Kalm en vriendelijk lag de pachthoeve van Mac Karthy te midden der
goudgele korenvelden, omgeven door dichtbegroeide heuvels.
Vol zorgen en met gefronst voorhoofd stond de pachter, een groote,
welgebouwde man met gebruind gelaat en welig blond kroeshaar, een man
van ongeveer veertig jaar, op den drempel van zijn woning.
Hij keek een jachtwagen na, waarin een vroolijk heerengezelschap naar
het kasteel reed, dat op eenigen afstand zichtbaar was.
Naast hem stond zijn vrouw met roodgeweende oogen. Een ongeveer
vijfjarige knaap hield zich vast aan haar schort, terwijl zij een kind
van nauwelijks een jaar in haar armen hield.
Een meisje en een jongen van 7 en 9 jaar speelden met de zorgeloosheid
der jeugd in den hof.
Het rijtuig waarin het gezelschap heenreed, dat hier in de buurt een
pic-nic had gehouden, behoorde aan den eigenaar van het kasteel, Lord
Edwards oom, Lord Raynald Lister, wiens karakter wij reeds hebben
leeren kennen.
Hij had stil laten houden bij de boerderij en den pachter naar buiten
laten roepen.
In tegenwoordigheid van zijn gasten had hij hem zonder mededoogen er
aan herinnerd, dat de laatste betalingstermijn verstreken was!
Als hij den volgenden dag de pacht niet tot op den laatsten cent had
betaald, zou de Lord hem met zijn gezin uit het huis laten zetten,
zooals het iemand toekwam, die niet in staat was, het luttele bedrag,
dat hij aan zijn heer verschuldigd was, op tijd te voldoen!
„Och, heb nog wat geduld, Mylord!” had de pachter gebeden. „Gij weet,
Lord Raynald, dat ik altijd stipt was, evenals mijn vader en
voorvaderen, die deze akkers hebben bebouwd! Maar de pacht is te hoog
en de mislukte oogst— —”
„Papperlapap!” riep de Lord hoonend uit. „Ik weet het wel, de mislukte
oogst en het slechte weer hebben schuld! Ik wil daar niets meer van
hooren! Jullie kunt niet huishouden en ik heb een pachter noodig, die
dat wel kan!
„Als je morgen niet betaalt, kan je met je heele familie naar den
duivel loopen!
„Begrepen?”
De pachter richtte zich op en keek den Lord met vasten blik aan.
„Ik zal u alles betalen, maar gij moet mij uitstel geven, want, weet
wel, Lord Raynald Lister, dat ik hier erfpachter ben en dat ook ik van
mijn goed recht in de Vereenigde Koninkrijken gebruik wensch te maken?
„Men kan mij niet voetstoots wegjagen, zooals gij dat denkt te doen,
vooral niet, als buiten mijn schuld de oogst mislukt is!”
„Wat? Jij, ellendige boer, hebt den treurigen moed, mij zoo te durven
brutaliseeren? Dat is het gevolg van het optreden van mijn broer en ik
begrijp wel, op wiens hulp je vertrouwt!
„Maar ik trek mij niets van al je klaagliederen en protesten aan. Geld
wil ik zien! Het mij toekomende bedrag zult ge mij morgen uittellen,
anders laat ik je door de politie van deze hoeve jagen, die mij
toebehoort, al zou je op je bloote knieën om genade smeeken!
„Onthoud dat.
„En Lord Edward Lister, die hongerlijder, is zoo arm als een kerkrat en
kan je niet helpen!
„Mijn woord is hier wet en wat ik zeg, dat gebeurt!”
Met tranen in de oogen knielde nu Mary, de vrouw van den pachter, bij
het rijtuig neer:
„O, Lord Raynald, heb medelijden, ter wille van de kinderen!”
Maar de pachter richtte haar met zijn krachtige hand op en beval haar,
in huis te gaan.
Toen zij haar man aankeek, begreep zij, dat zij gehoorzamen moest en
met haar kind op den arm wankelde zij snikkend naar huis.
„Verneder je niet nutteloos!” sprak haar man op scherpen toon.
„Die man heeft een steenen hart.”
„Hond, durf je mij beleedigen?”
„Op scheldwoorden antwoord ik niet! Is dit alles, wat Uwe Lordschap mij
te zeggen heeft?”
„Goddam! Loop naar den duivel, onbeschaamde boer!”
