XIV.

Mijne tante neemt een besluit te mijnen opzichte.

Toen ik den volgenden morgen beneden kwam, vond ik tante met de hand

onder het hoofd zoo diep in gepeins verzonken aan de ontbijttafel

zitten, dat de inhoud van den waterketel het geheele servet overstroomd

zou hebben, als ik haar niet in hare overpeinzingen was komen storen.

Ik wist bijna zeker, dat ik het onderwerp daarvan geweest was en was

nieuwsgieriger dan ooit naar de plannen, die zij met mij had. Ik mocht

mijne nieuwsgierigheid echter niet doen blijken, wilde ik hare stemming

niet bederven. Mijne oogen, die ik niet zoo in bedwang had als mijne

tong, dwaalden echter gedurende het ontbijt meermalen naar haar toe.

Ik kon haar geen twee seconden achtereen aankijken, of ik zag dat

zij ook naar mij keek; zij deed dit met eene zonderlinge, peinzende

uitdrukking in hare oogen, alsof ik heel ver af was in plaats van aan

het kleine tafeltje tegenover haar. Toen zij met haar ontbijt gereed

was, ging tante heel gemakkelijk in haar grooten stoel zitten, trok de

wenkbrauwen samen, sloeg de armen over elkander en bekeek mij op haar

gemak en zoo aandachtig, dat ik er verlegen onder werd. Ik trachtte

mijne verlegenheid te verbergen door voort te gaan met mijn ontbijt,

maar mijn mes wipte over mijn vork en mijn vork sprong weer over het

mes heen; de stukjes spek, die ik afsneed, maakten luchtsprongen

in plaats van in mijn mond terecht te komen; ik verslikte mij in

mijn thee, die met geweld het verkeerde keelgat in wilde, en gaf het

eindelijk op, waarna ik, blozend onder den uitvorschenden blik van

mijne tante, stil bleef zitten.

„Heila!” riep zij, na mij langen, langen tijd zoo te hebben aangestaard.

Ik keek op, maar bleef eerbiedig zwijgen.

„Ik heb hem geschreven,” sprak zij.

„Aan wien!”

„Aan uw stiefvader”, antwoordde tante. „Ik heb hem een brief

geschreven, dien hij mij beantwoorden zal, of hij krijgt met mij te

doen, daar kan hij op rekenen.”

„Weet hij dan nu waar ik ben, tante?” vroeg ik angstig.

„Ik heb het hem geschreven,” antwoordde zij met een hoofdknik.

„Moet .... ik .... dan weer ... naar hem .... terug?” vroeg ik

stotterend.

„Dat weet ik niet. Wij zullen zien?”

„O, ik weet niet wat ik doen zal,” riep ik uit, „als ik weer naar

mijnheer Murdstone terug moet.”

„Ik weet er nog niets van,” sprak tante, het hoofd schuddend. „Ik kan

er nog niets van zeggen. Wij zullen zien.”

Deze woorden deden mij het hart in de schoenen zinken. Zonder aan mijne

neerslachtigheid veel aandacht te schenken, stond tante op, deed een

keukenschort voor, die zij uit de kast nam, waschte eigenhandig het

theegoed af en toen alles weder schoon op het blad gezet was, vouwde

zij het servet op, legde het er over heen en belde Janet om het weg te

zetten. Daarna veegde zij alle kruimeltjes op met een bezempje,—na

eerst handschoenen aangetrokken te hebben—totdat er zelfs met een

microscoop geen enkel meer op het karpet te ontdekken was; vervolgens

werd overal het stof afgenomen en alles in de kamer opnieuw geschikt,

niettegenstaande er geen stofje te ontdekken was en alles keurig op

zijne plaats stond. Toen deze taak naar haar genoegen was afgeloopen,

deed zij het schortje af, trok de handschoenen uit, legde ze in

hetzelfde hoekje, waar zij ze vandaan had gehaald, zette haar naaidoos

op haar eigen tafeltje en begon, door den groenen waaier tegen het

scherpe zonlicht beschermd, te naaien.

„Gij moest eens naar boven gaan,” sprak zij, een draad instekend, „en

uit mijn naam aan mijnheer Dick zeggen, dat ik verlangend ben te weten,

hoe ver hij met zijne Memorie gevorderd is.”

Ik stond blijmoedig op ten einde mij van deze opdracht te kwijten.

„Gij zult den naam van mijnheer Dick wel erg kort vinden, nietwaar?”

vroeg tante, terwijl zij mij even oplettend aankeek, als zij den naald

gedaan had.

„Gisteren vond ik het een bijzonder korten naam,” bekende ik.

„Gij moet niet denken, dat hij geen langeren naam heeft; als hij dien

maar wilde gebruiken,” zei tante met zekeren hoogmoed. „Babley....

Mijnheer Richard Babley is zijn waren naam.”

Ik wilde met de bescheidenheid, die aan mijn jeugdigen leeftijd paste,

en onder den indruk dat ik mij, zooals thans bleek, reeds aan al te

groote familiariteit had schuldig gemaakt, in overweging geven of het

niet beter was hem met zijn waren naam aan te spreken, toen tante zei:

„Noem hem toch nooit bij dien langen naam. Hij kan dien niet uitstaan.

Dat is een van zijne eigenaardigheden. Vreemd kan ik het echter niet

vinden, want hij is slecht genoeg behandeld door menschen, die dezen

naam dragen, om er een afschuwelijken hekel aan te hebben—dat weet de

Hemel. Hier is zijn naam: mijnheer Dick; en overal elders... als hij

ooit nog eens elders heengaat, dat ik niet geloof. Zorg dus, mijn kind,

dat gij hem nooit anders noemt dan mijnheer Dick.”

