw Delma met den slotvoogd over het bevinden van

den gevangene.

De slotvoogd antwoordde:

„Sinds de laatste weken is uw echtgenoot ongesteld.

„Wanneer de bisschop door zijn invloed als geestelijke den gouverneur

niet van een moord had teruggehouden, leefde de gevangene nu niet meer.

„Het is goed, dat gij zijt gekomen.

„Want ik geloof niet, dat zelfs de bisschop de terechtstelling van den

ter dood veroordeelde nog lang zou kunnen doen uitstellen.

„Het is hoog tijd, dat er redding voor den ongelukkige komt opdagen.”

Het kostte Raffles moeite om de lady, die zich bij het hooren van dit

bericht zeer opwond, te kalmeeren en na een uur verliet hij met haar,

nadat zij zich ervan hadden overtuigd, dat er niemand op straat was,

het huis van den bisschop.

In de haven lag een boot van den Amerikaanschen kruiser op hen te

wachten. Op eenigen afstand daarvan stonden een paar Mexicaansche

havensoldaten naar hen te kijken.

„Sakramenta!” vloekte een havenofficier, een spion van den gouverneur,

die bij de soldaten stond, „ik zou weleens willen weten, wat die

vervloekte Amerikanen des nachts in de stad te zoeken hebben.”

De ontslagen Diego, die dichtbij hem stond, mompelde:

„Zij hebben een plan, maar welk, dat mag de duivel weten!”— — — —

Het was den volgenden dag tegen den bepaalden tijd, toen de slotvoogd

met een priester zich naar de poort van het fort begaf.

De wachthebbende soldaten groetten het tweetal vol eerbied.

Het kerkelijke gewaad was hier nog altijd machtiger dan de met goud

versierde uniformen der tyrannen.

Eenige minuten later trad Raffles het van zware ijzeren kettingen

voorziene verblijf van den gevangene binnen en keek vol belangstelling

naar den grijzen gebogen man, die, zonder op hem te letten, door de

traliën naar buiten keek.

Een stroomatras en een oude stoel waren de eenige meubelen in de cel.

Raffles stond reeds verscheiden seconden op den drempel, voordat de

gevangene zich naar hem toewendde en hem aankeek met oogen, wier

uitdrukking deed denken aan een gevangen roofdier.

„Wat wenscht gij, priester?” vroeg hij kortaf. „Is het alweer tijd om

te bidden? of wilt gij mij mijn laatsten gang gemakkelijk maken door uw

gebed?

„Ik ken u niet! Sinds wanneer zendt de bisschop mij vreemde priesters?”

De slotvoogd had de deur der cel achter Raffles gesloten.

Nu trad Raffles tot vlak bij den gevangene en sprak:

„Ik ben een vriend van u en kom om u te redden.”

Op het volgende oogenblik sprong de gevangene naar den stoel, greep

dezen, alsof hij hem als wapen wilde gebruiken en riep:

„Vervloekte leugenaars! Sinds wanneer zenden mijn vijanden, de

gouverneurs Marquez en Matteo, hun spionnen in priestergewaad?

„Is u zelfs het kleed van de dienaren Gods niet meer heilig om uw

duivelsch plan ten uitvoer te brengen?”

Raffles haalde van onder zijn soutane een gladden gouden ring te

voorschijn, welken hij, zonder een woord te zeggen, den gevangene

voorhield.

„Wat moet die ring?” vroeg Delma opnieuw.

„Lees de inscriptie, die er in gegraveerd is.”

Haastig las de gevangene, wat in den ring stond en hij zag nu, dat het

de trouwring zijner vrouw was, welken deze Raffles had meegegeven om

het vertrouwen van den gevangen Delma te winnen.

Maar nog steeds was diens wantrouwen niet overwonnen.

