Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje
in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.
En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult,
staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht
aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.
Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,--maar immers
een meidoorn heeft geen ooren.
"Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan
elkaar verbonden!"
"Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld
doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal
heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een
aardigheid, mij je _wijfje_ zult noemen.--Mijn beste August!"
Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij
van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode
bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een
gelukkig bruidspaar.
"Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva."
"Ja August, altijd!"
"Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde
ons tot elkander bracht."
"O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met
het oog op fortuin of stand."
"Verachtelijk?--Niet altijd. 't Is dikwijls _noodig_ dat het verstand
de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om
een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede
eenig vermogen bezit."
Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:
"Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen."
"Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?"
"En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien."
"Het vrouwtje zal met hem deelen 'tgeen hij bezit, en méér zal ze
niet verlangen."
"Nee zeker niet."--Hem schalks in de oogen ziende: "Maar we zullen
het toch zoo kwaad niet hebben, is 't wel mijn beste?"
"Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk
leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn."
"Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we
overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten,
als mijnheer en mevrouw Helmond Van Romphuizen--ja, waarom niet Van
Romphuizen--daar komen we immers vandaan?--o, als ik dááraan denk
dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Parijs, 't was altijd
mijn illusie: 't is m'n idole!--Och, je bent toch een beste man. Ja
zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen. 't
Is overheerlijk!"
"Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van 't reizen zal
toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu mijn zin hebben
gevolgd!"
"We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in
de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren.--Maar
zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had
ik het óók goedgevonden, heusch...."
"Wij zullen altijd hetzelfde willen, niewaar mijn wijfje?"
"Ja zeker August."
"En bij verschil van meening....?"
"Och, die zal er niet zijn.--Nee zeker niet!"
"Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de
heerlijke bruidsdagen."
"Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het iets
belangrijks gold."--Met een blosje: "We waren het immers wel eens dat
we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen,
volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het
groote huis op de markt, daar heb ik toch in 't geheel niet meer over
gesproken, is 't wel lieve? Maar à propos, ben je 't niet met me eens
dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten
hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar...."
"Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe."
"Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult
toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan
en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen
neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet
waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister
met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen,
dat is toch wat al te min.--Zeg, zul jij in 't voorbijgaan dus even
aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? 't Kost
drie gulden meer, maar 't is toch wat erg kleingeestig om bij zulk
een eenige gelegenheid op een driegulden te zien."
"Och ja, wat dàt betreft; 't is mij om 't even.--Je pa zal het toch
niet kwalijk nemen?"
"Wel nee August, als wij het betalen; guns nee.--Och, je bent toch
de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je
voor me inschikken."
"'t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje--vrouwtje op morgen
hé?--dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en,
als er verschil van meening mocht komen, dat dàn het gezond verstand
steeds in kalmte zal uitspraak doen?"
"Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August.--Maar waarlijk je bent
me haast te ernstig vandaag."
"Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor
't laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom."
"Ja, 't is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten
middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De
generaal is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden
veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd.--Zoo'n
laatste middag en avond!"
"Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk
niet meer gevoelen zooals minnende harten het doen; maar zijn
stelregel: 't bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij
waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen
vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur
dat ons voor altijd verbinden zal"--hij klemt haar vaster aan zijn
borst--"die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in
verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog sterker
maken.--Lieve Eva!"
"Mijn August!"
"Goed kind, dus vaarwel voor 't laatst, voor 't laatst als het voorwerp
mijner wenschen.... voor 't laatst als Eva Armelo."--Terwijl hij haar
met gevoel in de schoone oogen ziet: "Eva, hier onder den meidoorn
heb ik je 't eerst gezien. Weet je 't nog? je zat aan den anderen
kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu...."
"Mijn lieve _dokter_!"
"Genezen ja, Goddank, geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij
altijd heilig zal blijven, laten we hier voor 't oog eener scheppende
Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waarin
we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva,
wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn
totdat de dood...."
"O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens
herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb
gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig
geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste
oogenblik afaan."--Eva's schoone oogen blijven met zulk een innige
teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst
doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen
was het oogenblik van scheiden daar.
August heeft, alvorens hij het verdere gedeelte van den laatsten
bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten
te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, 't geen
niet vreemd is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een
goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een
collega moet overlaten.
"Eva, mijn wijfje, _tot morgen_!"
"Tot morgen August, mijn beste man! Wacht,"--en terwijl zij met haar
fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt,
steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: "Hier August, neem nog
een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen
gezien, ja, misschien wel beluisterd."
"Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel
goeds hebben gehoord.--Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als
we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren,
dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feestbouquet. Tot
morgen mijn lieve _vrouwtje_, _tot morgen_!"
"Tot morgen elf uur August; vaarwel!"
Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het
tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:
"August, 't is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij
't inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk
schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie 't graag voor niemendal
zou doen--zoo'n goeje jongen! Als ik hem in de laatste dagen gezien
had, dan zou ik 't hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg jij nu dat we
't orgel erbij krijgen. 't Is zonder orgel niemendal plechtig en zoo
ijselijk commun. Zulje, beste August?"
"Dus het karpet en 't orgel?"
"Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar 't Deventer tapijt,
en dan aan Donerie vragen of ie ons--voor de staatsie--beorgelen
wil. Bonjour!"
Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door
een der stilste straatjes van Romphuizen zijn weg kiest naar een
drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en
beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken.--Nu verdwijnt
hij om den hoek--en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.
"Baas Krul, is menheer Donerie thuis?"
De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den
dokter bedenkelijk aan:
"Dat zou 'k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren
dokter. Als ik 'em hoor op z'n porteviano, dan weet ik wel dat ie
thuis-is, maar anders....."
Tot een jongen die aan 't zagen was en nu den dokter staat aan
te gapen:
"Gijs, is mijnheer Donerie boven?"
"Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was."
"Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem wel
hooren. 't Is mooi als ie d'r op slaat, dokter, en 't verameseert
een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld."
"'k Zal maar eens oploopen baas Krul."
"Als menheer zoo vrijpostig wil wezen."
Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het
huis. In 't midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en
op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer,
die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde
richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het:
_binnen_! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt
nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van
Donerie binnen.
"Bent u ziek menheer Donerie?" zegt Helmond met belangstelling:
"Ik had er niets van gehoord."
"Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;" antwoordt
de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met
de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere
zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte
krulharen strijkt.
"Hebt u dokter Biermans al gehad menheer Donerie?"
"Nee dokter, pardon; 't heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me
spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar
minuten zal ik bij u zijn."
"Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen. 't
Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te
voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst.--Nee nee,
blijf rustig.--Zie, ik zit hier al.--U weet waarschijnlijk menheer
Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal
stappen."
Mijnheer Donerie wist het.
"Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening
naar verkiezing àl of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande
schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch
de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn
bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie
zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons
morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn."
Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn
lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een
vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:
"De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer
Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun
lof behoeven te zijn."
Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.
--Teleurstelling! ja!....
Helmond vervolgt:
"Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u,
inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek
te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben,
zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om
voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega
Biermans hebt geraadpleegd--tenzij ge u al eerder beter gevoelt."
"Mijnheer Helmond, ik zou gaarne...."
"Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan 't verzoek van een
oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is
nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm--kalm--Wij zullen ons 't
genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer
gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van
harte beterschap menheer Donerie, adieu!"
"Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in
mijn plaats te spelen?"
"Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan
denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel
bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden
ons zeker wat al te veel aandoen!"
"Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik...."
"Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we
geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!"
Helmond heeft den jonkman bij 't opstaan even de hand gedrukt,
en--denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.
Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge
muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur
staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar
dikke tranen wellen er op in zijn schoone--nu eenigszins fletsstaande
oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle,
springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd
eenige malen in het frissche water, en gaat eindelijk met haastigen
tred het portaaltje over naar de voorkamer.--In weinige oogenblikken
heeft Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan
geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij
om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is,
en dat men niet onaangemeld zal binnentreden, toch wordt de kamerdeur
van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door
het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de
valgordijn naar beneden.--En nu--nu is hij dan _zeker_ dat niemand
hem bespieden of overvallen zal.
Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd
ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van
een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken
en diepweemoedigen blik.
--Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden
dat je me ook nú nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de
oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze, die zonnige dagen, die uren
vol zaligheid!--Je zat toen naast me--jij op het ronde stoeltje
midden voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood
in de hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig
zoover als jij had gebracht, en onder _mijne_ leiding!--Een dweper of
droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn's "Lieder ohne Worte"
door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt,
dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel drong als
een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst;
en--blijde was ik dan, Eva, dat je mij niet kondt aanzien, omdat ik
mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn
oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of een droomer was ik toch
niet!--Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals
en afdalend op den witten boezelaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog
om op het muziekblad iets aan te wijzen of duidelijk te maken, dan,
lief meisje, dan doortintelde somwijlen een ongekende verrukking
mijn borst, want, onwillekeurig had dan mijn wang de trilling van die
zwarte lokken gevoeld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder
noodzaak op een point d'orgue gewezen, alleen om nogmaals.... O,
toen ben ik van mij zelven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet
ik niet.--Maar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd
niet reeds genoeg?--Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en
gevoelig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheid
dat dat engelachtige wezen....?
Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor de oogen gedrukt. Hoe
meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zielewensch een
onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblik nabij komt,
waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een ander zal verbinden--hoe
zwarter ook zijn eigen toekomst hem voor den geest treedt, hoe zwakker
de anders zoo kloeke zes en twintigjarige jonkman zich gevoelt, en
in oogenblikken als deze zich verwijt dat zijn wijsheid een dwaasheid
geweest is.