Ik beloofde het en ging naar boven om mijne boodschap over te brengen,

denkende, dat als mijnheer Dick altijd zoo hard zat te werken, als ik

hem nu door de deur, die openstond, bezig zag, de Memorie wel spoedig

gereed moest zijn of bijzonder lijvig worden. Ik vond hem dan druk

bezig met een ontzettend lange pen en het hoofd bijna op het papier.

Hij scheen er zoo mede vervuld, dat ik volop gelegenheid had om op te

merken, dat er een groote vlieger in een van de hoeken van de kamer

stond, dat overal bundels geschreven schrift opgestapeld lagen en dat

hij zich juist scheen te hebben voorzien van ontelbare grossen pennen

en halve fleschjes inkt—hij scheen die bij dozijnen op te doen—eer

hij mijne tegenwoordigheid opmerkte.

„Zoo, Phoebus!” sprak mijnheer Dick, terwijl hij de pen neerlegde. „Hoe

gaat het in de wereld? Ik zal u eens wat vertellen,” voegde hij er op

zachteren toon bij, „ik zou niet gaarne willen, dat men er over sprak,

maar het is een”—hij maakte een knipoogje en bracht zijn mond vlak bij

mijn oor—„het is een gekke wereld. Zoo gek als Bedlam, jongen.” Hij

nam na deze woorden een snuifje uit een ronde doos, die op de tafel

stond, en lachte uit volle borst.

Zonder zoo vermetel te zijn om mijn gevoelen op dit punt te uiten, deed

ik mijne boodschap.

„Wel,” antwoordde mijnheer Dick „doe mijne complimenten en zeg haar dat

ik.... dat ik een goed eind gevorderd ben. Ik geloof, dat ik een goed

eind gevorderd ben,” herhaalde mijnheer Dick, terwijl hij met de hand

door zijne grijze haren woelde en een ver van rustigen blik wierp naar

zijn manuscript.

„Zijt gij op school geweest?”

„Jawel, mijnheer,” antwoordde ik, „maar niet lang.”

„Herinnert gij u den datum,” ging hij voort, terwijl hij mij ernstig

aankeek en de pen opnam om mijn antwoord op te teekenen, „den datum

waarop Koning Karel I onthoofd is?”

Ik antwoordde, dat het, naar ik meende, in 1649 moest geweest zijn.

„Ja,” zei mijnheer Dick, terwijl hij zich met de pen achter het oor

krabde en mij aankeek met een blik, die twijfel verried. „Ja, zoo staat

het in de boeken, maar ik kan mij niet begrijpen dat het waar is.

Als het zoo lang geleden was, hoe zouden dan de menschen, die er bij

zijn geweest, zoo in de war hebben kunnen zijn om een gedeelte van de

onrust, die hem kwelde, uit zijn hoofd in het mijne te stoppen?”

Ik was ten hoogste verbaasd over deze vraag, maar kon hem dienaangaande

geen inlichtingen geven.

„Het is heel vreemd,” ging mijnheer Dick voort, met een angstigen blik

op zijne papieren en voortdurend met de hand in zijn haar, „dat ik

daarover nooit volkomen zekerheid kan krijgen. Maar, geen nood! Geen

nood!” vervolgde hij op vroolijken toon en blijkbaar moed scheppende,

„er is tijd genoeg. Doe mijne complimenten aan juffrouw Trotwood en zeg

haar dat ik heel goed vorder.”

Toen ik wilde heengaan, vestigde hij mijne aandacht op den vlieger.

„Hoe vindt gij dien vlieger?” vroeg hij.

Ik antwoordde, dat ik het een mooien vlieger vond. Naar mijne schatting

was het er een van meer dan zeven voet hoogte.

„Dien heb ik gemaakt. Willen wij hem samen eens oplaten?” vroeg

mijnheer Dick. „En hebt gij dit wel gezien?”

Hij liet mij zien, dat de vlieger beplakt was met zeer dicht in

elkander, keurig net beschreven papier; het schrift was echter zoo

duidelijk, dat ik, er langs kijkende, herhaalde malen toespelingen op

het hoofd van Karel I lezen kon.

„Er is touw genoeg bij,” zei mijnheer Dick, „en wanneer hij hoog genoeg

staat, kan iedereen lezen wat er op staat. Dat is nu mijne manier om

mijn denkbeelden te verspreiden. Ik weet volstrekt niet, waar ze zullen

neerkomen; dat hangt af van de omstandigheden, van den wind en zoo

voort; maar dat laat ik aan het toeval over.”

Hij keek zoo vriendelijk en vergenoegd rond en op zijn frisch, blozend

gezicht lag tevens zooveel goedhartigheid verspreid, dat ik niet zeker

wist of hij eigenlijk niet met mij schertste. Ik lachte en hij lachte

en zoo scheidden wij als de beste vrienden.

„Wel, mijn kind,” vroeg tante, toen ik beneden kwam. „Hoe vaart

mijnheer Dick van morgen.”

Ik bracht haar zijne groeten over en deelde haar mede, dat hij goed

vorderde.

„En wat denkt gij wel van hem?” vroeg zij verder.

Wel kwam de lust in mij op om te trachten een ontwijkend antwoord te

geven en te zeggen, dat ik mijnheer Dick een aardige man vond; maar

tante liet zich niet zoo afschepen, want zij legde haar werk neer,

vouwde de handen er overheen en zeide: „Kom! Uwe zuster Betsey Trotwood

zou mij onmiddellijk verteld hebben, wat zij van iemand dacht. Doe dus

zooals zij en spreek uw gevoelen uit.”

„Is hij.... is mijnheer Dick.... ik vraag het, omdat ik het niet weet,

tante.... is hij wel geheel bij zijn verstand?” vroeg ik stotterend; ik

voelde, dat ik mij op gevaarlijk terrein bewoog.

„Wel degelijk is hij dat,” antwoordde tante.