Plotseling lachte hij hoonend, schudde de vuisten en riep:

„Hebt gij, honden, mijn vrouw misschien vermoord? Is zij mij reeds

voorgegaan op den weg, dien ik weldra zal volgen?”

Nu trad Raffles naar het venster en sprak:

„Wij hebben erop gerekend, dat gij mij wellicht zoudt wantrouwen en

daarom heb ik met uw echtgenoote, welke zich daar op den Amerikaanschen

kruiser bevindt, dien gij van hier kunt zien, een teeken afgesproken.

„Daar op dek staat uw echtgenoote naar dit venster te kijken.

„Op het oogenblik, waarop wij een witten doek eenige keeren door de

tralies laten wapperen, zal men aan boord van het oorlogsschip een

signaalschot als antwoord geven.

„Is u dat voldoende om te gelooven, dat ik werkelijk door uw vrouw ben

gezonden?”

„Zeker,” antwoordde Delma, „dat zal mij voldoende zijn. Zijt gij

werkelijk een vriend, die mij uit dezen vreeselijken toestand wil

bevrijden? En bevindt mijn echtgenoote zich daar?”

John Raffles had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en de gevangene

zag, hoe hij er meerdere malen mee voor de tralies heen en weer

zwaaide.

Daarop trok hij den zakdoek snel terug.

Na een korte pauze weerklonk daarbuiten in de haven het doffe geluid

van een signaalschot.

Nauwelijks was het geluid verstomd, of de gevangene snelde naar Raffles

toe, reikte hem beide handen en riep uit:

„Vergeef mij mijn wantrouwen, señor, maar gij zult dat in mijn toestand

begrijpelijk vinden.”

Daarop kuste hij met trillende lippen den trouwring zijner vrouw en

fluisterde:

„Mijn arme vrouw! Mijn lief, goed kind! O, was ik toch bij haar!”

Hij zonk op den stoel neer en snikte hartstochtelijk.

Raffles trad zacht naar hem toe, legde hem de hand op den schouder en

sprak:

„Houd goeden moed, mijn arme vriend. De redding is nabij! Stel

vertrouwen in mij!”

Delma sprong naar de tralies en wees naar het plein vóór het fort.

„Daar!” riep hij uit, „daar heeft Marquez mijn beste vrienden

doodgeschoten.

„Ik zelf moest toeschouwer zijn.

„De handen, waarmee ik mijn oogen bedekte, om het afschuwelijke niet te

zien, trok men weg.

„Nu nog hoor ik in mijn droomen de geweersalvo’s en de doodskreten

mijner arme vrienden.

„Elken dag verwachtte ik, als laatste slachtoffer van dezen tyran, op

het plein te worden gebracht om, zonder mijn vrouw en dochter ooit te

hebben weergezien, ter dood te worden gebracht.”

„Wees kalm!” verzocht Raffles hem. „Toon, dat ge een man zijt!”

Een straal van hoop gleed over het ingevallen, asch-vale gelaat van den

gevangene, zijn oogen kregen een blijden glans en nieuwe hoop drong

zijn hart binnen.

„Laat ons snel een besluit nemen!” sprak Raffles. „Een kleine tegenslag

kan het geheele plan doen mislukken. Dit is onze eenige gelegenheid om

het plan voor uw bevrijding te smeden.

„Wij vreemdelingen worden op de hielen gevolgd door de spionnen van den

gouverneur!”

De gevangene bukte zich naar zijn stroozak, tilde hem op en haalde een

vreemd amulet te voorschijn, zoo groot als een hand en den vorm

hebbende van een dier.

„Neem in de eerste plaats dit!” sprak hij tot Raffles. „Wie in het

bezit is van dit teeken, is heer der Yaquis. Bewaar het als een schat.

„Dit teeken is mijn verdrag met het opperhoofd der Yaquis en is hun zoo

heilig als de altaren hunner goden.

„Alle opperhoofden zwoeren mij onder dit teeken hun heiligsten eed.

