Voor de pachthoeve van Mac Karthy stonden twee ruiters.
De pachter hield de slanke hand van den een in zijn groote, vereelte
rechter en schudde ze krachtig telkens en telkens weer.
„Duizendmaal dank, Lord Edward! Ik zal nooit vergeten, dat gij ons uit
de klauwen van dien hebzuchtigen woekeraar en schurk hebt gered! Als
gij ooit iemand noodig mocht hebben, die voor u door een vuur zou
moeten gaan, roep Mac Karthy dan!”
„Ik weet het, brave vriend! Ik zou u evenzeer vertrouwen als mijzelf!”
En peinzend vervolgde hij:
„Wie weet, of zich niet spoedig een gelegenheid voordoet, om mij je
trouw te bewijzen! Maar wij zullen het niet hopen.”
„Al zou het mij het leven kosten, ik laat u niet in den steek!” riep de
pachter vol vuur uit.
Ook zijn vrouw kwam naar buiten, nog steeds in haar Zondagsche kleeren.
„Lord Edward!” riep zij uit, „hier is ook uw vulpenhouder met
vriendelijken dank terug! Gelukkig, dat ik wist, welke grappenmaker in
het gewaad der prinses verborgen was, want ik geloof, dat ik anders van
schrik gestorven was bij de verschijning van het spook.
„Maar gij hebt uw rol goddelijk mooi gespeeld! Ik zou u aan uwe stem
nooit herkend hebben!”
„Sst, sst!” waarschuwde de Lord, „de struiken hebben ook ooren! Mondje
dicht! Jullie hebt alleen gehoord dat het in het kasteel spookt.”
„O, Lord Edward, twijfel niet aan ons!” antwoordde de pachtersvrouw met
zacht verwijt.
„Neen, ik twijfel niet aan u, lieve vrienden.
„Mac Karthy, ga dadelijk te paard zitten, begrijp je? Hier zijn de
andere oorkonden.
„Rijd naar de tien hoeven van het Canaroon kasteel en overhandig
iederen pachter zijn document, opdat niemand hunner een cent te veel
betaalt en zijn recht kan bewijzen, als morgen de politie mocht komen.
„Dat is de beste wraak, die jullie kunt nemen tegenover den ouden
woekeraar!”
„Dat zal ik met groot genoegen dadelijk in orde brengen!” riep Mac
Karthy uit.
De jonge Lord overhandigde hem de papieren, schudde hun nogmaals de
hand en reed met Fred op hun volgeladen paarden in gestrekten draf naar
Dublin.
Toen de ambtenaren den volgenden dag na gedane zaken op het kasteel
Canaroon kwamen, brachten zij wel eenig geld mede, want bijna alle
pachters hadden de oude bescheiden pachtsom kunnen betalen.
Niemand hunner echter kon van de hoeve verjaagd worden, want allen
hadden hun officieel bewijsstuk vertoond, waartegenover ook de
autoriteit machteloos stond.
De gerechtspersonen kregen zelfs heftige woorden met den ouden Lord,
omdat deze beweerde, dat het onmogelijk was, wat men hem van die
officieele stukken vertelde!
Eenzaam liep Lord Raynald in de ruime hall op en neer en bijna
krankzinnig van woede hield hij zijn vuisten krampachtig gebald.
„Hoe komt de geheele troep plotseling in het bezit der documenten?”
riep hij uit.
Plotseling bleef hij roerloos staan met wijd geopenden mond.
„Hel en duivel!” riep hij. „Daar steekt niemand anders dan mijn neef
Edward achter. God moge hem verdoemen!
„Het spook der prinses, waardoor ik, oude ezel, mij liet overbluffen,
is zijn werk!
„Hij kent hier immers alle geheimen. Dat vervloekte portret daar aan
den muur bezit zeker een of ander mechaniek, dat ik niet ken.
„Maar als hij alle geheimen weet, groote hemel! Dan weet hij ook— —Maar
neen, dat kan niet! Dat mag niet!—Ik moet het weten! Dadelijk wil ik
het zien!
„Groote gerechtigheid, mijn Indische juweelen!—
„Zou ik al deze misdaden voor niets hebben gepleegd?—
„Zou ik, die altijd zoo trotsch was op mijn scherpzinnigheid—mij door
dien kwajongen hebben laten beetnemen?
