DE ZEE-ADELAAR.

In de haven van San Diego lag dichtbij het Mexicaansche fort de

trotsche, Amerikaansche kruiser „Florida”, commandant kapitein Dalton.

Het schip lag pas vier-en-twintig uur in de haven en de matrozen

hielden zich bezig met het dek te schrobben en alle sporen van de lange

zeereis uit te wisschen, die den zeeman even erg hinderen als een

vlekje in het linnengoed de nette huisvrouw.

Op het dek, achter de commandobrug, zat de commandant, kapitein Dalton.

Een jonge man, die naast hem in een gemakkelijk Japansch stoeltje zat,

was Charly Brand in tropenkleeding en op eenigen afstand van hen zaten

mevrouw Delma en haar dochter.

Af en toe namen zij hun verrekijkers op, om aan den horizont naar

schepen te zoeken.

„Binnen twee uur kan, volgens mijn berekening, de „Zee-adelaar”, hoewel

het het beste en snelste jacht is dat ooit de Atlantische Zee heeft

bevaren, niet hier zijn!” sprak commandant Dalton.

„Gij moet uw ongeduld bedwingen, dames!”

„Gij kunt niet gelooven, commandant,” antwoordde madame Delma, „hoe ik

er naar verlang Lord Lister terug te zien, om hem te danken voor alle

avonturen waarin hij zich voor ons heeft begeven.

„Deze man komt mij voor als een der helden uit de middeleeuwen, een van

die ridders, die zonder vrees of blaam den kamp met een draak wagen, om

onschuldigen tegen de woede van een dergelijk monster te beschermen.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde de commandant. „Lord Lister is een van de

merkwaardigste naturen, die misschien sinds eeuwen op deze wereld

hebben bestaan. Ik tel mij zelf tot zijn grootste bewonderaars.

„Ik moet eerlijk bekennen, hoewel ik zelf niet bang ben voor den

duivel, dat ik niet begrijp, waar Lord Lister den moed vandaan haalt om

al zijn waagstukken te ondernemen.”

„Het zijn niet eens allemaal waagstukken te noemen,” vervolgde mevrouw

Delma. „Ik geloof, dat wij er een beter woord voor kunnen gebruiken:

het zijn heldendaden!”

„Ik geef u gelijk,” sprak de commandant, „ik zelf heb oneindig veel aan

zijn heldenmoed te danken, dat wil zeggen, eigenlijk niet ik, maar mijn

moeder.”

De dames en Charly Brand keken vol aandacht naar den spreker.

„Mogen wij weten, wat voor een heldendaad het is geweest, waarvoor gij

Lord Lister dank verschuldigd zijt?”

„Het is verscheiden jaren geleden,” begon de commandant te vertellen,

„en ik lag met mijn schip in Boulogne-sur-Mer. Ik verwachtte mijn

moeder uit Londen en was tamelijk ongerust, daar een zeer hevige storm

op het Kanaal woedde.

„Het is veel veiliger om het Kanaal te passeeren in een mijner booten,

dan op zulk een oud, niet zeewaardig Fransch stoomschip.

„Kort en goed, als gij de haven Boulogne-sur-Mer kent, zult gij weten,

dat het voor stoombooten onmogelijk is daar binnen te loopen en dat zij

de passagiers per roeiboot aan wal moeten brengen.

„Met mijn stoomsloep voer ik naar den stoomer en kwam er juist op het

oogenblik, toen de kleine havenstoomboot, overladen met passagiers,

zich gereed maakte het stoomschip te verlaten, om naar de haven te

varen.

„Mijn moeder, die mij had gezien, wenkte mij met haar zakdoek.

„Op dit oogenblik werd het schip door een golf opzij geworpen......

„Een luid geschreeuw weerklonk uit veler mond—en juist daar, waar mijn

moeder had gestaan, had de golf verscheiden personen in de branding

geworpen.

„Met veel moeite verhinderden mijn dekofficieren en matrozen mij om in

het water te springen.

„Het stond gelijk met zelfmoord, om zonder zwemgordel, zich alleen

verlatende op zijn lichaamskracht, den strijd met de golven te durven

aanvaarden.

„Van boord der stoomboot werden reddingsgordels en kurken vesten naar

de drenkelingen geworpen, maar voordat zij deze konden bereiken, waren

de ongelukkigen door de sterke golven ver van het schip gedreven en

worstelden zij wanhopig met den dood.