„O, zoo!” fluisterde ik.

„Als er iemand op de wereld bij zijn verstand is,” zei tante zeer

beslist en met den eigenaardigen nadruk, dien zij op hare woorden kon

leggen, „is het mijnheer Dick.”

Ik kon hierop niets antwoorden dan nogmaals met een zucht uit te

spreken: „O, zoo!”

„Zij hebben hem gek _genoemd_,” vervolgde tante. „Het is voor mij een

zelfzuchtig genoegen te kunnen zeggen, dat zij hem gek genoemd hebben;

want anders zou ik gedurende de laatste tien jaren het voorrecht van

zijn gezelschap en zijn raad gemist hebben—van den dag af, waarop uwe

zuster Betsey mij zoo te leur stelde.”

„Zoo lang reeds?” vroeg ik.

„Het was fijn volkje, dat hem gek wilde verklaren,” ging tante voort.

„Mijnheer Dick is nog een verre bloedverwant van.... nu, dat doet er

ook niet toe; het is niet noodig, dat ik dit nog eens ophaal. Als ik

niet was tusschen beiden gekomen, zou zijn broeder hem zijn leven lang

hebben laten opsluiten. Dat is alles.”

Ik vrees, dat het wel een weinig huichelachtig van mij was, maar toen

ik zag, dat mijne tante zich die zaak zoo aantrok, beproefde ik te

kijken, alsof ik dat ook deed.

„Een trotsche gek!” sprak zij. „Omdat zijn broeder een weinig

zonderling was—hoewel hij niet half zoo zonderling is als menig

ander—wilde hij hem niet bij zich in huis hebben en zond hem naar een

particulier gesticht, niettegenstaande zijn vader hem op diens sterfbed

had laten beloven voor zijn broeder te zorgen. Hij is waarschijnlijk

zelf niet goed bij zijn verstand; anders had hij zoo niet kunnen

handelen.”

Tante keek alsof zij innig overtuigd was van de waarheid harer woorden

en ik trachtte daarom ook te kijken of ik er van overtuigd was.

„Maar ik kwam tusschen beiden,” hernam tante na een kleine pauze,

„en deed hem een voorstel. Uw broeder, zei ik, is heel goed bij zijn

verstand, veel beter dan gij zijt en ooit zult zijn; betaal hem daarom

zijn jaarlijksch inkomen uit en laat hem bij mij komen wonen. Ik ben

niet bang voor hem, ik ben niet trotsch, ik ben bereid voor hem te

zorgen en zal hem niet slecht behandelen, zooals sommige menschen—o.

a. in het gesticht—gedaan hebben. Na veel heen- en weerpraten kreeg

ik mijn zin en hij is bij mij gebleven tot op den huidigen dag. Hij is

de vriendelijkste en inschikkelijkste man, die er leeft.... en wat het

geven van goeden raad betreft!... Maar niemand kent hem ook zoo goed

als ik.”

Tante streek hare japon glad en schudde het hoofd, alsof zij ten spijt

van de geheele wereld alles van den een wilde afstrijken en op den

ander overschudden.

„Hij had eene zuster, van wie hij veel hield,” vervolgde zij, „een

goed schepsel, die heel lief voor hem was. Maar zij deed wat alle

meisjes doen—zij ging trouwen. En haar echtgenoot deed wat alle

mannen doen—hij maakte haar ongelukkig. Dit maakte zulk een indruk op

mijnheer Dick—_dat_ was toch geen bewijs van krankzinnigheid, hoop

ik—dat hij er ziek van werd; de onvriendelijkheid van en de vrees voor

zijn broeder misten bovendien hunne uitwerking niet. Dit alles had

plaats, voor hij bij mij kwam, maar de herinnering er aan drukt hem

zelfs nu nog ter neer. Heeft hij u iets verteld aangaande Koning Karel

I?”

„Ja, tante.”

„A zoo!” sprak zij haar neus wrijvend, alsof dit haar onaangenaam was.

„Dat is eene zinnebeeldige manier om zich uit te drukken. Hij schrijft

zijne ziekte toe aan groote overspanning en angst, natuurlijk, en dat

is het beeld of de gelijkenis, die hij verkiest te gebruiken. En waarom

zou hij niet, als hij dat goedvindt?”

„Zeker, tante.”

„Het is nu wel een zeer bijzondere manier om zijne gedachten uit te

drukken, eene manier, zooals in de wereld weinig voorkomt. Ik kan er

mijne goedkeuring ook niet aan hechten en daarom sta ik er op, dat er

geen woord van mag voorkomen in zijne Memorie.”

„Is die Memorie eene levensbeschrijving van hem zelven, tante?”

„Ja, mijn kind,” antwoordde tante, opnieuw haar neus wrijvend. „Hij

schrijft eene Memorie voor den Lord Kanselier of den Lord.... a, ik

weet niet hoe al die lords heeten; maar het is voor iemand, die betaald

wordt om zulke memories te krijgen—en geeft daarin een verhaal van

al hetgeen hij ondervonden heeft. Ik vermoed dat hij zijne Memorie

eerstdaags zal inzenden. Het is hem niet gelukt die af te maken,

zonder zich nu en dan tot die bijzondere manier van schrijven te

laten verleiden. Maar het beteekent niets; het houdt hem bezig.”

Inderdaad kwam ik later tot de ontdekking, dat mijnheer Dick reeds

tien jaren achtereen beproefd had Koning Karel I uit zijne Memorie te

houden; telkens was diens naam er weder in gekomen en hij stond er

ditmaal weer in.

