De wereld, die ik ben ingetreden, blijft mij slecht bevallen. Ik neem
een gewichtig besluit.
Mijnheer Micawber's verzoekschrift werd ingediend en hij zelf tot
mijne groote blijdschap ontslagen. Zijne schuldeischers waren niet
onverbiddelijk en mevrouw Micawber deelde mij mede, dat dezelfde
schijnbaar wraakzuchtige schoenmaker voor het Hof verklaard had geen
wrok te koesteren, maar indien men hem geld schuldig was, ook gaarne
betaling ontving. Nu, dat was niet meer dan natuurlijk.
Mijnheer Micawber keerde, toen de zaak beslist was, naar King's
Bench terug, omdat er nog eenige kosten te betalen en formaliteiten
te vervullen waren, eer hij feitelijk ontslagen kon worden. De club
ontving hem met veel geestdrift en hield dien avond eene gezellige
bijeenkomst te zijner eer; terwijl mevrouw Micawber en ik ons, omringd
door de slapende kinderen, aan een lamsgebraad te goed deden.
„Bij deze gelegenheid zal ik u nog eens inschenken, jonge Copperfield,”
sprak mevrouw Micawber—wij hadden al eenige glazen warm bier
gedronken—„ten einde op de nagedachtenis te drinken van papa en mama.”
„Zijn zij dood, mevrouw?” vroeg ik, na het wijnglas geledigd te hebben.
„Mijne mama heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld,”
antwoordde mevrouw Micawber, „alvorens mijnheer Micawber's
ongelegenheden een aanvang namen, tenminste, alvorens zij van alle
kanten kwamen opdringen. Mijn papa bleef herhaalde malen borg voor
mijnheer Micawber en stierf toen, door een talrijken vriendenkring
betreurd.”
Mevrouw Micawber schudde het hoofd en liet op de zuigeling, die op
het oogenblik aan de beurt was om bij zijne moeder te zijn, een traan
vallen, die getuigenis moest afleggen van hare kinderlijke liefde.
Aangezien ik niet kon verwachten eene betere gelegenheid te vinden om
eene zaak te behandelen, die voor mij van het grootste belang was,
vroeg ik:
„Mag ik ook weten, wat gij en mijnheer Micawber voornemens zijt te
doen, nu mijnheer Micawber's ongelegenheden uit den weg geruimd zijn en
hij zijne vrijheid terug zal krijgen? Hebt gij dat al bepaald?”
„Mijne familie,” antwoordde mevrouw Micawber, die deze woorden altijd
op plechtigen toon uitsprak, zonder dat ik ooit heb kunnen gewaar
worden, wie zij daarmede bedoelde, „mijne familie is van oordeel, dat
mijnheer Micawber beter deed Londen te verlaten, en zijne talenten
ergens in de provincie meer winstgevend aan te wenden. Mijnheer
Micawber is een man met groote talenten, jongeheer Copperfield.”
Ik zei daarvan overtuigd te zijn.
„Van groote talenten,” herhaalde mevrouw Micawber. „Mijne familie is
van oordeel, dat met een weinig voorspraak voor een man van mijnheer
Micawber's bekwaamheden wel eene betrekking aan het tolkantoor te
vinden zal zijn. Aangezien de invloed mijner familie echter plaatselijk
is, verlangt men, dat mijnheer Micawber naar Plymouth zal verhuizen.
Zij achten het onvermijdelijk dat hij zelf ter plaatse is.”
„Om bij de hand te zijn?” vroeg ik.
„Juist,” antwoordde mevrouw Micawber. „Om bij de hand te zijn, wanneer
zich iets voordoet.”
„En gaat gij ook mede, mevrouw?”
De gebeurtenissen van den dag, misschien ook de tweelingen en het warme
bier, hadden mevrouw Micawber zenuwachtig gemaakt; zij zwom letterlijk
in hare tranen toen zij zeide: „Ik verlaat mijnheer Micawber nooit.
Mijnheer Micawber mag al de ongelegenheden, waarin hij gekomen was, in
den eersten tijd voor mij verborgen hebben gehouden, hij was volkomen
te goeder trouw toen hij meende, dat hij die wel te boven zou komen.