„Dan behoef ik niet ver te gaan!” antwoordde de boer op kalmen toon,
terwijl hij zich omkeerde om naar huis te gaan— —
Nu was de pachter weer met zijn vrouw en kinderen alleen, het hart
vervuld van zorg en kommer.
Zij keken het rijtuig met het rumoerige gezelschap na.
Pachter Mac Karthy en zijn nog steeds weenende vrouw hadden angst voor
de toekomst. Ach, zij dachten minder aan zichzelf, dan aan het harde
lot, dat hun kinderen wachtte.
De pachter maakte een handbeweging, alsof hij zeggen wilde:
Wat helpt het! De strijd moet gestreden worden.
Plotseling keek hij verbaasd op.
Van de tegenovergestelde zijde als die, waarin de jachtwagen was
verdwenen, zag hij twee ruiters naderen. Het was duidelijk te zien, dat
zij naar zijn hoeve kwamen. In razende snelheid naderden zij en het
leek, alsof de paarden vleugels hadden.
Mac Karthy sloeg zijn handen samen en keek met groote spanning.
„Mary! Kijk eens! Zij komen naar ons huis toe! Als dat—”
„Dat zal toch niet reeds de politie zijn?” riep de pachtersvrouw,
terwijl zij haar jongste kind vaster aan haar borst drukte.
„Domme vrouw, spreek toch niet van politie! Neen, ik dacht aan iemand
anders! En als ik dien voorsten ruiter goed zie— —!
„Dat is niemand anders dan— —”
„Wien bedoel je toch? Ik heb allen moed verloren. O, Mac, wat moet er
van onze kinderen worden! Wat moeten wij zelf beginnen? Denk je, dat we
van elkaar zullen moeten scheiden en— —?”
„Houd nu toch je mond, jij!— —Ja, hij is het—hij is het! O, ik wist
wel, dat hij zijn ouden Mac Karthy niet in den steek zou laten!”
„Maar wien bedoel je toch, Mac? Zeg het toch, spreek dan toch! Ik verga
van angst en zenuwachtigheid! Wie is het?”
„Jij bent met blindheid geslagen, Mary! Anders zou je toch dien langen,
slanken man, die den ander een heel eind vooruit is, herkennen! Zet je
oogen wijd open! Herken je hem nu nog niet?
„Nu wordt alles weer goed! Ja, ik zie het! Het is onze jonge Lord! Maar
wat komt hij doen, weet hij iets van ons ongeluk?” vroeg Mary.
Gedurende dit gesprek waren de beide ruiters genaderd en eindelijk
sprong Lord Lister van zijn hijgend, dampend ros, waarvan hij den
pachter de teugels toewierp.
„Fred,” sprak hij, „je oude beenen hebben zich dapper gehouden, dat
moet ik zeggen! Je hebt het paardrijden nog niet verleerd!”
Daarop wendde hij zich tot den pachter, schudde dezen de hand en reikte
toen zijn slanke rechter aan Mary, welke deze wilde kussen, wat de
trotsche Engelschman echter belette.
„Nu, Mac Karthy, daar zijn wij, om op ons erfgoed de zaakjes eens op te
knappen. Weest nu allebei maar volkomen gerust! Van de voornemens van
mijn waarden oom zal niet veel komen. Ik zal hem nog wel weten te
dwingen! Gij zijt hier erfpachters en uw voorouders hebben met en onder
de mijne hier menigen strijd gestreden.
„Het zou wat moois zijn, als het geslacht der Mac Karthy’s om een
ellendig beetje geld in den vreemde en in de ellende gedreven zou
kunnen worden!
„Ik zal er voor zorgen, dat de pacht lager wordt! Zij zal u niet als
een last drukken voortaan! Gij moet vroolijk en welgemoed uw werk
kunnen doen als erfpachter, en, evenals uw voorvaderen, als vrije,
fiere mannen hier den ouden grond bebouwen!”
„O, Lord Lister,” sprak de pachter met vochtige oogen, „als gij dat
zoudt kunnen bewerken! Dan zou ik u zegenen en mijn kinderen en
kindskinderen na mij!
„Wat wij volgens recht en billijkheid verschuldigd zijn, willen wij
graag betalen! De pacht echter, die uw oom ons heeft opgelegd, is veel
te hoog en maakt ons, pachters, allen tot bedelaars!”
„Dit zal geregeld worden, Mac Karthy, ik geef u mijn woord erop! Ik zal
met mijn dierbaren oom spreken! Maar vertel mij eerst eens, hoe hoog
het door u verschuldigde bedrag is.”