„Daar zag ik plotseling tot mijn verbazing, hoe een man, met een kurken

vest in de hand, van de verschansing sprong.

„Een nieuwe kreet van ontzetting weerklonk....

„Met een stoomsloep trachtte ik de ongelukkigen te naderen en het

gelukte mij ook twee jonge mannen, even voordat zij zouden zinken, aan

de golven te ontrukken.

„Mijn moeder echter kon ik niet ontdekken.

„Zij was waarschijnlijk door den stroom reeds van het land weggedreven.

„Radeloos van smart trachtte ik nog eens mij in het water te storten.

„Tevergeefs.

„Mijn brave jongens hielden mij stevig vast en weigerden voor het eerst

in mijn leven om mij te gehoorzamen.

„Ja, een van hen, mijn oude bootsman, hief zelfs zijn vuist op en

schreeuwde:

„„Kapitein, voordat gij in het water springt en u nutteloos opoffert,

geef ik u een slag op den schedel, dat gij minstens een uur lang in uw

kajuit voor anker moet liggen. Voor mijn part laat gij mij daarna aan

een ketting leggen!”

„En weer klonk een kreet van boord van de stoomboot.

„Een van mijn officieren riep plotseling:

„„Hij heeft haar gegrepen!”

„En daarop telephoneerde hij naar de machinekamer: „Volle stoom!” en

den stuurman beval hij: „Koers Noordoosten, naar het havenhoofd!”

„Wat in de volgende seconden gebeurde, kan ik niet zeggen. Ik werd als

in schroeven vastgehouden door de stevige vuisten mijner matrozen, en

daarna— — —

„Als in een droom zag ik uit de ziedende golven mijn moeder opduiken en

vlak naast haar de gestalte van een man.

„Een oogenblik later hadden mijn matrozen het tweetal, dat om hun leven

vocht, gegrepen en weldra waren zij gered van den dood.

„Mijn moeder lag bewusteloos in mijn kajuit en ik deed mijn best om

haar levensgeesten weer op te wekken.

„Een kurken vest was om haar lichaam gedaan en had haar belet te

zinken.

„Eindelijk werd al onze moeite beloond. Mijn moeder opende de oogen en

wij omhelsden elkaar, vreugdetranen stortend.

„Ikzelf noch mijne officieren hadden erop gelet, dat zich als zwijgend

toeschouwer nog iemand in de kajuit bevond, die nu, nu de drenkelinge

weer bijgekomen was, even kuchte en sprak:

„„Pardon, commandant, maar ik zou u vriendelijk willen verzoeken, mij

aan droge kleeren te helpen. Ik druip, alsof ik pas uit het water was

gekomen.”

„Ik ben in mijn geheele leven nog nooit zoo geschrokken als op dat

oogenblik.

„Ik staarde naar den gentleman, die inderdaad zoo nat was, dat het

water nog steeds uit zijn kleeren stroomde.

„Eerst nu begreep ik, dat ik aan dezen man de redding mijner moeder te

danken had.

„En toen ik nu opstond en, waarschijnlijk ten gevolge van den schrik,

slechts in staat was om eenige verlegen dankbetuigingen te uiten,

maakte hij een buiging en sprak op een toon, alsof hij tegenover mij in

een balzaal stond:

„„Sta mij toe, dat ik mij aan u voorstel: Lord Edward Lister.”

„Ik geloof, dat ik een zeer verbaasd gezicht heb gezet, toen ik dezen

naam hoorde.

„Uit de kranten had ik herhaaldelijk den naam van den Lord gehoord, in

verband met vermetele avonturen en mij een voorstelling van hem gemaakt

als van een Rinaldo Rinaldini.

„Ik was zoo verbluft, dat ik niet in staat was, mijn naam te noemen,

maar weer de een of andere domheid mompelde.

„Kort en goed, vier-en-twintig uur later zat ik met Lord Lister en mijn

moeder samen in Parijs en voelde mij zeer aan hem verplicht, niet

alleen omdat hij de redder van mijn moeder was geworden, maar ook omdat

hij voor mij de meest sympathieke persoon was, dien ik ooit had

aangetroffen.

„Sinds dien tijd zijn Lord Lister en ik door de innigste vriendschap

verbonden en daarom heb ik mij, toen ik zijn brief had ontvangen,

toestemming verschaft van het ministerie van marine in Washington om

een oefeningsvaart in de Mexicaansche wateren te doen, ten einde onder

den dekmantel van deze zee-expeditie u en uwe belangen te kunnen

dienen.”

