Toen _Cremer_ nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze
groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.
Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij
_Nederlandsche_ voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de
plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen,
maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open
plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat
overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad _Cremer_
voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon,
ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen,
sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke
berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent
van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.
Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen
boer uit het "_Pauweveerke_" in zijn sjees doet voorthollen over den
weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van _Kruuzemuntje_, als zij
grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid,
als hij eene Overbetuwsche _Romeo_ en _Julia_ doet vrijen in den
kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman _Dorus Giesels_
met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm--dit
alles maakte _Cremer_ tot den grootsten dramatischen kunstenaar van
ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.