De avond was gevallen. Een gedeelte van het picnicgezelschap, dat den
ouden gierigaard kende en wel wist, hoe ongaarne hij gasten had, had
reeds bij het park afscheid van den ouden Lord genomen.
Slechts drie heeren hadden aan zijn uitnoodiging gevolg gegeven en aan
een groote eikenhouten tafel in de hall plaats genomen, waar zij het
zich bij een glas porter of ale gemakkelijk maakten.
De Lord had een ham, benevens brood en boter laten opdienen en de drie
gasten, die van twijfelachtigen adel waren en er een groote eer in
stelden, met Lord Lister bevriend te zijn, lieten zich het avondbrood
zoo goed mogelijk smaken.
Het hinderde hun niet, dat de oude Lord dringende zaken voorwendde en
zich verwijderde met het verzoek, zich aan zijn bier te goed te willen
doen. Hij zou zijn zaken zoo snel mogelijk afdoen en na korten tijd
weer bij hen terug zijn.
Het scheen echter, dat hij langer werd opgehouden dan hij aanvankelijk
had vermoed, want eerst na ruim een uur verscheen hij weer en viel
uitgeput in een leunstoel.
Bankier Morton uit Dublin schonk hem beleefd een glas porter in, een
geliefde drank der Engelschen.
Lord Raynald nam een langen teug en zuchtte verademend.
Wij weten, welke zaken hij intusschen had afgedaan.
Nu voelde hij zich veilig voor alle mogelijke aanvallen en een hoonende
grijnslach misvormde zijn gelaat.
Zonder genade waren de onwillige pachters aan hem overgeleverd en het
allereerst zou morgen die onbeschaamde Mac Karthy, die op zijn goed
recht had gebluft, uit zijn huis worden gezet.
Lord Raynald lachte hardop en dronk vergenoegd zijn glas leeg.
Een reeks leege porter- en aleflesschen bewees, dat ook de drie andere
heeren gedurende de afwezigheid van hun gastheer duchtig geproefd
hadden. Zij geraakten in een goede luim en werden spraakzamer dan ooit.
„Drommels”, riep een der gasten, Sir Garnett, uit, toen een huisknecht
de ouderwetsche lampen had aangestoken, „wat is dat voor een
eigenaardig Indisch vrouwspersoon, wier portret daar levensgroot hangt?
Het bruine gelaat, die groote oogen en die wonderlijke zijden japon,
zoo iets ziet men niet elken dag!”
Zijn linkerbuurman stiet hem even aan en sprak:
„Men kan wel zien, dat gij nog niet lang in deze buurt woont. Dat is de
beroemde Indische prinses. Onze gastheer heeft Oostersch bloed in zijn
aderen! Het is een van de schoonste legenden uit deze streek, die van
de liefhebbende Indische, die, omdat het verbranden eener weduwe niet
geoorloofd is in de Vereenigde Koninkrijken, zich het beroemde
mausoleum in het park liet bouwen, zich daar met al haar schatten en
juweelen naast het praalbed van haar overleden echtgenoot neervlijde,
welriekende wateren en wierook om zich heen sprenkelde en daar stierf,
om in leven en dood met haar heer en meester vereenigd te zijn!”
„Onzin!” bromde de oude Lord. „Gelooft zulke verhalen toch niet! En
veel juweelen en kostbaarheden zullen het ook wel niet geweest zijn!
Onze familieschat is mager en geen enkel Indisch kleinood is er bij te
vinden”.
„Nu ja, Lister”, lachte de bankier geheimzinnig, „die zijn natuurlijk
verdwenen. Het is immers wel bekend, dat uw broer, de dolle admiraal,
ze alle heeft verkocht, om zijn speelschulden te betalen!”
„Mijn waarde, de wereld weet van dergelijke intieme familiezaken altijd
meer dan men zelf. Ik weet niets van Indische juweelen en het zou mij
zeker aangenamer zijn, als ik met hun bezit kon pronken”.
„Een prachtige vrouw!” riep de dikke sir Garnett uit. „Daar zit ras in!