„Het kan niet waar zijn, het zou al te verschrikkelijk wezen, het zou
mijn dood zijn!
„Dan zou de profetie van de prinses uitkomen, dan zou dit slechts het
begin zijn, dan zou men mij ook mijn millioenen ontnemen!
„Neen, neen, neen!
„Mijn heerlijk, mooi goud! Ik wil je niet missen! Liever wil ik
sterven! Ik zal het verdedigen op leven en dood!”
Hij was in den zwaren eikenhouten stoel neergezonken en staarde voor
zich uit, zijn handen openden en sloten zich, alsof zijn vingers in het
goud rondwoelden.
Daarna drukte hij zijn rechterhand op het heete voorhoofd, terwijl hij
met de andere op tafel leunde.
Met moeite stond hij op en wankelde naar een kast in den muur, die als
buffet dienst deed.
Hij vulde een wijnglas met whisky en ledigde het in een enkelen teug.
Toen kalmeerde hij eenigszins.
„Onzin!” sprak hij, „mijn zenuwen laten mij in den steek. Het is immers
niet uitgemaakt, dat het dezelfde documenten uit het Boeddhabeeld zijn,
en waarschijnlijk vind ik daar alles in de grootste orde.
„Maar ik moet er heen!—Ik wil zekerheid hebben! En als ze weg mochten
zijn, dan blijven mij toch in elk geval nog mijn millioenen over!—
„Dan zal ik echter niet langer zuinig en spaarzaam zijn! Ik zal mijn
geliefden neef dan dubbel en dwars betaald zetten, dat hij den
treurigen moed heeft gehad om met mij te beginnen!”
Hij zag zijn revolver na, nam zijn electrische zaklantaarn op en begaf
zich nogmaals op weg naar den grafkelder van den onderkoning.
Alle vakken waren leeg.
Hoe hij ook tastte en woelde in de afzonderlijke afdeelingen, de
documenten en de etuis met de juweelen der prinses waren en bleven
verdwenen.
Maar het was merkwaardig, hier in dit onderaardsch gewelf bleef de oude
man kalmer dan zooeven, toen hij nog geen zekerheid had omtrent het
verdwijnen zijner schatten.
Met een vloek sloot hij het Boeddhabeeld weer, nam zijn zaklantaarn op
en verliet den grafkelder.
„Er is geen twijfel meer mogelijk! Alleen hij kan op de hoogte zijn van
de geheimen van het Canaroon kasteel, niemand anders.
„Maar neem je in acht, neefje, nu is het mijn beurt! Wij zullen zien,
wie in dezen strijd de overwinning behaalt!—
„Wat kun je met je vernuft uitrichten, arme hongerlijder, tegenover het
goud van je oom, dat hij met volle handen zal uitgeven om jou
onschadelijk te maken!”
Nauwelijks van zijn onderaardschen tocht teruggekeerd, liet Lord
Raynald vier ponies voor een licht jachtwagentje spannen, voorzag zich
van reisgeld en weldra snelden de jonge dieren over den straatweg naar
Dublin.
In de geheime afdeeling van Scotland Yard zat kapitein Baxter in
slechte luim aan zijn schrijftafel bij het raam, terwijl detective
Marholm met de handen op den rug, rusteloos langs de lange tafel, die
in het midden, van het vertrek stond, heen en weer liep.
„Het is om stapelgek te worden, Marholm! Die Raffles is weer spoorloos
verdwenen!”
„Ja en Lord Lister met hem! Ik zou wel eens willen weten, of ik mij
vergist heb.
„Maar er was geen woord uit dien bediende te krijgen, hoewel ik hem
allerlei strikvragen deed.
„Hij zei, dat hij boodschappen had gedaan in de buurt van het
Westerstation. De bewuste villa kende hij in het geheel niet, evenmin
als de heeren Shaw.
„Hij wist van zijn meester alleen, dat deze van plan was om een reis om
de wereld te maken. Daar zijn meester dikwijls voor maanden op reis
ging, zonder hem in het vertrouwen te nemen, kon hij niet zeggen of hij
reeds ver weg was, of dat hij zich nog in Parijs of een andere stad
ophield.
„Als zijn heer terugkwam, zou hij hem mededeelen, dat men van de
politie naar hem gevraagd had. De Lord zou dan niet in gebreke blijven,
alles op te helderen!”
