1.
Liefste, ga meê,
Over de zee!
Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal!
Wissle de wind,
Hij die bemint,
Kent geen saizoenen, en mint overal.
Bedreigt ons de waereld, we ontvluchten haar erf;
Gij zijt er: ik leef; gij verdwijnt: en ik sterf.
Kom, ga dan meê,
Liefste, over zee!
Meê, waar het golfjen ons wiegelen zal!
Wissle de wind,
Hij die bemint,
Kent geen saizoenen, en mint overal.
2.
Woont niet op zee
Vrijheid en vreê?
Dreigen niet onrust en boeien aan land?
Slaaf zijn we dáar:
Maar op de baar
Lacht onze liefde met teugel en band.
Geen oog dat ons ziet, en geen tong die ons wondt;
De waereld verdwijnt, en 't wordt hemel in 't rond!
Kom, ga dan meê,
Liefste, over zee!
Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal!
Wissle de wind,
Hij die bemint,
Kent geen saizoenen en mint overal!