Zooiets krijgt men bij ons bleek-blauw-blond en bloedloos
Anglo-Saksisch type niet te zien!”
„Hoor eens zoo’n ouden liefhebber! Pas maar op, Sir Garnett, dat uw
vrouw u niet hoort!”
„Dat mag zij,” verzekerde de landheer, „op een dood portret zal zij
niet zoo jaloersch zijn als op een levend kamermeisje! Maar zijzelf zou
moeten toegeven, dat die Indische prinses ongeëvenaard mooi is. En als
ik bedenk, hoe trouw zij haar echtgenoot, den edelen Lord Lister is
geweest, dan kan ik niet anders dan vol oprechte bewondering voor deze
wonderlijke vrouw uit het verre land mijn glas te ledigen!”
Sir Garnett nam zijn glas op en de anderen volgden onder een luid
„hiep, hiep, hoera!” zijn voorbeeld.
Maar Sir Garnett dronk niet. Hij zette zijn glas zóó snel en hard neer,
dat de inhoud over den rand vloog en tegelijkertijd sprong hij met een
afwerend handgebaar vol ontzetting op.
„Wat is er? Waarom drinkt gij niet?” riepen de anderen verbaasd uit.
„Gij kunt mij gelooven of niet, maar toen ik mijn dwaze speech
geëindigd had, fonkelden en rolden de oogen der prinses!”
„Hahaha!” lachte de Lord. „De brave Garnett heeft mijn porter en ale,
die hem van harte gegund zijn, een beetje te sterk aangesproken. Ik
dacht niet, dat gij na een paar onschuldige glazen reeds hallucinaties
zoudt krijgen!”
„Onzin!” verdedigde Sir Garnett zich, „van die paar glazen ben ik
heusch niet dronken! Maar dat die Oostersche met haar oogen draaide,
weet ik zeker! Ik voel mij niet op mijn gemak!”
„Gij weet toch wel, Sir Garnett, wat de legende vertelt. Ook toen zij
reeds gestorven was, kon haar liefde nog geen rust vinden. Dikwijls zag
men des nachts haar gedaante in het park en het woud op de plekjes,
waar zij het liefst met Lord Lister had vertoefd. Ook vertelt men, dat
meermalen vanuit den grafkelder een dof zuchten en klagen wordt gehoord
en op een nacht zag een der bedienden, die bij een onweer de ramen
wilde sluiten, hoe zij met toornig gelaat hier op den stoel zat, waar
nu onze vriend Buxley heeft plaats genomen!”
De magere heer met de bakkebaarden keek rillend om en schoof
onwillekeurig zijn stoel achteruit.
De Lord haalde zijn schouders op en lachte.
„Straks vertellen jullie nog, dat de ongelukkige prinses nu nog in mijn
kasteel rondspookt! Lieve hemel, dat zou ik toch het beste moeten
weten! Mij is zij nog niet als geest verschenen. Het zou haar ook
slecht bekomen!”
„Of u!” dacht de bankier.
Op dit oogenblik verscheen een der bedienden, die den Lord naderde en
hem fluisterend iets mededeelde.
„Laat de vrouw maar hier komen! Maar al haar gezanik zal haar niets
helpen! Ik heb genoeg van die zaak. Ik wil die weerspannige boeren eens
toonen wie hier de baas is! Is de politie verwittigd?” vroeg hij den
ouden dienaar.
„Om uwe Lordschap te dienen! Zij zullen morgenvroeg op het kasteel
verschijnen!”
„Mooi! Dan zullen wij morgen een eind maken aan deze ergerlijke zaak en
Mac Karthy kan zijn eigen weg gaan zoeken. Vinden de heeren het goed,
dat ik de pachtersvrouw laat binnenkomen?”
„O, zeer zeker”, antwoordde de bankier. „Het zal zeer interessant zijn,
als gij dat wijf de waarheid zegt en haar jeremiades zullen niet zonder
theatrale bekoring zijn.”
„Allo, James, vul onze glazen en laat het vrouwspersoon binnen.”
De Lord nam een flinken teug om de pachtersvrouw behoorlijk te kunnen
ontvangen en haar de zaak duidelijk te maken.