„Een geslepen kerel! Hij houdt ons voor den gek! De Lord zal zich wel
in acht nemen om voor ons te verschijnen. Men heeft u weer lekker
beetgenomen, Marholm!”
„Dat kan wel, maar alles gebeurde volgens uwe bevelen, kapitein!”
Baxter beet zich op de lippen.
„In elk geval hebben we nu eens rust van die eeuwige Raffles
gebeurtenissen. Men herademt eindelijk eens!”
„Nu ja, maar wij zijn met onze opsporingen van Raffles niets verder
gekomen. En laat ons vooral niet vergeten, dat Lord Lister dezelfde
persoon is als Raffles. Die zaak met den bediende gaat dus wel degelijk
ook Raffles aan!”
„Duivelsch, gij hebt gelijk! Lister en Raffles zijn een en dezelfde.
Het is om stapelgek te worden!”
De deur rechts van de schrijftafel werd op dit oogenblik geopend en
detective Tyler trad binnen met een visitekaartje in de hand, dat hij
aan kapitein Baxter gaf.
Deze had nauwelijks een blik erop geworpen, of hij werd donkerrood van
verrassing en beduidde Tyler om de deur te sluiten.
„Marholm,” fluisterde hij hijgend, „de bediende had gelijk, hij komt!”
„Wie, Lord Lister?” vroeg de ander ongeloovig.
De kapitein toonde hem het kaartje.
Marholm haalde de schouders op.
„Dat begrijp ik niet!”
Baxter drukte op een electrischen knop en door de deuren, die toegang
tot de aangrenzende vertrekken gaven, verschenen politie-agenten.
„Aan elke deur een! De anderen buiten klaar staan. Gij, Tyler, brengt
den heer hier binnen en grijpt hem, zoodra hij in de kamer is.
„Marholm en ik zullen hem dan in ontvangst nemen.
„Zulk een brutaliteit! Ook nog eerst een visitekaartje!”
„Maar vergist gij u niet, kapitein?” vroeg Tyler aarzelend.
„Ik weet wat ik doe, Tyler! Allo!”
„Op uw verantwoording dan, kapitein!”
De detective verdween in het zijvertrek, terwijl Baxter en Marholm zich
bij de deur posteerden.
Nauwelijks had Lord Raynald Lister den drempel overschreden of hij
voelde zich door zes stevige detective-armen vastgegrepen en hij was
sprakeloos.
Eerst toen hij midden in de kamer was gebracht en het volle licht op
hem viel, riep Marholm uit:
„Halt! Kijk toch uit, kapitein! Dat is immers Raffles of Lord Lister
niet! Dit is een voorname, oude heer!”
De brave kapitein zag zijn vergissing in en zweeg.
Lord Raynald echter keek woedend om zich heen, totdat hij eindelijk
woorden vond voor zijn verontwaardiging.
„Raffles—Lord Lister?” vroeg hij verbaasd. „Het is mij een raadsel, hoe
die namen bij elkaar kunnen behooren. Maar ik weet niet wat ik moet
zeggen van een dergelijke behandeling.
„Ik zal mij bij de hoogste autoriteiten beklagen!
„Zijt gij hier allen krankzinnig geworden, om mij zoo ruw te
behandelen?
„Zeker ben ik Lord Lister! Hebt gij mijn visitekaartje niet gelezen?”
Kapitein Baxter was ontroostbaar. Hij putte zich uit in de meest
onderdanige verontschuldigingen en smeekte, geen rapport te willen
maken.
Als hij zijn Lordschap van dienst kon zijn, zou het hem gelukkig maken!
De kapitein wenkte de andere detectives weer heen te gaan, wat deze
gaarne deden, vol pret over het malle figuur, dat hun chef sloeg.
Baxter presenteerde uiterst beleefd een stoel aan Lord Raynald en
verzocht hem, plaats te nemen.
„Hoe kwaamt gij tot dit abuis, kapitein? En welk verband bestaat er
tusschen Raffles en Lister?”
„Uwe Lordschap zal mij zeker niet kwalijk nemen, als ik u de treurige
mededeeling doe, dat wij ons helaas moeten bezighouden met een Lord
Lister, een jongen man.”
„Hoe? Kan een Lister zoo diep gezonken zijn? Kent gij den voornaam van
dien ontaarden naamgenoot?”
