Niet enkel de zachte droomerige ziel van Eduard van Wedel leefde van
Ellie’s luchtig, liefelijk licht vlinder-wezentje, want ook voor haar
vader was zij het groote, éénig reëele hoûvast van zijn bestaan.
Mr. van Taats was een typische Haagsche figuur, bekend bij iedereen,
die het Haagsche leven goed medemaakte. Hij was een van die
karakteristieke oude heeren, die eeuwig ’s middags tusschen vieren en
vijven in „de stad” flaneeren, in den bedriegelijken schijn van
eerwaardigheid en deftigheid van mannen op jaren, die hun volk en hun
vorst trouw en ijverig hebben gediend, maar dan ook nu van een
welverdiende rust mogen genieten. Ze zijn nog erg licht en jong
gekleed, en loopen nog met vrij elastischen stap, alsof de fut er nog
lang niet uit is, en ze nog best van het leven kunnen genieten. En de
demi-mondainetjes kennen hen allen, weten dat ze goed betalen, en maken
hen gelukkig met knipoogjes en lonkende blikjes van verstandhouding,
als ze stiekem blijven staan voor een winkel, quasi bekijkend de
étalage. Daar maken zij de oudjes lekker mede, die zich dan nog zoo
echt „jong” voelen. De oude van Taats vooral was een goede bekende van
de dametjes uit de buurt van het Bezuidenhout en de Fluweelen Burgwal
en het Hollandsche Spoor. De meeste vrouwen, die iets beteekenden in de
galante wereld, had hij gehad, en ieder ingewijde wist dat híj het was,
die het beruchte blonde Antje in de kleeren hielp, dat er altijd zoo
copurchic uitzag, en haar vriendinnen de oogen uitstak met de nieuwste
Parijsche toiletten van Hirsch.
De vrouwen waren altijd de groote, alles overheerschende hartstocht
geweest van van Taats. Zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, was ziek
geworden van jaloezie, toen ze hem aldoor betrapte op overspel van het
ordinairste soort. Toen was ze een jaar later gestorven. Naaistertjes,
kinderjuffrouwen, dienstmeisjes, die bij hem in betrekking waren, geen
vrouwelijk wezen was voor hem veilig. Het was een rage, een obsessie,
maar alle vrouwen, die er maar een beetje aantrekkelijk uitzagen en
onder zijn bereik kwamen, wekten zijn wilden hartstocht op. In een
krankzinnigen roes van passie had hij zijn geheele leven vergooid aan
de vrouwen, niets ontziende, zelfs de vrouwen van zijn vrienden niet,
als hij maar ergens gelegenheid zag om wat hij noemde van een
buitenkansje, een „bonne fortune”, te genieten.
Naar buiten was hij altijd even respectabel en fatsoenlijk gebleven en
wie hem niet kenden zouden in het ordinaire, ietwat dikbuikige
mannetje, met dat stereotiep voorkomen van algemeen geacht, notabel
ingezetene, niet meer dan een gegoed, alledaagsch, welgedaan bourgeois
hebben vermoed.
Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene
vreemde, nooit tot klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van
wist, maar waar véél over gefluisterd werd in den Haag, en waarin
eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was ook zijn naam
genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet
herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en
daarom deed de zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht,
fatsoenlijk man. Door zijn tweede huwelijk met een douairière van
Wedell was hij geparenteerd geworden aan de beste beau monde van het
land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te zijn met die
aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld
ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich
verder uiterlijk aan al de conventies hield van de burgerlijke
maatschappij, op zijn tijd visites maakte, kaartjes pousseerde, op de
societeit kwam, en een groot, deftig ingericht huis op de
Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij
verder achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel
eens, gefluisterd dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou
zeggen, een stille „pierewaaier” was, maar hij was immers weduwnaar, en
nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste jaar niet als een monnik
te leven!
Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt,
pieterig klein ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar
hij voelde ook, dat hij er niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon
niet anders, of hij wilde of niet. En die hartstocht, die eerst nog
iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare
levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd,
ontaard. Hij had te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne
uitspattingen waren ten laatste meer cerebraal dan reëel geworden.
Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen
dan gewone débauches met één enkele vrouw, en hij was in de „basse
misère” aangeland, proevend van de verfijnde, savante geheimenissen der
allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde met entremetteuses van
verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste
gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche
chronique-scandaleuse nog niet van had gehoord. In die verre, ongure
duisternissen van ontaarden hartstocht liep zijn leven langzaam,
langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend dat hij geen
kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort
noodlot, waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval
aangenamer en inniger sensaties geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij
zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, notabel burger was
ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke,
onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet
weten wil, en stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch
portwijn heeft staan. Hij wilde ook zijne familie en zijne kennissen er
geen aanstoot door geven, en deed dan ook al zijne uitspattingen strikt
alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, niemand was
ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden.
De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij
ooit te zien dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog
eerder trots dan schijnheiligheid achter zijn bedriegelijken schijn van
fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van
zijn ziel verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n
zwakkeling was, zoo’n laffe kerel eigenlijk, die maar met zich sollen
liet wat zijn noodlot wilde en nu in het duister, achter de coulissen
van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat zijn lage
wellustjes begeerden.
Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een
geheel andere sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich
af te zonderen van al ’t lagere, bloeide, rein als een blanke
waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, zijn liefde voor
Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden.
Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige
edele en heelemaal zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was
opgerezen tot het licht. En hij koesterde die liefde met iets van het
gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die in zijn
gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten
troost.
Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar
hij onmeedoogenlijk laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in
zijn dochter, met een soort sombere, wanhopige vereering, die iets diep
tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn
eigen bestaan.
Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid
bijna de boete was voor al het leelijke in zijn duister leven.
Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn
geheele leven misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn
uitspattingen, des te hooger zag hij haar ideale beeld in zijn dochter.
Het was misschien véél onbewust égoïsme, want uit de behoefte
voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, maar
de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in
zijn geheele bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken,
eenvoudigen heer te spelen, terwijl hij inwendig wel wist, hoe die
geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich somtijds als een
tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet
passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met
familie en kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig
hinderde. Maar hij wist vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde,
zijn liefde voor Ellie absoluut waar en zuiver was. Tegenover haar
voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. Want voor háár
bestond het leelijke eenvoudig niet, vond hij. Haar leven was in een
geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, en vanwaar je
het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het
licht, waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van
zijn verborgen leven niet konden tieren. En de gedachte aan den dood
van zijn eerste vrouw, die door zijn schuld zenuwziek was geworden en
gestorven was, deed hem een groote schuld voelen tegenover Ellie, alsof
hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover háár
misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot
van zijn leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een
einde aan hebben gemaakt, als Ellie niet bestaan had, die de eenige
reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang hij háár maar had, en hij
maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet zoo diep van
zijn ignobel gedoe in het duister.
Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt
troetelkindje. Het mooiste was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat
ze maar wenschte, wist hij voor haar te krijgen. Toen ze nog kind was
sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed onder zijn arm door de
stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. Na den
dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, een
oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde,
nu zij wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle
zorgen besteedde, die een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie
als een echt lievelingetje van allen opgegroeid, verafgood en
vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, over wie ze
danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht,
als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine
was weinig in haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie
beschouwde haar meer als een dame, die het huishouden deed, en tegen
wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog niet vertrouwelijk
moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, het
eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden,
vond Ellie iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine
bemerkte wel, dat zij Ellie’s hart niet kon vinden, maar dit
verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen moeder had. Dat
ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken
aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die
haar eigen waren. Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen
iedereen lief en aangenaam te wezen, en ook liefheid in anderen op te
wekken door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er
was nog geen enkel diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke
vreugde-glans van haar wezen deed iedereen prettig aan, met wie ze in
aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, en een lachende bloem.
Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar
afgescheiden waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar
thuis en met haar uitgaan, en dat, waarin hij alleen was. Door een
merkwaardige psychologische eenvoudigheid in hem, waren die twee levens
bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap handelen van een
slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd.
Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus
dochtertje in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds
niet voorstellen, hoe hij in donkere krochten van verborgen
zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat wellust te stelen,
die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo
aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen
schijn van wèlgesteld fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van
buiten eigenlijk een droom leken. En hij praatte met Ellie op zoo’n
vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone
dingen, zooals een wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet
anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. Dikwijls bleef hij dagen,
somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij zooals een
rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de
gezelligheid van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook
aldoor liefgedaan. Hij las dan ’s ochtends zijn couranten en
tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog wat op zijn kamer
en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen
weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de
buitenlucht geniet. Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op
tijd dineeren. Na den eten de koffie en de sigaar, nog een beetje lezen
en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half elf, naar bed. Maar
het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd,
fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur
niet in het schoone, warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de
duistere wijken, waar het vuile woont. Dan ging hij theedrinken bij
blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij zich had, of
amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en
studentikoos jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een
enkel woord van zou gebruikt hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en
wel zat, in zijn andere rol van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo
héélemaal in, dat het tweede leven, het reine, van thuis, weêr droom
scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, die hem op den
duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de
lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele
keeren, hij was o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop
hij, langs omwegen en steegjes en binnengrachtjes, naar een straat
achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig rendez-vous was, alleen
bekend bij adepten....
Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep
ellendig voelde, als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep,
en hij van de eene in de andere moest trachten te komen. Als hij
bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late vergadering moest, of
een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief in een
steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar
huis te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij
daar met zijn vuile lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling
weêr in ’t licht moest komen, en dat morgenochtend Ellie in een blank
morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en hem goeien dag kussen op
beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen voor hij
naar bed ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure
parfumerietjes aan hem was blijven hangen.
Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als
de poes, die in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij
was dan erg blij, als het slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet
naar het Kurhaus ging, en eens thuis bleef. Dan was het thee-uurtje om
half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan voor het theeblad, met
de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd begon te
zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met
haar gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van
het thee-schenken. Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de
canapé zat met een boek, en hem zoo vriendelijk vleide: „Dáár, lief
vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne chineesche bij
gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed in
het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge
maagd, nog met naïeve intonaties van een kind! De verandadeuren stonden
dan open, en buiten was het droomerig getik van de vallende
regendroppelen op de bladeren.
Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht
duren, dat hij altijd hier mocht blijven, in die intieme stilte van
zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte lieveling, het éénige wat
in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, zijn Ellie,
die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook
gebeurd was, liefhad als een goed vader....
Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te
bestaan, ganschelijk steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat
Ellie was, en dat zelf nog maar zoo heel vaag leefde, van den
bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche
amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en
liefelijk zwak in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand,
fladderend dame-meisje, en toch droeg zij ganschelijk het leven van den
ouden van Taats en van Pim, voor wien zij de eenige vreugde en het
eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder háár
zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En
juist met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen
en vleien van haar jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus
gebaren van haar kleine, blanke handen, en het bevallig bewegen van
haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen met een geluk,
dat al de misère van hun ander leven buiten haar deed vergeten, en
alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan.
Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een
wezen buiten de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten
en vol verschrikking. Zij was iets heel beters dan ál het andere
bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, en voor wie de wereld ook
niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, waarin zij
voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande
van genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet
glanzen.