De brave Mary Mac Karthy had haar Zondagsche kleeren aangetrokken en
zag er met haar roode keurslijfje en het donkere haar ondanks haar vele
zomersproeten, alleraardigst uit.
De trek van zorg en kommer was sinds dien middag van haar gelaat
verdwenen. Nu zij in het bezit was van nog meer dan het benoodigde geld
had Mary al haar zelfvertrouwen en gewone vrijmoedigheid herkregen.
Onbevreesd trad zij de hall binnen en met de grootste kalmte naderde
zij het gezelschap heeren.
„Goeden avond, Mylord”, sprak zij op koelen toon terwijl zij de anderen
met een hoofdknik je groette.
„U begrijpt zeker wel, waarom ik kom! Gij hebt hedenmiddag gezegd, dat
de laatste termijn waarop wij moeten betalen, morgenmiddag is. Als wij
in gebreke bleven te betalen, zouden wij door de politie uit huis en
hof verdreven worden!”
„Allright!” antwoordde de Lord, terwijl hij een sigaar opstak. „En
daarbij blijft het ook, juffrouw Mac Karthy en gij hadt u de moeite
kunnen sparen, hierheen te komen! Uw smeeken en klagen is tevergeefs!
Ik zal mij er niets aan storen!”
„Gij vergist u zeer, Mylord! Ik ben niet hier gekomen om te smeeken en
te klagen!”
Verbaasd keek de Lord haar aan.
„Zijt gij misschien hier gekomen om onbeschaamde dingen te zeggen? Maak
dan onmiddellijk, dat ge wegkomt!”
Mary haalde met een onverschillig gebaar de schouders op.
„Ik begrijp u niet! Ik zou niet weten waarom ik zou moeten smeeken en
klagen, want, geheel volgens uw wensch, breng ik nog heden, dus voordat
de door u gestelde termijn verstreken is, het geld!”
De Lord was doodsbleek geworden en staarde haar met groote oogen aan.
„Wat?” riep hij uit. „Geld brengen? De pacht? de geheele pachtsom?”
„De eigenlijke pachtsom is het niet! Die is veel kleiner, zooals u wel
weet! Maar voor dezen keer betaalt mijn man u ook het verhoogde bedrag,
dat gij ons, arme menschen, afperst!
„Ik zeg u echter, dit is de laatste maal en dan betalen wij weer de
oude erfpacht, die alleen op koninklijk bevel verhoogd kan worden, niet
door u!
„Want, dit zeg ik u, de Mac Karthy’s zijn erfpachters van de familie
Lister sinds de dagen van Cromwell en dat kunnen wij bewijzen!”
De drie gasten keken niet zonder leedvermaak den Lord aan en wachtten
in gespannen aandacht, wat hij zou antwoorden.
Op het gelaat van den gastheer verscheen een trek van roofdierachtige
wreedheid.
„Dat zijn gemeene leugens! Maar, als gij het geld bij u hebt, betaal
het hier dan uit!”
Hij schoof borden, glazen en flesschen op zij.
„Ik neem deze heeren tot getuigen, dat ik de door Lord Lister verlangde
pachtsom van 450 pond hier in 90 biljetten uitbetaal en tegelijkertijd
tegen het bedrag der pacht protesteer! Ik eisch, dat de pacht weer
verlaagd zal worden, zooals dat schriftelijk en op zegel is
vastgesteld!”
„Very well!” sprak de Lord opgewonden. „Eerst het geld, opdat ik kan
zien of de biljetten echt zijn! De rest zal wel terecht komen.”
Mary haalde het pakje bankbiljetten, netjes ingepakt, uit haar keursje
te voorschijn, opende het en telde de biljetten op tafel uit.
De oogen van den Lord vonkelden en zijn handen beefden, toen hij het
geld opnam.
„Ik verzoek u, deze quitantie te onderteekenen, die ik gemakshalve heb
meegebracht, anders moet ik mijn biljetten terugtrekken. In dat geval
zal ik u eerst morgen in tegenwoordigheid der politie en andere
gerechtsdienaren betalen en deze heeren hier zullen getuigen, dat het
uw eigen schuld is, wanneer de pacht niet heden reeds is afgedaan.”