Het parelsnoer en de braceletten, die ik van mijne mama erfde, zijn
ver beneden de waarde verkocht; het stel koralen, het bruidsgeschenk
van papa, is zoo goed als weggegeven; maar toch zal ik mijnheer
Micawber nooit verlaten. Neen!” riep zij uit, en scheen hoe langer hoe
zenuwachtiger te worden. „Neen, dat doe ik nooit! Men behoeft mij dat
niet eens te vragen!”
Ik werd verlegen met de zaak—alsof mevrouw Micawber kon
veronderstellen dat ik haar ooit zoo iets vragen zou!—en keek haar met
een angstigen blik aan.
„Mijnheer Micawber heeft zijne gebreken. Ik zal niet ontkennen dat hij
onvoorzichtig is. Ik zal niet ontkennen dat hij mij onkundig heeft
gelaten, zoowel van zijne inkomsten als van de verplichtingen, die hij
op zich genomen heeft,” ging zij voort, naar den muur kijkende, „maar
mijnheer Micawber verlaten—dat nooit!”
Mevrouw Micawber's zenuwachtigheid scheen nu het toppunt bereikt te
hebben; zij gilde de laatste woorden letterlijk uit, zoodat ik mij
ongerust begon te maken en naar de kamer snelde, waar de club bijeen
was. Ik stoorde mijnheer Micawber, die aan het hoofd van eene lange
tafel zat en behalve als president ook als cantor scheen te fungeeren,
met de tijding dat ik mij ongerust maakte over mevrouw Micawber; waarop
hij onmiddellijk in tranen uitbarstte en met mij medeging, met de
koppen en staarten van de garnalen, die hij gegeten had, nog op zijn
vest.
„Emma, mijn engel!” riep mijnheer Micawber, de kamer binnenstormend,
„wat scheelt u?”
„Ik zal u nooit.... nooit verlaten, Micawber!” riep zij uit.
„Mijn leven! Mijn alles!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar
omhelsde, „dat weet ik! Daarvan ben ik overtuigd!”
„Hij is de vader van mijn kinderen! Hij is de vader van mijn
tweelingen!” riep mevrouw Micawber, zenuwachtig snikkend. „Hij is mijn
eerste en eenige liefde! Ik zal hem nooit.... no.. ooit verlaten!”
Mijnheer Micawber was zoo getroffen door hare hartstochtelijke
ontboezeming—wat mij betreft ik zwom letterlijk in mijn tranen—dat
hij haar nogmaals en nogmaals omhelsde en haar smeekte hem aan te
zien en kalm te zijn. Maar hoe vaker hij mevrouw Micawber vroeg hem
aan te kijken, hoe strakker zij in de ledige ruimte bleef staren en
hoe meer hij haar tot kalmte aanmaande, hoe opgewondener zij werd.
Dientengevolge geraakte mijnheer Micawber langzamerhand in eene
weekhartige stemming en vermengden zich zijne tranen met de hare en de
mijne, tot hij mij eindelijk verzocht een stoel mede te nemen en op het
portaal te gaan zitten, omdat hij haar te bed wilde helpen. Ik wilde
afscheid nemen, maar hij verkoos daarvan niet te hooren voor de bel het
sein gaf dat de bezoekers moesten vertrekken. En zoo bleef ik op het
portaal zitten tot hij met een anderen stoel de kamer uitkwam en bij
mij plaats nam.
„Hoe gaat het nu met mevrouw Micawber?” vroeg ik.
„Erg zwak”, antwoordde mijnheer Micawber, het hoofd schuddend. „Het
is de reactie. O, welk een vreeselijken dag hebben wij doorleefd. Wij
staan nu geheel alleen—wij bezitten niets meer!”