„Ik zeg nog eens,” begon mijne tante weder, „dat niemand dien man zoo

goed kent als ik en dat hij de vriendelijkste en inschikkelijkste man

is, die er leeft. Wat doet het er toe of hij nu en dan lust heeft

om een vlieger op te laten? Franklin liet ook vliegers op. Hij was

een kwaker of iets dergelijks, als ik mij niet bedrieg. En wat is nu

belachelijker dan een kwaker, die een vlieger oplaat?”

Had ik kunnen vermoeden, dat tante mij deze bijzonderheden vertelde,

om mij een bewijs van vertrouwen te geven, dan zou ik dit eene groote

onderscheiding geacht en deze vertrouwelijkheid als een gunstig

voorteeken beschouwd hebben. Maar ik kon niet nalaten op te merken, dat

zij er toe was overgegaan, omdat hare ziel er geheel mede was vervuld

en ook, dat zij mij tot toehoorder had gekozen, omdat zij niemand

anders had om er naar te luisteren. Ik moet hier echter bijvoegen,

dat de edelmoedige wijze, waarop zij de partij had opgenomen voor

den armen, onnoozelen mijnheer Dick, mijn jonge hart met blijde hoop

voor mij zelven vervulde niet alleen, maar het ook, zonder eenige

zelfzucht, warm voor haar deed kloppen. Ik begon te begrijpen, dat er

in mijne tante, in weerwil van hare zonderlinge en dwaze gewoonten,

iets was, dat eerbied en vertrouwen afdwong. Hoewel zij dien dag even

kortaf was als den vorigen, zich even vaak boos maakte over de ezels

en eenmaal gloeiend verontwaardigd opsprong, omdat een jonge man in

het voorbijgaan een knipoogje maakte tegen Janet—in tante's oogen

het grootste vergrijp tegen hare waardigheid—scheen zij mij toch

langzamerhand meer eerbied, ten minste minder vrees, in te boezemen.

De angst, dien ik uitstond in den tijd, die noodzakelijk verloopen

moest eer het antwoord kon komen op den brief aan mijnheer Murdstone,

is niet te beschrijven; maar ik deed mijn best om dien te onderdrukken

en mij bij mijne tante en mijnheer Dick zoo aangenaam mogelijk voor te

doen. Laatstgenoemde zou reeds den vlieger met mij hebben opgelaten,

maar ik had nog geen andere kleederen dan het alles behalve sierlijk

gewaad, waarin men mij op den dag van mijne aankomst gestoken had en

dat mij noodzaakte thuis te blijven, behalve des avonds in het donker,

als tante het voor mijne gezondheid noodzakelijk achtte eenigen tijd

met mij op het strand heen en weer te loopen, eer ik naar bed ging.

Eindelijk kwam er antwoord van mijnheer Murdstone, en tante deelde

mij tot mijn niet geringen schrik mede, dat hij den volgenden dag

persoonlijk met haar over mij zou komen spreken. Dien volgenden dag zat

ik, nog steeds in hetzelfde wonderlijke toilet, de minuten te tellen,

die zoo vreeselijk langzaam voorbij gingen; hoop en vrees voerden

voortdurend een woedenden strijd in mijn binnenste en ik beefde bij het

vooruitzicht ieder oogenblik dat barsche gelaat voor mij te kunnen zien.

Mijne tante was nog wat ongenaakbaarder en stroever dan gewoonlijk,

doch andere kenteekenen, dat zij zich gereed maakte om den gevreesden

bezoeker te ontvangen, werd ik niet gewaar. Zij zat bij het venster te

werken en ik zat bij haar, terwijl mijne gedachten zich bezighielden

met allerlei mogelijke en onmogelijke gevolgen van mijnheer Murdstone's

bezoek en—dat duurde tot vrij laat in den namiddag. Ons middagmaal

was onbepaald uitgesteld, maar het was zoo laat geworden, dat tante

eindelijk last had gegeven om te dekken, toen zij eensklaps den

alarmkreet liet hooren, dat er ezels waren, en ik tot mijne groote

verbazing en schrik juffrouw Murdstone zag aankomen, dwars over het

grasperk rijdende. Vlak voor het huis bleef haar ezel staan.

„Maak dat gij wegkomt!” riep tante hoofdschuddend, terwijl zij haar

vuist dreigend ophief.—Zij was gelukkig nog binnenskamers.—„Gij hebt

hier niets te maken! Hoe durft gij over mijn eigendom rijden! Maak dat

gij wegkomt, brutale tang.”

Tante was zoo woedend over de koelbloedigheid, waarmede juffrouw

Murdstone haar aankeek, dat zij als met verlamming scheen geslagen en

geen voet verzette, om tot den gewonen aanval op te rukken. Ik nam deze

gelegenheid waar om haar te vertellen, wie het was en dat de heer, die

achteraan kwam—de helling was vrij steil—mijnheer Murdstone was.

„Het kan mij niet schelen wie het is!” riep tante hoofdschuddend en

gebarenmakend achter het venster, die alles behalve „welkom” beduidden,

„ik wil geen overlast aangedaan worden! Ik verkies het niet! Ga heen!

Janet, laat hem keert maken. Breng hem weg!” Achter tante staande

woonde ik nu een formeel gevecht bij; de ezel weerstond alle pogingen

en bleef met de vier pooten wijd van elkander in het grasveld staan,

terwijl Janet trachtte hem bij den teugel om te trekken, mijnheer

Murdstone hem vooruitdreef, juffrouw Murdstone met de parasol op Janet

lossloeg en een aantal jongens, die op het geraas waren aangekomen,

stonden te juichen van de pret. Tante ontdekte echter plotseling

onder al die deugnieten den drijver van den ezel, een van de ergste

overtreders, al was hij nauwelijks tien jaar oud; in het volgend

oogenblik was zij op het slagveld en had zij hem bij den kraag van zijn

buis, dat zij hem over het hoofd trok, in de worsteling al roepende,

dat Janet de politie en de justitie moest halen, ten einde hem op

staanden voet te straffen. Zij had den jongen medegetrokken tot in

den tuin, maar hij was tante te slim af en wist zich los te werken,

waarna hij, eenige diepe sporen van zijne hakken in de bloembedden

achterlatende, juichend wegliep en zijn ezel in triomf medevoerde.

