In den zomer van 1870, terwijl de Fransch-Duitsche oorlog de aandacht
van geheel Europa geboeid hield, viel een Engelsch vaartuig, dat eene
reis om de wereld had gedaan, in eene Engelsche haven binnen. Eer de
nieuw aangekomenen, na de eerste begroeting, tot hunne landgenooten de
zoo natuurlijke vraag konden richten: „Wat nieuws is er in Europa?”
klonk hun reeds de droeve tijding te gemoet: „_Dickens_ is dood!”
_Dickens_ is dood... dat was voor die Engelsche pikbroeken het
belangrijkste nieuws van alles—aan den Fransch-Duitschen oorlog
dachten zij niet.
Sprekender blijk van algemeene achting en waardeering, een schrijver
door zijn volk toegedragen, valt er moeilijk uit te denken.
Zóó bekend, zóó geliefd nu als _Dickens_ bij de Engelschen is, zal hij
in eenig ander land wel nooit worden. Zijne landgenooten toch vinden in
zijne werken zich zelven terug met al hunne eigenaardige gewoonten,
hunne bijzondere levensomstandigheden en hunne goede en slechte
eigenschappen. Zij zien daarin niet alleen hunne wereldstad met haar
onmiddellijken omtrek, maar tevens zoo menig hun bekend en geliefd
landschap afgeschilderd met photografische nauwkeurigheid. Dat kan met
een ander volk, ook met ons Nederlanders, nooit het geval worden.
Toch is _Dickens_, ook in ons vaderland, meer dan menig buitenlandsch
schrijver bekend en geliefd.
Zijne werken danken dien opgang ongetwijfeld in de eerste plaats
aan den fijnen geest, den echt Engelschen humor, waarvan zoo menige
persoonsbeschrijving, zoo menig tafereeltje tintelt, maar niet minder
aan de diepe menschenkennis, door den schrijver ten toon gespreid.
Telkens is het ons, alsof het beeld van een onzer bekenden geteekend, ja
meer nog, alsof een stukje van onze eigene innerlijke levensgeschiedenis
geschreven werd. Hoevele door hem geschetste personen zijn, ook onder
ons, tot een type geworden, zoodat wij telkens onwillekeurig uitroepen:
„dat is precies...” Vul zelf de namen maar in, lezer. Hoevele gezegden,
zijnen personen in den mond gelegd, zijn, ook onder ons, in een
spreekwijze overgegaan! Maar bovenal danken _Dickens_' werken dien
opgang aan zijne warme liefde voor de minder bedeelden in de
maatschappij, gepaard aan zijn onwrikbaar _geloof aan menschenadel_.
Tengevolge van dit alles treffen wij bij hem de gelukkigste vereeniging
van realisme en idealisme, of, juister gezegd, het ware, niet het
eenzijdige en daardoor slechts schijnbare, in den grond onware realisme
onzer dagen aan.
Volg hem gerust door de meest beruchte buurten, in de afschuwelijkste
holen der misdaad, die Londen telt. Geen spatje van den modder der
straten zal uw kleed bevlekken; geen kennismaking met eenige misdaad zal
uwe verbeelding bezoedelen.
Dat juist geeft, naar mijne meening, _Dickens_ aanspraak op den hoogsten
lof als schrijver voor zijn volk. Er gaat van zijne werken een
verheffende, veredelende invloed uit. Men wordt er frisscher,
krachtiger, moediger door.
Wie zijn werken leest, loopt geen gevaar, een weekelijke en zenuwzwakke
speelbal van een spookachtig noodlot te worden.
Met groote ingenomenheid nam ik daarom kennis van het voornemen van den
heer _Misset_ om het Nederlandsche volk een nieuwe, goedkoope uitgave
van _Dickens' meesterstuk_ „David Copperfield” aan te bieden.
De prijs is zoo laag gesteld, dat de kosten thans geen beletsel meer
zijn om _David Copperfield_ onder alle rangen der maatschappij te
verbreiden.
Wat deze nieuwe vertaling betreft, zij heeft boven de bestaande _dit_
voor, dat zij minder letterlijk en daarom gemakkelijker en aangenamer
te lezen is. Toch is daarbij de geest van het oorspronkelijke getrouw
bewaard.
De vertaler heeft getracht de dingen zoo te zeggen als _Dickens_, naar
zijne overtuiging, ze gezegd zou hebben, indien hij een Nederlander was
geweest.
Moge de Uitgever in zijne onderneming gelukkig slagen; menigeen zal hem
dan voor de hoogst aangenaam doorgebrachte uren oprecht dankbaar zijn.
B. TER HAAR Bzn.
NIJMEGEN, Maart 1894.