Mijnheer Micawber drukte mij de hand, slaakte een zucht en begon
daarna tranen te storten. Ik was ook aangedaan, maar niet minder
teleurgesteld, want ik had gedacht, dat wij allen vroolijk zouden zijn
op dezen lang verbeiden dag. Mijnheer en mevrouw Micawber schenen
echter zoo aan hunne ongelegenheden gewoon geraakt, dat het denkbeeld,
er thans uit verlost te zijn, hen geheel van streek bracht. Al hunne
veerkracht was gebroken; ik zag hen nooit zoo neerslachtig als op
dezen avond, en toen de bel werd geluid en mijnheer Micawber mij naar
de portierswoning bracht, waar hij met een zegenbede afscheid van mij
nam, joeg het denkbeeld, dat ik hem alleen moest laten, mij angst aan,
zoo diep ellendig scheen hij zich te voelen. Ik zelf was ook door
aandoeningen geheel overstelpt, en voelde zeer goed, dat mijnheer en
mevrouw Micawber met de geheele familie Londen zouden verlaten, zoodat
ons scheidingsuur aanstaande was. En gedurende mijne wandeling naar
huis en in de slapelooze uren, dien nacht doorgebracht, kwam voor het
eerst de gedachte in mij op—hoe is mij nog altijd een raadsel—die
langzamerhand rijpte tot een onwrikbaar besluit.
Ik was op zulk een vertrouwelijken voet gekomen met de Micawbers, en
had in alle dingen zoo met hen meegeleefd, dat het vooruitzicht, om
opnieuw uitbesteed te worden en nogmaals onder vreemden te gaan, mij
toescheen alsof ik mijn tegenwoordig leven opnieuw moest beginnen—en
dat, terwijl ik nu zoo goed wist wat mij te wachten stond. Al mijn
trots, die zoo gevoelig was gekwetst, al de schaamte, die mij had
terneergedrukt, ontwaakte opnieuw, toen ik al hetgeen ik ondervonden
had overpeinsde, en ik kwam tot de overtuiging, dat mijn leven
ondragelijk was en zoo niet kon voortduren. Dat het niet mogelijk was
aan dezen ondragelijken toestand te ontkomen, indien ik niet zelf
handelde, wist ik maar al te goed. Van juffrouw Murdstone vernam ik
zelden iets, van mijnheer Murdstone nooit; er was twee malen een
bezending kleeren voor mij aangekomen aan mijnheer Quinion's adres, en
beide keeren had ik er een klein strookje papier in gevonden, waarop
geschreven stond: „J. M. hoopt dat D. C. ijverig zijn werk zal doen,
en zich geheel aan zijne plichten zal wijden”—niet de geringste wenk
dat er ooit iets anders van mij zou worden dan flesschenspoeler, dat ik
mij ooit eens zou mogen toeleggen op minder geestdoodend en vernederend
werk dan waartoe ik thans was veroordeeld.
Reeds den volgenden dag, terwijl ik nog geheel onder den indruk was
van mijne nachtelijke overpeinzingen, begon ik in te zien dat mevrouw
Micawber niet zonder reden gesproken had over haar aanstaand vertrek.
Zij namen in dezelfde woning, waarin ik mijn zolderkamertje had,
voor eene week hun intrek, waarna zij de reis naar Plymouth zouden
aanvaarden. Mijnheer Micawber kwam zelf op het kantoor om mijnheer
Quinion te vertellen, dat hij mij aan mijn lot zou moeten overlaten
en om eene lofspraak op mij te houden, die ik meende wel verdiend
te hebben. Mijnheer Quinion riep Tipp den vrachtrijder binnen, die
getrouwd was en een kamer te verhuren had, en bezorgde mij voorloopig
bij dezen man een onderkomen. Vermoedelijk verkeerde hij in de meening
dat ik er mede instemde, want ik zei niets; maar mijn besluit stond nu
vast.
Gedurende ons gemeenschappelijk verblijf onder hetzelfde dak bracht
ik mijne avonden met mijnheer en mevrouw Micawber door, en ik ben
overtuigd, dat wij hoe langer hoe meer van elkander begonnen te houden
naarmate het scheidingsuur naderde. Den laatsten Zondag verzochten zij
mij bij hen het middagmaal te gebruiken; wij hadden een varkensribbetje
met appelmoes en een podding. Ik had een gespikkeld houten paardje
gekocht als afscheidsgift voor Wilkins Micawber—zoo heette de oudste
zoon—en een pop voor de kleine Emma. Ook gaf ik een shilling aan het
weesmeisje, dat de dienst was opgezegd.