De Lord schuimbekte van woede.
„Deze biljetten geef ik u niet terug, want ik heb alle reden om aan hun
echtheid te twijfelen!”
„Wat!” riep Mary uit, vastberaden een stap dichterbij komend, „en gij
schaamt u niet, gij, oude zondaar, om een arme vrouw, die het geld met
moeite heeft geleend, ervan te beschuldigen, u valsch geld voor te
leggen? En gij wilt het zonder quitantie behouden?
„En gij, heeren, zit er stom en zwijgend bij en laat, als Engelsche
gentlemen, een arme vrouw in uw bijzijn beschimpen en beleedigen?”
„Ja, het is waar, Lister”, sprak de bankier aarzelend. „Gij kunt
onmogelijk de betaling terugwijzen en gij zijt verplicht, de kwitantie
te onderteekenen!”
„Nu, geef hier, ik zal teekenen!”
De Lord hield de quitantie op armslengte van zich verwijderd. Zijn
gelaat werd purperrood en zijn oogen vonkelden boosaardig.
Met een hoonenden lach sprak hij:
„Mooi en ik zal ook onderteekenen dat de verhoogde pacht weer tot het
oude bedrag zal worden teruggebracht, op voorwaarde, dat gij mij het
document of een afschrift daarvan vertoont, waardoor uwe aanspraken
bewezen worden.
„Maar er bestaat geen oorkonde betreffende deze erfpacht, want de heele
zaak is een hersenschim van u!”
„Wat, mijnheer de Lord? Een hersenschim? Hebt gij dan dat waardevolle
papier, dat eens aan een uwer voorvaderen na den slag bij de
Bognerivier werd ter hand gesteld, niet veilig in uw archief bewaard?”
„Of mijn voorouders een dergelijk stuk hebben bezeten, weet ik niet.
Alleen weet ik, dat ik in het archief, ondanks alle mogelijke moeite,
niet een dergelijk stuk heb kunnen vinden!”
„Dan gaat gij lichtzinnig om met officieele stukken en uw archief moet
er ordeloos uitzien, als een arme boerenfamilie documenten beter weet
te bewaren dan gij!
„Want ik roep u, heeren, als getuigen aan, wanneer ik het bewijs lever,
dat onze bewering, betreffende de erfpacht, gerechtvaardigd is!
„Hier heb ik namelijk het document, dat een erfstuk in onze familie is
en dat steeds op de zorgvuldigste wijze is bewaard gebleven!”
Mary ontvouwde het perkament en wilde het gedeelte eruit voorlezen, dat
betrekking had op de erfpacht.
Maar buiten zichzelf van woede en drift sprong de Lord op en voordat
zij erop verdacht was, had hij haar het document afgenomen om het te
verscheuren.
Het stevige perkament bood echter weerstand.
De drie gasten keken elkaar verschrikt aan.
Plotseling echter gaf de dikke landedelman, Sir Garnett, een gil en
sprong van zijn stoel op, zoodat dit massieve meubel met groot lawaai
omviel.
„De prinses!” riep hij vol ontzetting uit. „Het spook van de prinses!”
(Zie het titelblad.)
Een koude rilling liep allen, ook Lord Lister, die het slechtste
geweten had, langs den rug.
Want op de plaats van het portret ontwaarden zij de werkelijke gestalte
der Indische vorstin.
Vol toorn wierp zij met een enkele beweging van haar met ringen
getooide hand haar zwarte krullen naar achteren.
Haar groote oogen schitterden en rolden woest en met een koninklijk
gebaar sprak zij met een grafstem:
„Onderteeken, Lord Lister!”
„Dat is te veel! Dat is te veel! Het spookt hier op het kasteel! Weg
van hier!” riep Sir Garnett uit, terwijl hij blootshoofds naar buiten
snelde, om zijn paard uit den stal te halen en, als door wolven
achtervolgd, naar huis te snellen.
Ook de beide andere gasten voelden zich niet op hun gemak.
