In des levens morgenkrieken,
Als men 's levens zorg niet kent,
Maar de vreugde, op rozenwieken,
Zich betoovrend tot ons wendt
Als wij in een waereld leven,
Die de fantazy zich droomt,
En het licht, waarin wij zweven,
Uit ons eigen harte stroomt:--
Dan, wanneer, met ziel en zinnen,
Zich de jeugd der blijdschap wijdt,
Kunnen wij zoo teêr niet minnen
Als in minder blijden tijd.
Duizend wenschen, 's levens eerste!
Mogen in den bloesem staan,
O, de Liefde is 't allerteêrste,
Waar die allen zijn vergaan!
Wen de jeugd met de eerste droomen
Immer verder van ons vliedt,
Als een blaadtjen op de stroomen,
Dat ge nimmer keeren ziet:
Als de feestkelk, leêggedronken
Onder scherts en snarenklank,
Onverwachts wordt volgeschonken
Met des lijdens alsemdrank:
Dan eerst kan de Liefde ontwaken
Met een volheid en een gloed,
In den zwijmel der vermaken
Door het hart niet eens vermoed.
Dartle Liefde gaat verloren
Bij een eerste winterkoû,
Maar de Liefde, uit smart geboren,
Is gelijk de smart getrouw!
't Land der zonne legt de bloemen
Glans en gloed op ieder blad,
Maar zij kunnen weinig roemen
Op een milden geurenschat.
Wolken, nevels, als daar grijzen
Aan ons waterachtig zwerk,
Doen eerst recht de geuren rijzen
Uit het vochtig bloemenperk.
Zóo leent ook de vreugd der aarde
't Oog een wilden hartstochtsgloed,
Maar de Liefde toont heur waarde
Heerlijkst in den tegenspoed.
Schuchter moog' ze in 't blosjen bloeien
Op het blij gelaat der bruid,
Eerst wanneer de tranen vloeien,
Stort zij al heur zoetheid uit!