Ach, de tijd is lang verleden,
Toen ik schoonheids boeien droeg,
En voor alle heerlijkheden
Slechts een weinig Liefde vroeg.
Kalmer dagen mochten rijzen,
Later wenschen verder wijzen
Op een schittrender gewin--
Niets is half zoo zoet te prijzen
Als de droom der eerste Min!
Jaag' de Bard naar rijker kronen
Dan de wufte jeugd hem gaf,
Dwing' hij door zijn toovertonen
Zelfs den wijze een glimlach af:
Nooit, hoe fier zijn lauwren kraken,
Zal hij weêr de weelde smaken,
Die zijn eerste Lied hem schonk,
Toen het roosje op _haar_ kaken,
In _hare_ oogen 't traantjen blonk!
't Beeld van haar, die, 't eerst gekozen,
Uw goede Engel scheen te zijn,
Blijft op 't groenste plekjen poozen
Van Herinrings zandwoestijn.
't Was een bloem, die de avond maaide,
't Was een geur, die ras verwaaide,
't Was een reine hemelgloed,
Die maar éens zijn starren zaaide
Over 's levens zwarten vloed!