Wij hadden een prettigen dag, al waren wij in eene eenigszins
weemoedige stemming met het oog op de naderende scheiding.
„Ik zal nimmer aan den tijd, dat mijnheer Micawber in ongelegenheid
was, terugdenken, jongeheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „zonder
ook aan u te denken. Gij hebt u altijd even kiesch gedragen en ons veel
vriendschap betoond. Gij zijt geen commensaal voor ons geweest; gij
waart een vriend.”
„Lieve vrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „Copperfield,” zoo had
hij zich in den laatsten tijd aangewend mij te noemen, „heeft een hart,
dat medevoelt voor zijne natuurgenooten, wanneer zij in ongelegenheid
zijn geraakt; een hoofd, dat mede denkt; eene hand, die.... in 't kort,
alles, wat nog eenige waarde heeft, zoo voordeelig mogelijk aan den man
weet te brengen.”
Ik zei, dat ik zeer dankbaar was voor deze loftuiting en dat het mij
zeer speet te moeten scheiden.
„Mijn beste jonge vriend,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben ouder
dan gij; ik heb ondervinding opgedaan in het leven en.... en ook
eenige ondervinding, in 't kort, in de moeilijkheden, die het leven
medebrengt—in het algemeen gesproken. Voor het tegenwoordige, tot zich
iets opdoet—hetgeen ik zeer spoedig meen te mogen verwachten—kan ik
u niets geven dan goeden raad. Echter is mijn raad in zoover wel het
aanhooren waard, dat.... in 't kort, dat ik dien zelf nooit heb gevolgd
en daardoor het”—tot op dit oogenblik had mijnheer Micawber met zijn
geheele gezicht gelachen, maar nu kwam er een sombere trek op zijn
gelaat en fronste hij het voorhoofd—„het rampzalige schepsel geworden
ben, dat gij hier voor u ziet....”
„Maar beste Micawber!” riep zijne wederhelft. „Ik zeg,” antwoordde hij,
zich zelven geheel vergetende en weder met een glimlach om de lippen,
„ik zeg: het rampzalige schepsel, dat gij hier voor u ziet. Mijn raad
is deze: doe nimmer morgen wat gij heden doen kunt. Uitstellen is
diefstal van tijd. Houd dien stelregel altijd voor oogen!”
„Ach,” zei mevrouw Micawber, „de stelregel van mijn goeden papa.”
„Lieve,” hernam mijnheer Micawber, „uw papa was op zijne wijze een heel
verstandig man en de Hemel verhoede, dat ik iets ten nadeele van hem
zou zeggen. Hij moge geweest zijn wie hij was, wij zullen nimmer....
in 't kort.... iemand ontmoeten.... waarschijnlijk.... die op zijn
leeftijd zulke beenen had om slobkousen te dragen en in staat was om
zonder bril zulk een fijnen druk te lezen. Hij paste echter dezen
stelregel ook op ons huwelijk toe, lieve, en dientengevolge werd dit
in zoo verre eenigszins in overijling aangegaan, dat ik de toenmaals
gemaakte onkosten nooit te boven ben gekomen.” Mijnheer Micawber keek
zijne vrouw van ter zijde aan en liet er onmiddellijk op volgen: „Niet
dat ik het betreur. Integendeel, lieve.” Daarna bleef hij ongeveer een
minuut ernstig voor zich kijken.
„Mijn anderen raad, Copperfield, kent gij. Jaarlijksch inkomen twintig
pond, jaarlijks uitgeven negentien pond negentien en een halven
shilling—geluk. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven
twintig pond en een halven shilling—ellende. De bloesem valt af,
het blad verdort, de god des daags beschijnt een droevig tooneel
en—en, in 't kort, gij valt in een afgrond! Zooals ik!” Teneinde deze
ontboezeming meer indruk te doen maken dronk mijnheer Micawber met een
gezicht, dat straalde van vergenoegdheid en zelfvoldoening, een glas
punch in een paar teugen ledig en begon toen een dansje te fluiten.
