MIJMERING.

O, hoe vaak in den nacht,

Eer de sluimring al zacht

Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,

Rijst in vriendelijk licht

Mij 't verleên voor 't gezicht

En de stem der Herinnering fluistert:

Van de smart en de vreugd

Eener zalige jeugd;

Van de liefde, half schaamrood ontloken;

Van de lipjens zoo rood,

Nu verbleekt door den dood,

En de harten, voor immer gebroken!

Dus, in 't uur van den nacht,

Eer de sluimring al zacht

Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,

Rijst in vriendelijk licht

Mij 't verleên voor 't gezicht,

En--de stem der Herinnering fluistert!

2.

Als ik denk aan den kring,

Die me als broeder ontfing,

Aan de schaar mijner bloeiende vrinden,

Nu ter ruste geleid,

Of verwelkt en verspreid,

Als het najaarsgeblaârt op de winden:

O, dan is 't of ik dwaal

Door de feestlijke zaal,

Nog zoo straks door de vreugde beschenen,

Waar geen luchter meer blinkt,

Waar geen beker meer klinkt,

En de gasten, op mij na, verdwenen!

Dus, in 't uur van den nacht,

Eer de sluimring al zacht

Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,

Rijst in vriendelijk licht

Mij 't verleên voor 't gezicht,

En--de stem der Herinnering fluistert!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 115 / 144 题