Zij keken beurtelings de prinses en den ouden Lord aan, die op de
quitantie staarde, welke de dappere pachtersvrouw hem weer had
voorgeschoven.
En met een haastig gebaar had zij het kostbare document weer in haar
bezit genomen.
„De prinses!” mompelde de Lord, „komen de dooden dan werkelijk terug?”
Daarop echter trachtte hij het gevoel van ontzetting van zich af te
schudden, dat zich des te sterker deed gevoelen, nu hij pas een tocht
naar den grafkelder had gemaakt.
„Onderteeken toch, Lord Lister!” fluisterde de bankier doodelijk
verschrikt. „Het document is echt, daaraan valt niet te twijfelen, even
echt als de biljetten, die ik nauwkeurig heb bekeken!”
„Neen, ik onderteeken niet! Al zouden engelen en duivels, geesten en
goden mij willen dwingen! Ik wil niet! Die Mac Karthy— —”
Op dit oogenblik weerklonk een dubbele knal en de Indische prinses
stond met twee zeer moderne revolvers in de handen vóór hen, welke zij
op den Lord en zijn beide gasten gericht had.
En de spookachtige altstem liet zich weer hooren:
„Ik geef je nog vijf minuten bedenktijd! Heb je dan je plicht nog niet
gedaan, de quitantie niet onderteekend, dan is het met je leven gedaan,
evenals met dat van je makkers!”
Een koude rilling overviel de heeren, toen zij de monden der blinkende
revolvers zagen.
Mary had een vulpen bij zich, die zij den Lord met een spottend
glimlachje overreikte.
„Dat vervloekte Indische wijf!” knarsetandde de schurk, zijn oogen
onafgewend op de dreigende revolvers gericht.
Lord Raynald was als door hypnotische macht geboeid.
Hij nam de pen uit de hand der boerenvrouw en zette onder het uiten van
een vloek zijn naam onder de quitantie, waarmede ook tevens de
toezegging tot verlaging der pacht was geschied.
Reeds had de dappere Mary, zonder lang te aarzelen, het geschrift
opgenomen en zich naar de deur begeven, toen opnieuw de stem der
prinses zich deed hooren:
„Het is je geluk, valsche Lord met je onrechtmatig verkregen titel! Dit
echter is pas het begin!
„De Oostersche vorstin zal terug komen om rekening en verantwoording
van je te vragen over al de schoone titels en de millioenen die je op
onrechtmatige wijze hebt verkregen, zij zal je alles ontnemen en het,
evenals het kasteel Canaroon, aan den eigenlijken erfgenaam doen
toekomen!”
De beide gasten staarden Lord Raynald vol ontzetting aan.
Maar de pachtersvrouw, die bij de deur was blijven staan, keerde zich
om en, terwijl zij met uitgestrekte hand naar den schurk wees, riep zij
uit:
„Ja, het is waar, wat de Indische prinses zegt! Hetzelfde fluistert men
elkaar op het land reeds sinds langen tijd toe!”
Toen sprong de oude Lord met van woede verwrongen gelaat op, met luider
stem schreeuwend:
„Ellendige bedriegerij! Doorgestoken kaart! Daar steekt mijn neef
Edward achter, of de duivel mag mij halen!”
Hij wilde in zijn zak grijpen om de revolver, die hij altijd bij zich
droeg, te voorschijn te halen.
Op dat oogenblik echter weerklonk een hoonende lach en een donderslag
weerklonk door de hall.
Een groene damp steeg voor de gestalte der prinses in de hoogte en
tegelijkertijd viel de deur der hall met luiden slag achter de
pachtersvrouw dicht.
Mary had het kasteel verlaten.
Onwillekeurig hadden Lord Raynald en zijn gasten omgekeken.
Toen zij hunne blikken weer naar de prinses richtten, was de
welriekende groene damp opgetrokken en slechts de olieschilderij der
Oostersche vrouw keek op het verblufte drietal neer.
Indien een wonderlijke, zachte geur hun het tegendeel niet had verteld,
zouden de drie heeren gemeend hebben, dat alles slechts een droom was
geweest.