Ik liet niet na hem de verzekering te geven dat ik zijne raadgevingen
ter harte zou nemen, hoewel ik dit eigenlijk niet behoefde te doen,
want ik was er zichtbaar door ontroerd. Den volgenden morgen bracht
ik de geheele familie naar het diligence-kantoor en zag hen met een
droevig gevoel van verlatenheid op de achterste bank plaats nemen.
„God zegen u, jongeheer Copperfield!” zei mevrouw Micawber. „Ik zal
nimmer kunnen vergeten al wat..... gij weet wat ik bedoel... en ik zou
het niet willen vergeten al kon ik het.”
„Copperfield, mijn jongen, vaarwel!” zei mijnheer Micawber. „Voorspoed
en geluk! Indien ik na verloop van jaren tot de overtuiging kan komen,
dat mijn jammervol bestaan een waarschuwend voorbeeld heeft mogen zijn
voor u, zou ik mij zelven troosten met de gedachte, dat ik niet te
vergeefs de plaats van een ander op dit ondermaansche heb ingenomen.
In geval er zich iets opdoet—en ik vertrouw _dat_ zich spoedig iets
zal opdoen—zal ik er mij zeer in verheugen als ik instaat mocht zijn
eenige verbetering te brengen in uwe vooruitzichten.”
Ik geloof, dat, toen mevrouw Micawber met de kinderen achterop de
diligence zat en ik met een droevigen blik naar hen opkeek, er een
nevel voor hare oogen werd weggevaagd en zij nu eerst opmerkte welk een
klein kereltje ik eigenlijk nog was. Ik geloof dit, want zij gaf mij
met moederlijke teederheid een wenk om tot haar op te klimmen, en toen
sloeg zij de armen om mijn hals en gaf mij een kus, zooals zij haar
eigen kind er een zou gegeven hebben. Ik had nauwelijks tijd genoeg om
naar beneden te springen, toen de diligence zich in beweging stelde, en
ik kon hen allen nauwelijks zien achter al de wuivende zakdoeken. Een
minuut later waren zij verdwenen. Het weesmeisje en ik stonden elkander
midden op de straat een oogenblik aan te staren; toen gaven wij
elkander de hand en namen afscheid; vermoedelijk ging zij terug naar
het St. Lukaswerkhuis, terwijl ik mijne moeilijke dagtaak bij Murdstone
en Grinby weder aanvaardde.
Het was echter niet mijn voornemen dat nog dikwijls te doen. Neen—ik
was vastbesloten weg te loopen..... te gaan, hoe dan ook, naar
de eenige bloedverwante, die ik nog in de wereld bezat, en mijne
geschiedenis te vertellen aan tante Betsey.
Ik heb reeds doen opmerken dat ik niet weet hoe dit denkbeeld in mijn
brein was opgekomen. Toen dit echter eenmaal het geval was, bleef het
daar ook en ontwikkelde zich tot een plan zoo stout, als ik er ooit een
heb opgevat in mijn later leven. Ik ben er volstrekt niet zeker van dat
ik een oogenblik aan een goeden uitslag geloofde, maar ik was er zoo
zeer mede vervuld, dat het ten uitvoer moest worden gebracht.
Telkens en telkens weder en honderde malen nog sinds den nacht, toen
het denkbeeld voor de eerste maal in mij was opgekomen en den slaap
van mijne kinderlijke legerstede had gebannen, had ik het verhaal
van hetgeen bij mijne geboorte was voorgevallen en dat mijne moeder
mij zóó dikwerf verteld had, dat ik het van buiten kende, in mij
zelven herhaald. In dat verhaal trad mijne tante op als een gevreesd,
onbegrijpelijk wezen, maar toch was er iets in hare wijze van doen,
waarbij mijne gedachten telkens stil stonden en dat mij moed gaf,
al was het weinig. Ik kon niet vergeten hoe mijne moeder telkens
meende hare zachte hand op hare mooie krullen te voelen en hoe in de
herinnering mijner moeder die aanraking volstrekt niet van teederheid
was ontbloot geweest; en hoewel dit misschien alleen in de verbeelding
mijner moeder bestaan en op geen enkelen redelijken grond gesteund had,
maakte ik er voor mij zelven toch een klein tafereeltje van en zag
ik mijne vreeselijke tante voor mij, verteederd door de kinderlijke
schoonheid van haar, die mij zoo helder voor den geest stond en
die ik zoo lief had gehad en in mijne herinnering nog had—en door
dat tafereeltje kreeg het verhaal waarde voor mij. Het is ook wel
mogelijk dat dit tafereel mij reeds lang voor oogen had gestaan en mij
langzamerhand tot mijn besluit had gebracht.