De pachter zweeg een oogenblik.
„Hij heeft ons allen opgeslagen en ik moet nu 450 pond opbrengen!”
antwoordde hij op zachten toon.
„Maar hebt gij dat kunnen aannemen, gij en de andere pachters? Dat hadt
ge u niet moeten laten welgevallen! Dat is immers belachelijk, zoo’n
hoog bedrag voor uw kleine hoeve! Neem mij niet kwalijk, Mac Karthy,
maar dat was een groote dwaasheid!
„Gij hadt er u met alle kracht tegen moeten verzetten. Hij had er ook
niet het recht toe, u zulke hooge lasten op te leggen, want alles staat
officieel beschreven in het archief van het kasteel Canaroon!
„Nu, ik zal de zaak weer voor u opknappen!
„Rijd jij weer vooruit, Fred! Ik kan je nog geen rust gunnen. Kijk
eens, of het oude dienstpersoneel nog in het kasteel is. Fluister den
ouden getrouwen een enkel woord van mij in het oor, onderzoek, of ik
ongemerkt in het archief kan komen en laat de deur voor mij open. Ik
zou graag onverwacht willen verschijnen.
„Je kunt je paard, evenals ik het zal doen, in den ouden stal links van
het park brengen, want wij zullen de dieren misschien noodig hebben,
als wij heelhuids uit Canaroon willen vertrekken!”
Fred knikte zielsvergenoegd en vol zelfbewustzijn. Hij was er trotsch
op, zijn heer te mogen helpen en deze opdracht leek hem eenvoudig
kinderspel.
Hij zat reeds weer op zijn bruinen hengst en reed weg.
De Lord nam zijn portefeuille en stelde Mac Karthy 100 biljetten van
vijf pond ter hand.
„Laat je behoorlijk kwitantie geven! Of misschien is het nog beter, als
Mary het bezorgt. Span je kleinen wagen in, Mac, breng haar naar het
kasteel en wacht buiten tot zij terugkomt met de kwitantie!
„Duld echter geen enkele onbeschaamdheid, Mary! Geneer je niet
tegenover den ouden vrek! Beroep je op de erfpachtspapieren, die in het
archief berusten en eisch op beslisten toon, dat de pacht weer verlaagd
wordt. Gij zult u uw goede recht toch niet laten ontnemen!”
„O, mijnheer, hoe kan ik u ooit genoeg danken! Ja, nu ziet de zaak er
anders uit! Ik geloof ook, dat Mary de zaak beter kan afdoen dan ik.
Zij heeft haar mond op de rechte plaats!
„Misschien ook zou ik buiten mij zelf zijn van woede als ik tegenover
den ouden woekeraar stond en als ik er aan dacht, hoeveel leed hij ons
berokkend heeft. En ik ben er zeker van, dat hij u op gemeene wijze uw
erfenis ontstolen heeft!”
Lord Lister glimlachte over den woordenvloed van den braven pachter,
die anders weinig spraakzaam was.
„Dus flink erop los! Er is haast bij de zaak! Neem het geld, Mary,
kleed je aan en spoed u dan naar het kasteel, waar gij moet doen wat ik
u heb gezegd.”
Bij die woorden nam hij de teugels, die Mac Karthy om een boom had
gebonden, weer op, sprong in het zadel en reed met een vriendelijken
groet in snellen draf naar het oude kasteel zijner vaderen.
Spoedig had hij den ouden witten muur bereikt, die het reusachtige park
rondom het slot omgaf en hij wendde zich naar den paardenstal, waar hij
Fred’s bruintje reeds zag staan. Hij bracht zijn paard ook daarheen,
nam een tamelijk omvangrijk pakje uit zijn zadeltasch en keek met
scherpen blik om zich heen, of niemand in de buurt was.
Nadat hij zich had vergewist dat hij niet bespied werd, haalde hij een
zwartzijden masker te voorschijn en bevestigde dit voor zijn gelaat.
Hij drukte zijn zachten sporthoed diep over het voorhoofd en sloop
behendig het door Fred opengelaten parkhek binnen.
Hier sloeg hij een door struikgewas, slingerplanten en onkruid bedekt,
blijkbaar niet meer in gebruik zijnd pad in. Het was buitengewoon
moeilijk zich hier een weg te banen.
Maar de jonge Lord kende hier elk plekje uit zijn gelukkige kinderjaren
en was zelfs verheugd te bemerken, dat blijkbaar niemand in langen tijd
zijn voet hier had gezet.