„Ik begrijp alleen niet”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek,

„hoe Lord Lister aan den „Zee-adelaar” is gekomen, waarvan gij vertelt,

commandant, dat het het snelste jacht is, dat er op het oogenblik

bestaat.”

„Heel eenvoudig”, glimlachte commandant Dalton, „ik kreeg een telegram

van hem in New-York, waarin hij mij verzocht, hem door mijn

tusschenkomst een goed zeiljacht, dat te koop was, te bezorgen.

„Toevalligerwijze heeft een van mijn vrienden, de zoon van den

katoenkoning May, genoeg van de zeilsport en zoodoende was het

zeiljacht te koop.

„Door een telegram kreeg ik toestemming om te beschikken over het

zeiljacht, dat eerst kort geleden was teruggekomen van een reis naar

Indië en nu in de haven van New-York lag.

„Ik liet door een agent manschappen aanwerven en zond die, zooals Lord

Lister dat wenschte, naar Vera Cruz.

„Ik deelde hem mee, dat wij de haven niet konden binnenloopen, zooals

het oorspronkelijke plan was, en dat het voor hem en voor ons beter zou

zijn, elkaar hier in San Diego aan de Pacific-kust te ontmoeten.”

„Hoe weet gij, commandant, dat het jacht binnen twee uur hier moet

zijn?”

„Doodeenvoudig”, antwoordde de commandant lachend, „dat kan ik naar de

snelheid der beide schepen nauwkeurig berekenen. Mijn kruiser maakt 14

knoop per uur en de „Zee-adelaar” zelfs 16, met volle zeilen.

„Bereken ik nu zijn snelheid evenals die van mijn kruiser, tegenwind en

dergelijke bij omstandigheden in aanmerking genomen, dan verkrijg ik na

aftrek der 24 uur, die wij als voorsprong hadden, het resultaat, dat

hij in den loop der volgende twee uur de haven van San Diego moet

bereiken.”

„Ik heb nog nooit gehoord”, sprak Madame Delma, „dat een zeiljacht een

grootere snelheid kan hebben dan een stoomboot.”

„Natuurlijk”, antwoordde de commandant, „maar het is ook een

uitzondering. Deze „Zee-adelaar” echter is van het beste mahoniehout

gebouwd, is een tweemaster en heeft een constructie van zeilen, zooals

men die niet vernuftiger uit zou kunnen denken.

„In Amerikaansche vakkringen noemen wij het jacht gewoonlijk „de

Vliegende Zwaan”.

„Gij zult zelden weer zulk een dergelijk vaartuig te zien krijgen als

de „Zee-adelaar”.”

Nu sprak Charly Brand:

„Daar Lord Lister een hartstochtelijk sportsman is en jaren lang zelf

een zeiljacht heeft bezeten, zal hij ongetwijfeld zelf de leiding op

zich hebben genomen.”

„Zeker”, antwoordde de commandant, „ik ken van eenige zeilwedstrijden

Lord Lister als een omzichtig en ervaren zeiler.

„Dat is hem als Engelschman aangeboren. Een zijner voorvaderen van

moederszijde was, naar ik hoorde, admiraal Nelson.”

Op dit oogenblik dreunde van de zijde der buitenhaven een schot, als

teeken, dat een schip de haven naderde.

„Let eens op, dames”, riep commandant Dalton uit en hij stond op om

zich naar de commandobrug te begeven, „dat zal onze vriend zijn.”

Daar de havenmond van de plek waar zij lagen, niet te zien was, moesten

zij nog even geduld hebben, totdat plotseling, als een reusachtige

witte vogel, met glinsterend witte zeilen, de „Zee-adelaar” inderdaad

de haven binnenkwam.

De verschijning van het schip wekte de levendige bewondering op van de

havenarbeiders en zeelieden.

Ieder legde het werk neer en bewonderde de sierlijkheid en de

prachtvolle manoeuvres, die het schip uitvoerde, toen het vlak bij den

Amerikaanschen kruiser voor anker ging liggen.

De wolken van wit linnen, die den „Zee-adelaar” omhulden en hem bijna

het uiterlijk gaven van een boven het water zwevenden luchtballon,

verdwenen en werden door de matrozen aan de ra’s bevestigd.

„Nu, dames,” sprak commandant Dalton, „heb ik u te veel van het schip

verteld?”

