In betere dagen ontvloog mij de tijd
In 't bonte gewemel, der vreugde gewijd;
Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend;
De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend....
Hoe alles verandert in dagen van rouw:
Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw?
De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen!
Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alléen!
Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin,
Heur gunst duurt zóolang als de gunst der Fortuin:
Het klokjen gelijk, dat in 't zonnelicht bloeit,
Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid!
Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij:
Was ik ook veranderd, dezelfde bleeft gij!
Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan:
Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan:
De waschbloem gelijk, die bij 't grauwen der nacht
Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht!