(Vol. i., p. 261.)
In answer to MR. STRICKLAND'S third Query, I beg to inform him that among
the original authors who speak of the Dodo as a living bird, Johan Nieuhof
merits a place. His work is entitled:
"Johan Nieuhofs gedenkweerdige Brasiliaense zee en Lantreize,
behelsende alhetgeen op dezelve is voorgevallen: beneffens een bondige
beschrijving van gantsch Neerlants Brasil, zoo van lantschappen,
steden, dieren, gewassen, als draghten, zeden en godsdienst der
inwoonders; en insonderheit, een wijtloopig verhael der merkwaardigste
voorvallen en geschiedenissen, die zich, geduurende zijn negenjarigh
verblijf in Brasil, in d'oorlogen en opstant der Portugesen, tegen
d'onzen, zich sedert het jaer 1640-1649 hebben toegedragen. Doorgaens
verciert met verscheide afbeeldingen, na't leven aldaer getekent. Te
Amsterdam, voor de Weduwe van Jacob van Meurs, op de Keizersgracht,
anno 1682."
This work, although published in six languages, and several times
reprinted, adorned with a hundred exquisite engravings, and portrait of the
author, seems to be no longer generally known. It was dedicated to Nikolaes
Witsen, burgomaster and councillor of Amsterdam; and the licence granted to
Jacob van Meurs, the 14th Dec. 1671, by the states of Hollandt en
Westvrieslandt, is signed "Johan de Wit."
The copy in my possession consists of two parts in folio, bound together in
parchment, furnished with two indexes, which however do not mention all the
volume contains, for we look in vain for the name _Dodaers_, _Dodo_, or
_Dronte_ in the indexes; and yet we find in the second part, p. 282., a
well-executed representation of this bird, and on the following page we
read:
"_Dronte of Dodaers._
"Op het eilant Mauritius inzonderheit, houdt zeker vogel van een
wonderlijke gestalte, Dronte, en by d'onzen Dodaers genoemt. Hy is van
groote tusschen een vogel-struis en Indische Hoen; en verschilt in
gestalte, en komt ten deele daer mee over-een, ten aenzien van de
veeren, pluimen en staert. Hy heeft een groot en wanstaltigh hooft met
een vel bedekt, en verbeelt dat van een koekoek: d'oogen zijn groot en
zwart: de hals krom, vet, en steekt voor uit. De bek is boven mate
lang, sterk en blaeuwachtigh wit: behalve d'einden: waer van d'onderste
zwartachtigh, een bovenste geelachtig zijn, en beide spits en krom. Hy
spert den bek leelijk en zeer wijt open, is ront en vet van lijf, dat
met zachte en graeuwe pluimen, als die van den struisvogel, bedekt is.
De buik en aers is dik, die byna op d'aerde hangt: waerom, en van wegen
hunnen loomen gang, deez vogel Dodaers by d'onzen genoemt wort. Aen
beide zijden zitten eenige kleine pluymige pennen, in plaetse van
vleugels, uit den gelen witachtigh, en achter aen den stuit, in plaetse
van de steert, vijf gekrulde penne-veeren van een zelve kleure. De
beenen zijn geelachtigh en dik; maer zeer kort: doch met vier vaste en
lange pooten. Deze vogel is langzaem van gang en dom, en laet zich
lichtelijk vangen. Het vleesch, inzonderheit dat van den borst, is vet
en eetbaer. Hy is zoo zwaer, dat hondert menschen aen drie of vier
Dronten genoegh t'eeten hebben. Het vleesch van d'ouden is, zoo niet
gaer gekookt is, zwaer om te verteeren. Het wort ook ingezouten.
Veelijts hebben zy een grooten en herden steen in de mage, die
holachtigh en evenwel hart is."
Should MR. STRICKLAND wish further information concerning the work of Johan
Nieuhof, I shall ever be happy to oblige him.