„Neen!” antwoordde madame Delma. „Ik heb nog nooit zulk een prachtig

zeiljacht gezien. Dat is werkelijk een vliegende zwaan en gij ziet, dat

alle zeelui, evenals ik; vol bewondering zijn voor het jacht.”

Op dit oogenblik werd een boot aan boord van het jacht losgemaakt en

duidelijk zagen commandant Dalton en zijn passagiers, hoe Lord Lister

met verscheiden matrozen in de boot sprong, om naar den kruiser te

roeien.

Na eenige minuten klauterde Lord Lister langs de valreep van den

kruiser naar boven en schudde den commandant vol vreugde de handen.

„Een voorspoedige reis gehad?” vroeg hij, „een wonderlijk schip, ik heb

bijna voortdurend vijftien knoopen gemaakt.”

Daarop wendde hij zich tot de dames en sprak:

„Wel, madame Delma, het doet mij genoegen u in Mexico te zien. Laat ons

hopen, dat het mij gelukt om nu dat te bereiken wat gij wenscht.”

Zij drukten elkaar de hand en mevrouw Delma sprak:

„Ik zegen dezen dag, die u bij mij heeft teruggebracht, mijn dappere,

trouwe ridder. Een anderen naam kan ik u niet geven.”

Nu kwam Charly Brand naar voren en vroeg:

„Ben je alleen op het jacht?”

Een sombere trek vertoonde zich op het gelaat van Raffles en hij

antwoordde:

„Ik ben alleen!”

„En waar is Carmen Marquez, je verloofde?”

„In Vera Cruz,” antwoordde Raffles.

„Gaat het haar goed?” vroeg nu madame Delma vol werkelijke

belangstelling, hoewel het de zuster van haar doodsvijand betrof.

„Ja,” antwoordde Raffles, „het gaat haar beter dan ons allen!

„De ontberingen en gruwelen der verre reis, die wij tot Vera Cruz

moesten maken, en een aanval van de gele koorts, hebben mijn zon, die

op zoo zeldzame wijze mijn levenspad was komen bestralen, vernietigd.

Carmen Marquez is vandaag vóór drie weken gestorven.”

Een angstige stilte maakte zich van de aanwezigen meester.

De machtige dood deed hun de hoofden buigen.

Na eenige oogenblikken echter trad madame Delma naar Raffles toe, greep

zijn handen en sprak op warmen, hartelijken toon:

„Gij arme, arme man!”

Maar Raffles wierp fier het hoofd in den nek, als wilde hij het

onverbiddelijke noodlot het hoofd bieden, en antwoordde met een harde

uitdrukking op het gelaat:

„Gij vergist u, madame, men moet van het leven niet meer verlangen dan

het kan geven. Ik ben zeer dankbaar, want ik heb aan de zijde van

Carmen Marquez de gelukkigste en onvergetelijkste dagen van mijn leven

genoten.

„De herinnering daaraan zal voor mij altijd het beste blijven wat de

wereld mij kon geven.

„Zoo, en nu verzoek ik u, niet meer van de dooden te spreken. Een

levende, uw echtgenoot, heeft onze hulp noodig!

„Laat ons samen overleggen, op welke wijze wij hem kunnen helpen.”

„Vóór alles,” vroeg commandant Dalton, „zijn uw scheepspapieren in

orde? De Mexicanen, die zelf schurken van de allerergste soort zijn,

vermoeden in elk vreemd schip een spion of smokkelaar.”

„Ik voorzag dit,” sprak Raffles, „en heb daarom voor mijn afreis

scheepspapieren van het Custom-House genomen, om langs de Pacific-kust

te mogen visschen en kruisen. Bovendien heb ik den naam van de boot

veranderd en noem deze „Carmenrita”.

„Ik deed dit, opdat Marquez of zijn vriend in Guaymas, gouverneur

Matteo, wanneer zij van den een of anderen spion inlichtingen omtrent

mij mochten verkrijgen, niets omtrent mijzelf of de boot te weten

zouden komen.

„Denk er dus aan, dat mijn boot voortaan heet „Carmenrita”.

„Ik denk, dat wij reeds vandaag de haven verlaten om naar Guaymas te

varen. Eerst daar kunnen wij met onze Mexicaansche operaties beginnen.”

„Allright,” antwoordde commandant Dalton, „en nu moet gij mij het

genoegen doen om mij mee te nemen aan boord van uw jacht, opdat ik

kennis kan maken met uw bemanning.”

Eenige minuten later riep de stuurwacht aan boord van het jacht in zijn

scheepsroeper:

„Boat coming from the men-o-war!” (oorlogsschip) en de zeilmeester

Tylar met stuurman en matrozen sprongen op dek en stelden zich in rij

en gelid.

Commandant Dalton monsterde met echten zeemansblik de manschappen en

toen hij met John Raffles in diens hut zat, sprak hij:

„Geen goed volk, dat gij aan boord hebt.”

„Dat weet ik, maar ik houd ze met ijzeren tucht in bedwang. Het is een

moeilijke tijd voor ons, zeilers”, vervolgde Raffles, „fatsoenlijke lui

willen geen dienst meer doen op een zeilschip, zij gaan op

stoomschepen.”

„Wel”, sprak commandant Dalton, „houd die jongens vooral in de gaten,

ik denk, dat gij nog last er mee krijgt.

„Zoodra de vloed opkomt, zal ik met mijn kruiser de haven verlaten, om

direct koers te nemen naar Kaap Lucas.”

„Ik zal u binnen eenige uren volgen.”

„Pardon”, antwoordde commandant Dalton, „het zou beter zijn, als gij

eerst eenige dagen in de haven bleeft om eerst dan naar Guaymas te

zeilen.”

Daarop verlieten beiden het jacht weer en begaven zich aan boord van

den kruiser, waar commandant Dalton een souper voor Raffles en zijn

officieren gaf.

Terwijl Raffles zich aan boord van den kruiser bevond, stond Tylar op

dek met een Zweed, Jurgens genaamd, een blauwoogig, breedgeschouderd

gezel. Zij rookten hun pijpje en de Zweed mompelde:

„Weet je, Charly, als je flink bent, dan stoor je je eindelijk eens aan

mij.

„Dit schip, waarop wij ons bevinden, is het eenige, dat een vaart zou

kunnen doen om opium te smokkelen. Ik verzeker je, Charly, de

gelegenheid zal zich niet zoo gauw weer aan ons voordoen en Wou-Wang

betaalt ons voor dit schip wel minstens 50,000 dollar contant, behalve

het geld, dat wij met meerdere opium reizen kunnen verdienen.

„Wij zullen als rijke lui naar huis terugkeeren.”

En Tylar, een Ier van geboorte, spuwde het bruine tabakssap in het

water en sprak:

„Ik durf best! Maar de duivel hale ons, als de zaak niet gelukt! Dan

zijn wij voor altijd onze scheepspapieren kwijt en worden wij misschien

aan den mast van een Engelsch of Fransch schip ter versiering

opgehangen. Het is een gemeene streek, die wij van plan zijn uit te

halen.”

„Jij bent een lafaard”, antwoordde Jurgens, „ieder van onze bootslui

heeft meer moed dan jij! Maar wij kunnen er nog wel eens weer over

spreken. Eerst zullen wij eens ziens, wat voor zaken onze baas hier in

Mexico te verhandelen heeft.

„Dat hij hier rondkruist om visschen te vangen, dat geloof ik niet! Wie

weet, wat voor visschen dat zijn.”

„Mij komt het er naar voor”, sprak Tylar, „alsof de Amerikaan de een of

andere afspraak heeft met onzen baas. Misschien moet er hier in Mexico

nog wel gevochten worden.”

Jurgens spuwde weer in het water en sprak:

„Des te beter voor ons. Ik ben er altijd bij als er wat te vechten

valt.”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Eenige dagen later dreef het prachtige jacht als een vogel de haven van

Guaymas binnen, waarin ook de Amerikaansche kruiser lag.

Het was avond en de lichten schenen uit de geopende scheepsluiken.

John Raffles, die zich aan boord van zijn jacht bevond, keek vol

belangstelling naar de prachtige haven.

Daar lag dus alles voor hem.

De gestolen goudmijnen, de paarlenbanken, waarvoor hij dezen

avontuurlijken tocht had ondernomen.

Hij had de armen over de borst gekruist en keek met gefronst voorhoofd

naar de kust.

Zou het hem gelukken, den buit te ontrukken aan den geopenden muil van

den Mexicaanschen leeuw?

Het was werkelijk een moeilijker arbeid dan de brandkasten van de

Engelsche Bank te openen.

Daar lag de oude, historische stad, omgeven door woeste bergen, voor

hem.

