Al moest ik het zien, dat uw blosjen verdween,
Nu weêrschittrend van jonkheid en min,
Al smolt in mijn arm al uw schoonheid daarheen,
Als de gift eener Toovergodin:
Geloof me, ik beminde u zoo vurig als thans;
En ware ook haar tempel geslecht,
Elke wensch van mijn hart werd een groenende krans,
Aan den bouwval der Schoonheid gehecht!
Neen, 't is niet ten dage uwer bloeiende lent,
Nu geen traan nog uw oogjens ontwijdt,
Dat de gloed en de trouw eener ziel wordt gekend,
Wie ge al dierbaarder wordt met den tijd.
O, die waarlijk bemint, hij bemint onbepaald,
En volhardt met ondoofbaren gloed,
Als de zonnebloem ginds, die haar God, wen hij daalt,
Even teêr als bij d' opgang begroet!