Juffrouw Murdstone was intusschen afgestegen en wachtte nu met haar

broeder onder aan de stoep, tot tante in de gelegenheid zou zijn hen te

ontvangen; maar deze liep, hoewel door de worsteling een weinig uit de

plooi geraakt, met groote deftigheid langs hen heen het huis binnen en

sloeg geen acht op hen, alvorens zij door Janet waren aangediend.

„Zal ik heengaan, tante?” vroeg ik bevend.

„Neen, jongeheer,” antwoordde zij. „Zeer zeker niet!”

Te gelijker tijd duwde zij mij in den hoek achter hare plaats en zette

een stoel voor mij neer, zoodat ik, als het ware in eene gevangenis

zat. Gedurende het geheele onderhoud bleef ik daar staan en dáár zag ik

ook mijnheer en juffrouw Murdstone de kamer binnentreden.

„O,” zei mijne tante, „ik wist niet, wie ik eigenlijk het genoegen had

van mijn erf te jagen. Ik sta niemand toe over dat grasperk te rijden;

dat is nu eenmaal niet anders en ik maak geen uitzonderingen. Ik sta

dat aan niemand toe.”

„Voor vreemdelingen is die verordening bijzonder lastig,” deed juffrouw

Murdstone opmerken.

„Zoo?” vroeg tante.

Mijnheer Murdstone scheen eene herhaling van de vijandelijkheden te

duchten en zei daarom:

„Juffrouw Trotwood....”

„Neem mij niet kwalijk!” viel tante hem op scherpen toon in de rede

„zijt gij mijnheer Murdstone, die de weduwe van wijlen mijn neef David

Copperfield van Kraaiennest in Blunderstone trouwdet? Waarom het

Kraaiennest was, heb ik nooit begrepen....”

„Dat ben ik,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Gij zult het mij zeker wel niet ten kwade duiden,” ging tante voort,

„als ik zeg, dat het beter en, voor haar vooral, veel gelukkiger zou

zijn geweest, als gij dat arme kind nooit gezien hadt.”

„In zoover moet ik juffrouw Trotwood gelijk geven,” viel juffrouw

Murdstone daarop in, terwijl zij het hoofd trotsch in den nek wierp,

„dat onze diep betreurde Clara wel getoond heeft in alle opzichten nog

een kind te zijn.”

„Het is voor u en mij een troost, juffrouw,” antwoordde tante, „dat

men, nu wij wat op jaren komen en met onze schoonheid geen ongelukken

meer zullen maken, van ons niet hetzelfde zeggen zal.”

„Zonder twijfel,” zei juffrouw Murdstone, ofschoon, naar mij voorkwam,

deze toestemming niet van ganscher harte gegeven werd. „En het zou ook

oneindig beter zijn geweest, ook voor het geluk van mijn broeder, als

hij dat huwelijk nooit had aangegaan. Zoo heb ik er trouwens altijd

over gedacht.”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik,” gaf tante ten antwoord en belde

Janet, aan wie zij beval mijnheer Dick te verzoeken beneden te komen.

Tot mijnheer Dick binnenkwam, bleef tante stokstijf op haar stoel

zitten, terwijl zij zwijgend en met gefronst voorhoofd naar den muur

keek. Toen hij kwam, presenteerde zij hem:

„Mijnheer Dick, een oud en beproefd vriend, aan wiens raad ik zeer veel

waarde hecht,” zei tante, ten einde mijnheer Dick, die op zijn nagels

stond te bijten en een vrij dwaas gezicht trok, wat moed in te spreken.

Mijnheer Dick nam op dezen wenk den vinger uit den mond en bleef met

een ernstig gezicht en de grootste aandacht naar mijnheer Murdstone

luisteren, die nu voortging: „Juffrouw Trotwood, toen ik uw brief

ontving, meende ik mij zelven het best te kunnen rechtvaardigen en u de

meeste achting te bewijzen....”

„Wel verplicht,” zei tante, terwijl zij hem voortdurend scherp

aankeek; „gij kunt er mij wel buiten houden.”

„Door u mondeling te antwoorden, hoe lastig de reis ook is,” vervolgde

mijnheer Murdstone. „Deze ondeugende jongen, die is weggeloopen van

zijne vrienden en uit zijn werk....”

„En die er zoo schandelijk en verwaarloosd uitziet,” viel zijn zuster

hem in de rede en vestigde daardoor aller aandacht op mijn zonderling

kostuum.

„Jane Murdstone,” zei haar broeder, „wees zoo goed mij niet in de

rede te vallen. Deze ondeugende jongen, juffrouw Trotwood, is de

oorzaak geweest van veel onaangenaamheden en huiselijken twist, zoowel

gedurende het leven van mijne lieve vrouw als daarna. Hij heeft een

wreveligen, weerbarstigen aard, een driftig karakter, is in één woord

onhandelbaar. Mijne zuster en ik hebben getracht hem te verbeteren

en van zijne vele ondeugden te genezen, doch te vergeefs. En ik heb

begrepen—wij hebben beiden begrepen, want mijne zuster deelt geheel in

mijn vertrouwen—dat gij deze ernstige en onpartijdige uitspraak uit

onzen eigen mond moest aanhooren.”

„Het zal nauwelijks noodig zijn de woorden van mijn broeder nog

te bevestigen,” zei juffrouw Murdstone, „maar ik verzoek u wel in

aanmerking te willen nemen, dat er geen slechter jongen in de wereld is

dan deze.”

„Het is sterk!” zeide tante.