„Zeer goed, uw Lordschap, als ik mij niet vergis, heet hij Lord Edward—
—”
„O, ik vermoedde het!” riep de schijnheilige oude Lord op jammerenden
toon uit. „Welk een schande! Dat is mijn bloedeigen neef!—Wat heeft die
ongelukskerel uitgehaald? O, ik ben ontroostbaar!”
Hij veegde met een zakdoek zijn oogen af en schudde het hoofd.
„Het doet mij oneindig veel leed”, vervolgde kapitein Baxter, „uwe
Lordschap nog meer te moeten bedroeven! Want het is onweerlegbaar
bewezen, dat deze Edward Lister en de beruchte, alom bekende misdadiger
Raffles een en dezelfde persoon zijn!”
De oude schurk kon niet verhinderen, dat zijn oogen straalden van
leedvermaak.
Maar dadelijk daarop speelde hij weer de rol van den diepbedroefden
bloedverwant.
Maar in zijn hart gevoelde de oom zich gelukkig, want hij begreep, dat
het hem nu mocht gelukken, zijn neef te vernietigen—met behulp van
Scotland Yard.
Hij vertelde nu van het spook op het kasteel Canaroon en van de
bedreiging der vermomde prinses om de millioenen van den Lord te
stelen.
Hij verzocht kapitein Baxter hem te helpen om ze op een veilige plek te
brengen en hemzelf te beschermen tegen de vervolgingen van zijn
ontaarden neef.
Wijzelijk echter verzweeg hij het verdwijnen der juweelen en
documenten, daar hij deze zelf had gestolen en de schuld op zijn broer,
den admiraal, had geschoven.
Kapitein Baxter beloofde alle mogelijke hulp. Hij zou met Marholm en
twee andere detectives zelf naar het kasteel komen.
Juist was men gereed met de besprekingen en kapitein Baxter dacht er
alleen nog over na, welke dagen hij disponibel had, toen een der
agenten met een telegram binnenkwam, dat hij zijn chef overgaf.
Baxter werd onder het lezen vuurrood en viel krachteloos op een stoel
neer.
Marholm, die zich over zijn schouder boog, las het telegram met
stijgende opgewondenheid voor:
„Inspecteur van politie Baxter Scotland Yard.
„Juist teruggekeerd van een schitterend geslaagde voorstelling in
de provincie, deel ik u volgens afspraak mee, dat ik
overmorgenavond in het kasteel Canaroon in de nabijheid van Dublin
mij de onrechtmatig verkregen millioenen van mijn oom, Lord Raynald
Lister, zal toeëigenen.
„Uw toegenegen Raffles alias Lord Lister,
de rechtmatige eigenaar van bovengenoemde millioenen”.
„Wat?” riep Lord Raynald op gemaakt droevigen toon uit. „Mijn
millioenen onrechtmatig verkregen?
„Kapitein, gij ziet, dat ik geen oogenblik te vroeg uwe hulp heb
ingeroepen.
„Zult gij een ouden, zwakken man, een Lord van het Koninkrijk, laten
berooven door een misdadigen neef?”
„Uw Lordschap kan volkomen gerust zijn!” antwoordde Baxter vol ijver.
„Deze vermetele misdadiger zal ons nu niet meer ontsnappen. Als wij hem
niet reeds onderweg te pakken krijgen, zullen wij hem op uw landgoed
zeker vangen. Spoken en Indische vrouwen maken geen indruk op Scotland
Yard.
„Dergelijke geesten zijn niet bestand tegen onze revolvers!”
„O, dat is mij een groote geruststelling, kapitein!
„En het zal u geen windeieren leggen, als gij mij met raad en daad
helpen wilt.
„Sta mij nu reeds toe, dat ik u eenigszins tegemoet kom in de
reiskosten naar Ierland!”
Met bloedend hart overhandigde hij tien biljetten van vijf pond.
Deze beweerde weliswaar, dat het veel te veel was, maar hij aanvaardde
het vol dank en beloofde, zich met zijn lieden den volgenden dag via
Holyhead en Dublin naar het kasteel Canaroon te zullen begeven.
Ten volle bevredigd en met den vurigen wensch, binnen een paar dagen
bevrijd te zijn van zijn boosaardigen, slechten neef, vertrok Lord
Raynald van Scotland Yard en gunde zich zelf de weelde van een goed
souper en een fijne flesch.