Ja, Eva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar
ouderlijke woning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek
bij een tante in den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke
Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen
en ontwikkelen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in
den Haag blijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om
haar later nog eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.
Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die
ze liefhad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur--zoo
noemde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens--ze
heeft hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een
handdruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in
Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkomst
moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken--waarop ze
aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Herman zijn liefste
élève niet vergeten hebben. Voor _dringende zaken_ is hij gedurende
haar afwezigheid eenige malen naar Neerlands residentie gereisd,
en heeft dan telkens bij Eva's tante een bezoek gebracht teneinde
"het nichtje eens 't een en ander van haar familie en vrienden te
vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten."
Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden
om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen
liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst
dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats
zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen,
eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige,
't welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor
dit leven met hem te deelen.
Ja, 't heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren strijd gekost.
In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonheid heeft
hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartij. Een paar
freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst leerden kennen,
en haar--vooral om haar lieve stem zeer en amitié namen, hadden haar
nu op een muziekpartij genoodigd, met beleefd verzoek: wat muziek te
willen meebrengen.
Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligen
muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waarvoor
men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen, en over
jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en--zij moest het
eerlijk zeggen--allerinnemendst en niemendal trotsch was.
Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor tante's
woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, trad de
bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie
zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij juffrouw
"Van Armelo" beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebben hem
te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer gaarne de eer
gegeven om juffrouw "Van Armelo" in persoon te komen afhalen.
En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze
heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jong vriend van haar
papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze vroeger wel eens
duo's heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.
Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft Donerie bij de
oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermoeden is er opgerezen
in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... die jonker, dat rijtuig!
Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning van den baron
Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even te spreken
gevraagd.--Goddank, zij was er! Met vragenden blik is ze hem in het
spreekkamertje genaderd. O, 't was wel zeer vriendelijk van mijnheer
Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; maar waarlijk, zij had
niets bijzonders aan familie of bekenden te zeggen. Hoe gaarne zou
zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ook van de partij had
kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée.--Men was enorm lief voor
haar. De gastheer heeft haar bij 't binnenkomen een mooi bouquet
gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem--o
magnifique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen.--Mijnheer
Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu,
adieu!--Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen--neen! nu minder
dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het
gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij
is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn
werkkring en Eva's geboorteplaats vertrokken.
Twee maanden later--'t was in de eerste stormdagen van Maart, toen
is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.
Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard Lasure met
eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men
vreesde dat het op een tering zou uitloopen. De middelen van dokter
Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop
aan, dat men den _jongen_ dokter zou consulteeren; dokter Helmond
was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor
professor in de wieg was gelegd.--Dokter Biermans vond het zeer goed
dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar
niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.
't Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva,
die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen
in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet
behoefde te komen. 't Was haar inderdaad onverschillig of zij beter
werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden.... na
dien slag, na dat ontwaken uit den zoetsten droom.
Toch waren de menschen heel lief voor haar. Die Donerie, wat was hij
goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms
vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die
oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die "dood-oude schetsen"
van A. V. H.--Alle pracht werken van Doré en zoo vele anderen had ze
ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Die naam wilde haar
echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.
Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen
voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter
werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als
in den beginne. Op zekeren avond dat Donerie weer een bezoek aan
"haar ouders" bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over
den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over
Donerie's lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan
om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine,
die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.
In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige
dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond inweerwil van
Biermans' bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging
hem boven de vriendschap van den ouden _plattelandsheelmeester_.
En Helmond is gekomen.
En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.
En morgen!....
--En _morgen_!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen
tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het
hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn
hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest
zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den
tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde
dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden
kon. O, had ik haar reeds vroeg, _zeer vroeg_ een blik gegund in mijn
hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou
hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn
zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid
der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij 't nader aanschouwen of 't
grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan
gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen
in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had
ik.... Zwijg dan dwaas! uw _verstand_ moest immers de overwinning
behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon
met u niet gelukkig zijn.... of althans op den _duur_ niet gelukkig
wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....
Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende
hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. 't Is eindelijk alsof
het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.
--Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals
het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere
leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;--Hoe zou ze mij nog
straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen
had. Neen Eva, kleine lieve Eva--_mijn Eva van vijftien jaren_--zóó
hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.--Goddank! ik ben ziek;
dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat
ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn
kunst. _Begrijpen_, ha!
--Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk
hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje
staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd
worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag
je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan
hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een
ander.--Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan
je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor 't oog van God en
je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!---Maar,
zij _was_ immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.--Zie,
haar naam staat daar--en onder den uwe.--O God! ben ik dan schuldig als
ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie
met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen,
ik kan het niet verscheuren, ik _kan_ het niet wegdoen. Mijn God,
wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....