O, hoe vaak in den nacht,
Eer de sluimring al zacht
Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
Rijst in vriendelijk licht
Mij 't verleên voor 't gezicht
En de stem der Herinnering fluistert:
Van de smart en de vreugd
Eener zalige jeugd;
Van de liefde, half schaamrood ontloken;
Van de lipjens zoo rood,
Nu verbleekt door den dood,
En de harten, voor immer gebroken!
Dus, in 't uur van den nacht,
Eer de sluimring al zacht
Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
Rijst in vriendelijk licht
Mij 't verleên voor 't gezicht,
En--de stem der Herinnering fluistert!
2.
Als ik denk aan den kring,
Die me als broeder ontfing,
Aan de schaar mijner bloeiende vrinden,
Nu ter ruste geleid,
Of verwelkt en verspreid,
Als het najaarsgeblaârt op de winden:
O, dan is 't of ik dwaal
Door de feestlijke zaal,
Nog zoo straks door de vreugde beschenen,
Waar geen luchter meer blinkt,
Waar geen beker meer klinkt,
En de gasten, op mij na, verdwenen!
Dus, in 't uur van den nacht,
Eer de sluimring al zacht
Aan mijn eenzame sponde mij kluistert,
Rijst in vriendelijk licht
Mij 't verleên voor 't gezicht,
En--de stem der Herinnering fluistert!