Aangezien ik niet wist waar tante Betsey eigenlijk woonde, schreef
ik een langen brief aan Peggotty en vroeg haar, alsof mij dit zoo
toevallig uit de pen vloeide, of zij zich den avond mijner geboorte nog
herinnerde; ik voegde er bij, dat, ik van eene dame had hooren spreken,
die mij aan tante Betsey deed denken en ergens—ik noemde maar een
plaatsje—in de buurt van Londen woonde en nu nieuwsgierig was te weten
of deze dame en tante Betsey dezelfde persoon kon wezen. Ook schreef
ik aan Peggotty, dat ik bijzonder verlegen was om een halve guinje en
dat zij mij zeer zou verplichten, als zij mij die som wilde leenen, tot
ik in staat zou zijn, haar die terug te geven; later zou ik haar wel
vertellen, waarvoor ik die had noodig gehad.
Peggotty's antwoord volgde per omgaande post en was, zooals altijd,
vol hartelijke en teedere belangstelling. De halve guinje was
ingesloten—ik onderstelde, dat het haar heel wat moeite moest gekost
hebben, om die uit de kist van Barkis aan het daglicht te brengen—en
zij schreef mij, dat juffrouw Betsey in de buurt van Dover woonde, maar
of het in Dover zelf was, of in Hythe, Sundgate of Folkestone, dat kon
zij niet zeggen. Een van de pakhuisknechts, bij wien ik inlichtingen
vroeg, vertelde mij echter, dat deze plaatsjes alle vlak bij elkander
lagen. Ik achtte dit voldoende voor mijn plan en besloot het tegen
het einde van de week ten uitvoer te brengen. Hoe klein ik ook was,
ik was eerlijk en wilde geen slechten naam achterlaten bij Murdstone
en Grinby; daarom achtte ik mij verplicht om tot Zaterdagavond te
blijven en, aangezien mij mijn weekloon vooruitbetaald werd, op het
uur van afrekenen niet op het kantoor te verschijnen om mijn loon te
ontvangen. Juist daarom had ik de halve guinje geleend; ik behoefde dan
niet geheel ontbloot van eenig geld op reis te gaan. Overeenkomstig dit
plan vroeg ik aan Mick Walker, terwijl wij, zooals elken Zaterdagavond,
in het pakhuis stonden te wachten, en Tipp, de wachtrijder, binnen was,
of hij, als hij aan de beurt was, wilde zeggen dat ik mijn kist naar
het huis van Tipp overbracht, en na een laatst vaarwel aan den „melige”
haastte ik mij weg te komen.
Mijn koffer was nog in mijne oude woning aan de overzijde van de
rivier en ik had er een adres voor geschreven op de achterzijde van
een kaartje, zooals wij op de vaten spijkerden: „Jongeheer David. Zal
afgehaald worden; diligence-kantoor Dover.” Ik had dit in mijn zak
om het op den koffer te bevestigen, nadat ik hem in veiligheid zou
gebracht hebben, en toen ik mij naar mijne oude woning begaf, keek ik
rond naar iemand, die hem voor mij naar het kantoor zou willen brengen,
waar de diligence afreed. Ik ontmoette een jongen met lange beenen en
eene ledige ezelkar bij de Obelisk in Blackfriars Road; hij vroeg mij
of hij iets van mij aan zijn lichaam droeg, omdat ik hem zoo aankeek.
Ik bleef staan en verzekerde hem, dat ik het niet deed om hem te
grieven, maar omdat ik niet zeker wist of hij wat zou willen verdienen.