Hier had eenmaal Fernando Cortez van gouden rotsen gedroomd, hier was

eenmaal de hoofdstad van Montezuma geweest!

Naar het Noorden verhieven zich hoog in de lucht de Tetas di Cabra en

hun blauwe, wazige toppen schenen met den hemel samen te vloeien.

Naar het Zuiden lag als een geweldig, reusachtig ondier Kaap Haro en

beschutte de haven tegen den woesten Oceaan.

Achter die kaap lag het land der Yaquis en de geroofde goudmijnen.

Dat wil zeggen, geroofd, zonder dat de bezitter er eenig voordeel van

kon hebben.

En ergens in dat groote, rotsachtige amphitheater bevond zich de

fabelachtige, groote schat aan goud, die door Delma uit de mijnen was

gehaald en op een geheime plek voor zijn doodsvijand was verborgen.

De ankers van het jacht werden neergelaten en de snelle oceaanvogel

moest gehoorzaam blijven liggen.

Terwijl Raffles naar het fiere, oude fort keek, in welks casematten de

ongelukkige Delma smachtte, riep de schildwacht:

„Een boot komt van de haven!” en aan dek kwam de havenofficier, om met

Raffles te spreken over de plaatsen van herkomst en bestemming van het

schip.

Binnen een half uur had hij de scheepspapieren gevisiteerd en waren de

formaliteiten afgeloopen.

Raffles begaf zich nu in zijn hut, om zich gereed te maken, daar hij

het schip wilde verlaten.

Toen hij weer op dek kwam, riep hij Tylar en beval dezen:

„Laat de boot in gereedheid brengen en zorg ervoor, dat geen uwer aan

land gaat, voordat ik het toesta!”

„Wel, kapitein!” antwoordde Tylar, „twee van mijn manschappen dachten,

omdat zij niets meer te doen hadden, dat zij aan land mochten gaan en

zijn met de boot van den havenofficier meegevaren.”

„Zeg hun, dat zij hun gage van mij kunnen halen en niet meer aan boord

mogen komen!”

Tylar zette een verlegen gezicht, maar antwoordde:

„Allright, kapitein!”

„Wie zijn de beide lieden?” vroeg Raffles verder.

„Diego en Tolkins.”

„Goed,” antwoordde Raffles, „gij weet, wat gij te doen hebt. Let er op,

dat de ankers goed vast moeten liggen, want hier is dikwijls

onbetrouwbare wind.”

Daarop begaf hij zich naar commandant Dalton.

Terwijl hij daar met de beide dames en Dalton hun verdere plannen

besprak, zat Diego, een Spaansche matroos, in het bureau van den

havencommandant en had een glas madeira voor zich staan.

Hij sprak tot den officier:

„De duivel moge mij halen, oude kameraad, als ik iets begrijp van dat

jacht en zijn vaart.

„Zoover ik gemerkt heb, wil de kapitein noch revolutie, noch spionnage,

noch zaken drijven!

„Maar—al die Yankees zijn vervloekte dieven en men moet oppassen!

„De gouverneur wenscht in elk geval eenige opheldering omtrent het

zonderlinge bezoek van den Amerikaanschen kruiser en nu weer van het

Amerikaansche jacht.

„Daar steekt iets achter!

„Jij moet mij dus, als je ook maar het minste opmerkt, onmiddellijk

bericht daarvan geven.

„Voorloopig betaalt de gouverneur Matteo je tien dollars voor je

diensten!”

De officier wierp den matroos tien dollars toe, welke deze met een

grijnslach in zijn zak liet glijden.

Daarop verliet hij het bureau, om zich weer aan boord te begeven.

Een half uur later trad hij met een luiden vloek weer naar den

havenofficier toe en sprak:

„De duivel moge mij halen, ik heb mijn ontslag gekregen en mag niet

weer aan boord terugkomen. Mijn kameraad Tolkins is het precies zoo

gegaan.”

De havenofficier reikte hem de hand en sprak:

„Trek je er niets van aan, Diego. Uit het feit, dat je niet meer aan

boord moogt terugkomen, is het mij nog duidelijker geworden, dat de

Amerikaan hier den een of anderen streek wil uithalen.

„Ik zal moeite voor je doen bij den gouverneur.”

Een uur later, nadat de havenofficier bij den gouverneur was geweest,

kregen de geheele havenwacht en de soldaten het bevel om dubbel scherp

dan zij tot dusverre hadden gedaan, acht te geven op de beide schepen.

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 4 / 17 题