Bisschop Pasquiras heeft het sinds mijn gevangenneming voor mij

bewaard. Ik bezwoer hem, dat ik het hier uit mijn venster in den stroom

zou werpen, voordat ik naar het plein zou worden gevoerd om

gefusilleerd te worden.

„Met dit teeken kunt gij alles van de Yaquis gedaan krijgen.

„Wie het hen vertoont, geldt als mijn erfgenaam en is eigenaar der

groote goudmijnen, koper- en zilverbergwerken, wier ligging in de

binnenlanden alleen de Yaquis kennen.

„Mijn vader kreeg het van het voornaamste opperhoofd der Yaquis, met

wien hij, voordat de Mexicaansche vlag hier woei, als met een broeder

leefde.

„Mijn moeder was een dochter van het voornaamste opperhoofd van dezen

stam.

„Dat is het geheim, hoe ik in het bezit ben gekomen van de fabelachtige

goudmijnen van het Yaquiland.

„Geef dit teeken aan mijn echtgenoote, als mijn redding mislukt en ik

gestorven ben. Alle opperhoofden der Yaquis en hun priesters zullen

haar helpen, haar eigendom terug te krijgen.

„Zweer mij bij uw moeder, dat gij het recht, dat hieraan verbonden is,

heilig zult houden voor mijn echtgenoote en dochter!”

„Ik zweer het u!” antwoordde Raffles op plechtigen toon. „En het zal u

zeker geruststellen, te weten, dat ik de wereld heb doorgereisd om u

ter hulp te komen.”

De gevangene sloeg zijn armen om den hals van Raffles en keek hem met

zijn diepliggende oogen aan, kuste hem op het voorhoofd en sprak:

„De hemel moge u vergelden, wat gij voor de mijnen en mij doet. Doch

laat mij nu vóór alles een brief aan mijn vrouw en dochter schrijven.”

Hij haalde uit zijn stroozak papier en potlood te voorschijn en begon

met bevende vingers bladzijde na bladzijde te vullen.

Nadat hij hiermee gereed was, sprak Raffles:

„En neem nu dit, Señor Delma, daarmee moet gij, als de hemel het wil,

uzelf helpen, want het is onmogelijk u door de sterke wacht, die dit

fort bezet, naar buiten te brengen.”

Hij sloeg de soutane open en begon een om zijn lichaam gewonden, twaalf

meter lange lasso te voorschijn te halen.

Met verbazing keek Delma naar het touw en volgde snel het bevel van

Raffles, om het onder den stroozak te verbergen.

Nadat dit gebeurd was, nam de Groote Onbekende uit een der zakken van

zijn priesterkleed een fleschje met olie en verschillende goed bewerkte

vijlen.

„Zoo”, sprak hij, „de vijlen zijn van zulk solied Manchesterstaal

gemaakt, dat gij binnen een half uur de oude stangen van het ijzeren

traliewerk kunt hebben doorgevijld.

„Opdat het geruischloos kan geschieden, doet gij verstandig, de vijlen

eerst in olie te dompelen.

„Reeds hedennacht moet gij uzelf bevrijden.

„Let erop, uw bevrijdingswerk te beginnen, als gij aan boord van den

Amerikaanschen kruiser een rood licht ziet opvlammen.

„Ik zal dan dadelijk met een boot naar een havendam van het fort varen

en daar op u wachten.”

Op dit oogenblik opende de slotvoogd de deur weer, ten teeken dat de

tijd van het bezoek verstreken was.

Nog eenmaal reikten zij elkaar de handen, een laatste blik werd

gewisseld en Raffles verliet de cel.

De deur werd weer in het bijzijn van den gevangenbewaarder gesloten en

de jonge priester verliet met den slotvoogd het fort.

Geen enkele der spionnen van den gouverneur vermoedde, welke een

gevaarlijk bezoeker in de gevangenis was geweest.

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 6 / 17 题