„Doch niet te sterk voor de feiten,” antwoordde juffrouw Murdstone.

„Zoo! Welnu, mijnheer....”

„Ik heb mijn eigen denkbeelden,” hernam mijnheer Murdstone, wiens

gezicht hoe langer hoe donkerder werd, naarmate hij en tante elkander

langer aankeken, hetgeen zij met de grootste aandacht deden, „over

de wijze van opvoeding van zulk een jongen; denkbeelden, gegrond op

de kennis van zijn karakter en op mijn eigen middelen en inkomsten.

Ik ben daarvoor aan mij zelven verantwoording schuldig en ik zal

handelen zonder meer daarover te zeggen dan mij goed dunkt. Het is

genoeg dat ik dezen jongen in een fatsoenlijke betrekking plaats, onder

het toezicht van een mijner beste vrienden; dat hem dit niet bevalt,

dat hij wegloopt, als een vagebond langs den weg zwerft en hier bij u

aankomt in lompen gehuld, heeft hij geheel aan zichzelven te wijten en

is slechts een bewijs te meer voor zijn weerspannige inborst, juffrouw

Trotwood. Ik wensch u, voor zoover mij dat mogelijk is, openhartig de

gevolgen voor te houden, indien gij wellicht genegen waart, de partij

op te nemen voor dezen knaap.”

„Voor gij verder gaat, zou ik gaarne iets wenschen te weten van den

aard der fatsoenlijke betrekking, waarover gij spreekt,” zei tante.

„Zoudt gij hem, indien hij uw eigen zoon was, in dezelfde betrekking

hebben geplaatst?”

„Indien hij een eigen kind van mijn broeder geweest was,” kwam juffrouw

Murdstone te hulp, „zou zijn karakter heel anders geweest zijn.”

„En zou hij ook in dezelfde fatsoenlijke betrekking zijn gegaan, als

dat kind, zijne moeder, nog geleefd had?” vroeg tante weder.

„Ik geloof niet, dat mijne lieve Clara zich verzet zoude hebben

tegen maatregelen, die mijne zuster en ik als de beste beschouwden,”

antwoordde mijnheer Murdstone met een hoofdknik.

En juffrouw Murdstone bevestigde het met een hoorbaar gemompel.

„Hm!” zei tante. „'t Ongelukkige schepseltje!”

Mijnheer Dick, die gedurende al dien tijd met zijn geld had staan

rammelen, deed dit thans zoo hevig, dat tante het noodig vond hem met

een wenk tot kalmte aan te manen; daarna ging zij voort:

„Het jaargeld van het arme kind is zeker met haar gestorven?”

„Hield met haar dood op,” bevestigde mijnheer Murdstone.

„En er bestaat geen enkele bepaling, waardoor het huis en het

erf—Kraaiennest zonder kraaien—op dezen knaap zijn overgegaan?”

„Kraaiennest was haar door haar eersten echtgenoot nagelaten zonder

eenige voorwaarde,” hernam mijnheer Murdstone, maar tante viel hem

driftig en ongeduldig in de rede. „Mijn Hemel, man, dat behoeft gij

mij niet te vertellen! Nagelaten zonder voorwaarden! Hoe zou David

Copperfield vooruit hebben kunnen zien; hij zag niets, al stond het

vlak voor zijn neus! Natuurlijk was die nalatenschap onvoorwaardelijk!

Maar toen zij voor de tweede maal in het huwelijk trad.... toen zij

den betreurenswaardigen stap deed door.... kortom—door met u te

trouwen—dat is zoo duidelijk mogelijk—heeft toen niemand een woord

in het midden gebracht ten gunste van dezen knaap?”

„Mijne vrouw had haar tweeden echtgenoot lief, juffrouw Trotwood, en

vertrouwde hem onvoorwaardelijk,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Uwe vrouw, mijnheer, was een ongelukkig, onhandig kind, dat niet

zóóveel verstand van zaken had,” zei tante en knipte daarbij met

vinger en duim in de richting van mijnheer Murdstone, terwijl zij

onheilspellend met het hoofd begon te schudden. „Dat was zij. En wat

hebt gij nu nog verder te vertellen?”

„Eenvoudig dit, juffrouw Trotwood. Ik ben hier om David mede te

nemen—David mede te nemen zonder mij eenige voorwaarde te laten

stellen, ik zal met hem doen wat ik goed acht en daarmee uit. Ik ben

hier niet gekomen om eenige belofte af te leggen of aan iemand eenige

verantwoording te doen. Ik zal met hem handelen zooals mij rechtmatig

voorkomt. Gij zoudt wellicht plan hebben om hem in zijn verzet te

stijven en zijn wegloopen te vergoelijken, juffrouw Trotwood—de

toon, dien gij tegen mij aanneemt, doet mij zoo iets dergelijks

vermoeden—maar ik moet u waarschuwen; want neemt gij hem eenmaal

onder uwe hoede, dan houdt gij hem ook voor goed; wilt gij u plaatsen

tusschen dien jongen en mij, dan behoudt gij die plaats voor goed. Ik

ben hier voor de eerste en laatste maal, om den jongen op te halen,

juffrouw Trotwood. Is hij gereed om met mij mede te gaan? Indien hij

niet gereed is en gij zegt: neen—om welke reden dan ook, dat is mij

onverschillig—dan is mijn deur voortaan voor hem gesloten en de uwe,

bijgevolg, voor hem geopend.”

Mijne tante had gedurende deze geheele toespraak recht als eene kaars

en met een gezicht, om bang voor te worden, zitten luisteren. Toen hij

uitgesproken had, wendde zij hare oogen zooveel naar den kant waar

juffrouw Murdstone stond, dat zij deze zien kon; overigens veranderde

zij niets in hare houding.

