Als wij niets van 't leven hopen,
Na 't verlies van 's levens vreugd,
O, hoe gaat dan 't hart ons open
Bij een feestklank uit der jeugd!
In de ziele, diep bewogen,
Rijzen de oude droomen weêr,
En uit moêgekreten oogen
Straalt een lachjen van weleer!
Zwevende over rozelaren,
Streelt ons 't windtjen hemelzoet:
Dús de toon uit blijder jaren,
Die ons onverwachts ontmoet,
't Windtjen geurt nog om ons henen,
Als de rozenblos verschiet:
Zóo, al is de vreugd verdwenen,
Leeft zij voort in d' aâm van 't lied!
O Muziek! bij uwe akkoorden
Wordt de spraak zoo koud en schraal.
Waarom zoekt de ziel naar woorden?
Gij slechts zijt haar moedertaal!
Liefde en vriendschap kunnen vleien,
Daar bedrog de lippen plooit:
Maar, Muziek! Uw melodijen
Streelen, maar bedriegen nooit!