Van Armeloo."

--Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens

weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar

van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest

schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andere Eva heeft,

maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het

proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij,

helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar

tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.

Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer

wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar 't laatst heeft

geroffeld.--Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba

gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het

mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba's ongeval

bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam

vernemen..... dat hij....?

Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig

woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken,

en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al

kloppend met zijn kapotte paille handschoenen tegen het been, reeds een

weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.

Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.

"Watblief?--Nee Alexander, 't spijt me wel, maar ik moet me

excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... 't

Was maar even om je te zeggen...." en mevrouw Mansburg fluistert den

generaal wat in 't oor.

"Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat

mijn bloed...." Eensklaps opstaande tot Kippelaan:

"Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet

zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee,

't spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft...."

Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen met de tien

paille handschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:

"O generaal, het is...."

"Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die

zaken schriftelijk behandelen."

"Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?"

Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan

zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en

vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een

man zooals hij in de kracht van 't leven! Maar toch, als _onmogelijk_

heeft ze het niet beschouwd.

"Mijnheer Kippelaan," zegt de weduwe met eenige terughouding zeer

deftig: "mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U

zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats,

kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken."

--Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een

dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets

toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan--verrast over

zooveel heuschheid--na de hartelijkste respectsverzekeringen aan

zijn excellentie, met de oude dame het"bureau" van den generaal zal

verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven

antwoord aan zijn zuster:

"Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem

niet kan spreken.--Nee: _niet_, 't is immers duidelijk genoeg!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 43 / 85 题