„Wel, juffrouw, hebt gij er ook nog iets bij te voegen?” vroeg zij.

„Waarlijk, juffrouw Trotwood,” antwoordde juffrouw Murdstone, „al wat

ik zou kunnen zeggen is zoo goed door mijn broeder gezegd, en alle

omstandigheden zijn zoo goed door hem uiteengezet, dat ik niet weet wat

ik er nog zou kunnen bijvoegen dan mijn dank voor uwe voorkomendheid,

voor uwe overgroote voorkomendheid.” Zij sprak dit uit met eene ironie,

die tante even weinig van haar stuk bracht als het kanon, waaronder ik

te Chatham geslapen had, er door van zijne plaats zou zijn gebracht.

„En wat zegt de jongen zelf er van?” zei tante. „Zijt gij gereed om met

mijnheer Murdstone mede te gaan, David?”

Ik antwoordde, dat ik niet gereed was en smeekte haar mij bij zich te

houden. Ik zei, dat noch mijnheer, noch juffrouw Murdstone ooit van

mij gehouden hadden, dat geen van beiden ooit vriendelijk voor mij

geweest was. Ik zei, dat zij mijne mama, die mij altijd lief had gehad,

tegen mij hadden opgestookt; dat ik dit zeer goed wist en dat Peggotty

het ook wist. Ik zei, dat ik ongelukkiger geweest was dan iemand

vermoeden kon, die wist hoe jong ik nog was en ik smeekte en bad tante

Betsey—ik weet niet meer in welke bewoordingen, maar herinner mij zeer

goed, dat ik hevig ontroerd was—mij te beschermen en te helpen ter

wille van mijn vader.

„Mijnheer Dick,” zei tante, „wat moet ik met den jongen doen?”

Mijnheer Dick dacht na, aarzelde... maar eensklaps helderde zijn

gezicht op en zei hij: „Hem onmiddellijk de maat laten nemen voor een

pak kleeren.”

„Mijnheer Dick,” zei tante Betsey met een zegevierenden blik, „geef mij

eene hand, want uw raad pleit voor uw gezond verstand.” Nadat zij hem

hartelijk de hand had geschud, duwde zij mij naar hem toe en zei tot

mijnheer Murdstone: „Gij kunt wel heengaan als gij wilt; ik zal het

wagen met den jongen. Indien hij al de slechte eigenschappen bezit, die

gij hem toedicht, kan ik altijd nog met hem doen wat gij gedaan hebt.

Maar ik geloof er geen woord van.”

„Juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Murdstone, schouderophalend en

van zijn stoel opstaande: „indien gij een man waart....”

„Och wat, zotteklap, anders niets!” zei tante. „Spaar u de moeite om

verder tegen mij te spreken.”

„Hoe uiterst beleefd!” riep juffrouw Murdstone opstaande uit.

„Waarlijk, gij overstelpt ons met beleefdheden!”

„Meent gij soms, dat ik niet weet,” ging mijne tante voort, alsof zij

niets verstond van hetgeen juffrouw Murdstone zeide en heviger dan ooit

met het hoofd schuddend tegen haar broeder, „meent gij soms, dat ik

niet weet, hoe gij dat arme, ongelukkige, bedrogen kind hebt behandeld?

Meent gij, dat ik niet weet, welk een heillooze dag het voor dat zachte

schepseltje geweest is, toen gij voor het eerst haar weg kruistet—met

een gelegenheidslachje en een paar oogen—daarop wil ik een eed

doen—alsof gij nog geen boe! tegen eene gans zoudt durven zeggen!”

„Ik heb nooit zoo iets fijns gehoord!” riep juffrouw Murdstone uit.

„Meent gij, dat ik niet begrijp, hoe gij er toen moet hebben

uitgezien, al ben ik er niet bij geweest? Nu ik kennis met u heb

gemaakt—hetgeen, oprecht gezegd, alles behalve een genoegen voor mij

is—weet ik dat maar al te goed. Och ja, goede Hemel! Wat zult gij

bloemzoet geweest zijn in het begin! Het arme, onwetende kind had nooit

zulk een man ontmoet! Al zachtheid in al zijn doen! Hij aanbad haar,

hij droeg haar op de handen! En haar jongen? Wel, hij was verzot op den

knaap! Hij zou een tweede vader voor hem zijn en zij zouden allen te

zamen leven als in een paradijs! Nietwaar?.... Ba! Ga uit mijn oogen!”

riep zij uit.

„Als ik nu toch ooit in mijn leven zulk een mensch meer ontmoet heb!”

verklaarde juffrouw Murdstone.

„En toen gij u meester gemaakt hadt van het kleine gekkinnetje—de

Hemel vergeve mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is, waar gij niet

zoo spoedig komen zult—en gij haar en de haren nog geen onrecht genoeg

hadt aangedaan, moest gij haar gaan opvoeden, nietwaar? Gij moest haar

africhten als een vogel in een kooitje en haar een ellendig leven laten

leiden, opdat zij _uwe_ deuntjes zou leeren fluiten?”

„Dat mensch is òf dronken òf krankzinnig,” zei juffrouw Murdstone,

woedend omdat zij niet bij machte was den stroom van tante's

welsprekendheid naar haar zelve te leiden, „ik vermoed, dat het

krankzinnigheid is.”

Zonder de minste notitie te nemen van dezen uitroep, ging tante Betsey

voort zich tot mijnheer Murdstone te wenden, alsof er geen juffrouw

Murdstone en geen krankzinnigheid op de wereld waren.

„Gij waart een dwingeland voor het arme schaap,” ging zij voort, met

den vinger dreigend, „gij hebt haar hart gebroken. Ik weet, dat zij

veel kon liefhebben—ik wist dit al jaren vóór gij haar zelfs gezien

hadt—en gij hebt van hare zwakheid gebruik gemaakt om haar de wonden

toe te brengen, waaraan zij gestorven is. Dat is de zuivere waarheid,

of gij die hooren wilt of niet. Gij en uwe handlangers kunt er van

denken wat gij wilt!”

