Het verdienstelijke, het ongemeene in _Cremer_ is, dat hij de goedheid
van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. _Cremer_
heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor
ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn
warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen
elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze
naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele
menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn
van eentonigheid te bewaren.
Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen
plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.
Onder de beste reken ik het volgende.
In de eerste plaats geef ik den aanhef van "_Wiege-Mie_", een der
oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:
"Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?" vroeg de daglooner Peter
Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden
echtgenoot de avondpap op te zetten. "Hei je 't al geheurd, Net,
hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is
noagestapt?"
"Wàt zei je!" riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden
schotel met pap op tafel zette. "Is manke Heintje dood? Wel jong,
jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas
is van de leinte gesturven en Heintje,--da's nou krek zes moanden
loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding, woar mot ze
noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's
alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut.--Nou, stil,
bloagen!" vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende,
die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; "Moeder kan niet alles
tegeliek! Hè'k nou ooit van m'n lêven! ze zal zoo um de vieftig
zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't
darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken,
da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!"
Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en
vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk,
om de oogen dicht te doen.
Men bad.--Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn
buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en
kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den
rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen
beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens:
"Ik dank u, goede en groote God, amen!"
Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt
de toon van den dichter, als hij in "_Fabriekskinderen_" den rijken,
edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet,
in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde
het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en
legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de
student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene
oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes,
halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer
en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme
duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:
--"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtkens van _Sanders_ lippen, en
het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel
was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de
oogen ook aanstonds weer neer.--"Ik? wel nee!" lacht _Willem_, uit zijn
gemijmer ontwakende, "maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij
zoo'n prins willen blijven?"--"Jawel" zegt _Sander_.--"Waarom?"--"Om
ditte!"--zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten
chocoladekop. "Hadtje dit nooit geproefd?"--Het ventje grinnikt,
alsof hij wil zeggen: "Dat kun je begrijpen."--"'k Dacht eerst, dat
het mosterd was," zegt hij iets later.--"Mosterd?"--"Ja, die haalt
moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan
krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."--"Niets
anders?"--"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek,
maar da's gallig voor de kinders, zeit moeder."--"Beesten!" roept
_Willem_.--Neen, _Sander_, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of
een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:--"En
hoe heet je vader?"--"Dat weet ik niet," is het antwoord.--"Maar,
jij, hoe heet jij?"--"_Sander Zwarte_."--"En wat doet je vader?"--"Hè,
hè," grinnikt de jongen: "moeder zeit zuipen."--"Maar wat is hij dan
van zijn ambacht?"--"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij
nooit van gehoord.--"Waar verdient hij zijn centen mee?"--"Dat doen
wellui."--"En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?"--"Ikke,"
zegt het jongske, "ikke ben tien."
In de geheele letterkundige werkzaamheid van _Cremer_ is geen knapper,
geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever,
teederder, roerender.
Zoo bijvoorbeeld, in "_Anna Rooze_", als hij de geschiedenis der
Veluwsche boerendeerne, _Hanneke Schoffels_, verhaalt. _Hanneke_
wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen
haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze,
na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar
stoel neerknielt en bidt:
"O Lieve Heere Jezus! wa'k oe verzuuken mag, loat 't niet uutkommen,
nee! Voader zal mi'en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel
tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van 't loon uutlegge veur
den arme, vier duite wêks, of ook wel 'n stuuver. O Lieve Heere Jezus,
ik was een kiende en...."
En ze was verleid door een Veluwschen schelm.
Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht
luid schreiend "noar moeders huus toe." Daar valt een aandoenlijk
tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder
denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige
liefde voor haar kind niet.
Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met
krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur
van 't domineeshuis naar moeder joeg.--"Zie je dan niet Berend"--zegt
de moeder--"dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is--kom hier
Hanneke; hier op de vuurploate. 'k Zeg, loat ze erst bekommen, eer
ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as' steen.... Hier, goat er
zitten; hier op mien stoel."--Berend stelt zich in den weg. Hevig:
"Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?"--"Man, wês toch wiezer, altied den
driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een...."
Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige
woord:--"_Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een._"--Het is
mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde,
en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen
bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit
kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen
dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen
naam van _Cremer_ in de toekomst zullen handhaven.
Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit
_Cremers_ novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans
opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen
voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in "_Anna
Rooze_"--de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der
jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het
Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert--alles voortreffelijk
werk, evenals de teekening van de fabriek in "_Hanna de freule_",
als _Hein Pronk_, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en
het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.