„Waarmede zou ik wat kunnen verdienen?” vroeg de langbeenige jongen.
„Met een koffer weg te brengen,” was mijn antwoord.
„Welken koffer?”
Ik vertelde hem dat het mijn koffer was en dat hij in gindsche straat
stond en naar het kantoor van de diligence naar Dover gebracht moest
worden. Ik zou er hem een halven shilling voor geven.
„Dat doe ik!” antwoordde hij, ging terstond op zijne kar
zitten—eigenlijk niets dan een houten bak op wielen—en rende in zulk
een vaart heen dat ik moeite had om den ezel bij te houden. Er was iets
terugstootends in het gezicht van dien jongen en vooral in de wijze,
waarop hij, op een strootje kauwend, mij aankeek, dat mij niet beviel;
maar de overeenkomst was gesloten en ik nam hem mede naar de kamer, die
ik ging verlaten, en samen brachten wij den koffer naar beneden en op
de kar. Ik achtte het niet geraden nu reeds het adres aan den koffer
te bevestigen, vreezende dat mijn huisbaas of iemand van zijne familie
ontdekken zou wat ik voornemens was te doen; ik verzocht daarom den
langbeen bij den blinden muur van King's Bench een oogenblik stil te
houden. De woorden waren nauwelijks uit mijn mond of hij rende weg,
alsof hij, de kar, de ezel en de koffer bezeten waren, zoodat ik hem
geheel buiten adem van het loopen op de bedoelde plek inhaalde.
Ik was geheel van streek en beefde van zenuwachtigheid, zoodat ik
bij het te voorschijn halen van het kaartje de halve guinje op den
grond liet vallen. Haastig raapte ik het geldstuk op en verborg het
veiligheidshalve in mijn mond. Juist had ik met bevende handen mijne
adreskaart te voorschijn gehaald, toen ik plotseling een stomp onder de
kin kreeg van den langbeen en de halve guinje mij uit den mond en in
zijne hand vloog.
„Wat is dat!” zei de jongen, terwijl hij mij bij den kraag van mijn
buis greep, met een grijns, die mij angst aanjoeg. „Dat is een
politiezaak! Gij wilt u uit de voeten maken! Ga mee naar de politie,
kleine deugniet, ga mee naar de politie!”
„Geef mij mijn geld terug!” zei ik, bevend van angst, „en ga uw weg.”
„Ga mee naar de politie!” riep de langbeen nogmaals. „Gij zult bij de
politie bewijzen dat het uw eigendom is.”
„Geef mij mijn koffer en mijn geld terug, als 't u belieft?” riep ik,
in tranen uitbarstende.
De jonge man herhaalde: „Ga mee naar de politie!” en drong mij op zulk
een hevige wijze tegen den ezel aan, alsof er eenige overeenkomst
bestond tusschen dit dier en een magistraatspersoon. Eensklaps scheen
hij van plan te veranderen; hij sprong in de kar, ging op mijn koffer
zitten en rende zoo hard hij kon heen, roepende dat hij de politie zou
halen.
Ik rende hem na zoo hard ik kon, maar ik kon onmogelijk roepen of
schreeuwen en zou het ook niet hebben durven doen al had ik gekund.
Minstens twintig malen was ik op het punt om overreden te worden. Nu
eens had ik hem uit het gezicht verloren, dan zag ik hem weder en een
oogenblik later was hij weder uit het gezicht, nu eens kreeg ik een
slag, dan viel ik in den modder, stond weer op, rende iemand in de
armen of liep blindelings tegen een paal. Eindelijk, geheel verbijsterd
door angst en drift en meenende dat half Londen nu waarschijnlijk op
de been zou zijn om mij aan te houden, liet ik den langbeen met mijn
koffer en mijn guinje heenrijden waar hij wilde. Snikkend en geheel
buiten adem sloeg ik den weg in naar Greenwich, dat, naar ik gehoord
had, aan den weg naar Dover lag, weinig meer uit de wereld meenemende
op mijne vlucht naar tante Betsey, dan ik er had ingebracht in den
nacht, toen mijne komst hare ontevredenheid zoo had opgewekt.