„Sta mij toe te vragen, juffrouw Trotwood,” zoo viel juffrouw Murdstone

haar in de rede, „wie gij wel zoo goed zijt in een woordenvloed, dien

ik niet volgen kan, de handlangers van mijn broeder te noemen?”

Tante Betsey bleef nog steeds stokdoof voor die stem; zij scheen

er zich niet het minst van aan te trekken, maar ging voort: „Het

was duidelijk genoeg, jaren reeds voor gij haar voor de eerste maal

zaagt—waarom de Voorzienigheid in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid

u op haar weg bracht, is voor een gewoon menschenverstand niet te

begrijpen—welnu, het was duidelijk, dat het arme, kleine ding nog eens

zou trouwen, maar dat het zoo slecht zou afloopen, had ik niet kunnen

verwachten. Dat was in den tijd, mijnheer Murdstone, toen zij het

levenslicht schonk aan dezen jongen, aan dit kind hier, waarmede gij

haar later gemarteld hebt; dat is eene onaangename herinnering voor u,

en daarom is deze knaap u een doorn in het oog. Ja, ja, gij behoeft er

niet zoo van te schrikken! Ik weet toch wel dat het waar is.”

Hij had al dien tijd bij de deur gestaan en haar met een glimlach om

den mond aangestaard, ofschoon zijne dikke, zwarte wenkbrauwen dicht

waren saamgetrokken. Ik merkte nu ook op, dat, al bleef de glimlach om

zijn mond, alle kleur uit zijn gelaat verdwenen was, en hij naar adem

scheen te snakken, alsof hij hard geloopen had.

„Goeden dag, mijnheer,” zei tante, „vaarwel! En u ook, goeden dag,

juffrouw,” voegde zij er bij, terwijl zij zich plotseling naar zijne

zuster omwendde. „Laat ik u nog eens op een ezel over mijn grasperk

zien rijden, dan zal ik, zoo zeker als gij een hoofd op uw schouders

hebt, u den hoed afslaan en er op trappen!”

Ik wenschte, dat er een schilder bij de hand geweest ware—en geen

gewone schilder—om tante's gezicht op het doek te brengen, toen zij

dit geheel onverwachte slot aan haar toespraak maakte, en dat van

juffrouw Murdstone, toen zij het aanhoorde. De toon, waarop tante

sprak, en ook hetgeen zij zeide, was zoo dreigend, dat juffrouw

Murdstone, zonder een woord te antwoorden, den arm door dien van haar

broeder stak en met hoog opgeheven hoofd de deur uitstapte. Tante keek

hen uit het venster na, gereed—daarvan ben ik overtuigd—om bij de

wederverschijning van de ezels hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer

te brengen.

Er werd echter zelfs geen poging gedaan om haar te tarten, zoodat de

strakheid langzamerhand van haar gelaat verdween, en er zelfs een

tevreden trek op kwam, waardoor ik werd aangemoedigd om beide armen

om haar hals te slaan en haar met een hartelijken kus te bedanken.

Daarna schudde ik mijnheer Dick de hand en mijnheer Dick schudde mij

telkens weer de hand, en zoo besloten wij den gelukkigen afloop van de

onderhandeling met eens hartelijk samen te lachen.

„Ik verzoek u mede op te treden als voogd van dit kind, mijnheer Dick,”

zei tante.

„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde hij, „dan voogd te wezen

over een kind van David.”

„Heel goed,” zei tante, „dat is dus uitgemaakt. Ik heb er over gedacht,

mijnheer Dick, hem voortaan Trotwood te noemen.”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Dick, „zeker. David's zoon,

Trotwood.”

„Trotwood Copperfield, bedoelt gij zeker,” hernam tante.

„Ja, ja, zeker. Ja. Trotwood Copperfield,” herhaalde mijnheer Dick, een

weinig uit het veld geslagen.

Dit denkbeeld beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige kleedingstukken,

welke dien avond werden thuisgebracht, onmiddellijk werden gemerkt: T.

C. Zij deed dit eigenhandig met onuitwischbaren merkinkt, voor ik ze

mocht aantrekken; voorts werd bepaald, dat alle kleederen, die voor

mij gemaakt werden—een kompleet uitzet werd dien namiddag besteld—op

dezelfde wijze gemerkt zouden worden. Zoo begon ik dus een nieuw leven

met een nieuwen naam en alles nieuw om mij heen. Nu de twijfel was

opgeheven, leefde ik eenige dagen als in een droom. Ik dacht geen

oogenblik, dat ik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge

voogden had; ik dacht aan hetgeen mij zelven betrof eigenlijk nooit

helder. Hetgeen mij het duidelijkst voor den geest stond, was, dat het

leven te Blunderstone veel langer geleden was en dat de tijd, dien ik

bij Murdstone en Grinby had doorgebracht, voor altijd vergeten moest

worden. Niemand heeft dien tijd ooit weder opgerakeld. Ik zelf heb dien

tijd in dit verhaal slechts even aangeroerd, tegen mijn zin, om er

terstond weder een gordijn voor te laten vallen. De herinnering daaraan

is met zooveel zielelijden, zooveel ellende, zooveel hopeloosheid

verbonden, dat mij zelfs de moed ontbreekt na te gaan, hoe lang ik

tot dat leven ben veroordeeld geweest. Ik weet niet meer of het een

jaar geduurd heeft, of langer of korter. Ik weet alleen, dat die tijd

er geweest is en dat er een einde aan gekomen is, dat ik dien moest

beschrijven, maar het daarbij ook laat.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 27 / 79 题