(Uit: "The Song of Hiawatha.")
"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
Riepen oorlogsliên en grijzen,
Toen hij met den wampumgordel
Zegevierend huiswaarts keerde
Uit de Noordenwindkontreiën,
Uit het koninkrijk Wabasso,
't Vaderland van 't wit konijntjen.
Dáar stal hij den wampumgordel
Van den nek van Mishe-Mokwa,
D' ongelikten beer der bergen,
Uren ver den schrik der volken,
Als hij met zijn volle zwaarte
Slapend neêrlag op den bergtop,
Als een rots met mosch bewassen,
Rosschig bruin en grijsgespikkeld.
Zachtkens sloop hij naar hem henen,
Tot hem 's monsters roode nagels
Haast beroerden, haast verschrikten,
Tot de wasem van zijn neusgat
Mudjekeewis' handen warmde,
Die den wampumgordel heentrok
Over de ooren, die niet hoorden,
Over de oogen, die niet zagen,
Langs de zwarte snoet en 't neusgat,
Dat, met heeten adem hijgend,
Mudjekeewis' handen warmde.
En verheugd den strijdaxt zwaaiend,
Onder 't juichen van een krijgskreet,
Trof hij plotsling Mishe-Mokwa,
Trof hij hem op 't ruige voorhoofd,
Juist in 't midden, tusschen de oogen.
Door den rouwen slag verbitterd,
Rees de groote beer der bergen;
Maar zijn logge knieën beefden,
En hij jammerde als een meisjen,
Als hij stromplend voorwaarts wankte,
Als hij op zijn schenkels hurkte.
En de sterke Mudjekeewis,
Zonder vreeze voor hem staande,
Hoonde hem met luiden spotlach,
Dus verachtend hem begroetend:--
"Hoor, gij beer! gij zijt een flauwert,
"En geen held, zooals gij voorgeeft,
"Anders zoudt gij niet zoo krijten,
"Niet zoo jammren als een meisjen!
"Beer! gij weet het, onze stammen
"Zijn elkander lang vijandig,
"Lang reeds krijgden wij te samen;
"Wij, nu merkt gij 't, zijn de sterksten,
"Daarom deinst gij naar de bosschen,
"En verschuilt ge u in de bergen!
"Waarlijk, hadt ge mij verwonnen,
"Zucht noch kreun hadt gij vernomen;
"Maar daar zit gij, beer! en jammert,
"En onteert uw stam door klagen,
"Als een slechte Shaugodayn,
"Als een best van honderd jaren!"
Weêr deed hij den strijdaxt gonzen,
Nog eens trof hij Mishe-Mokwa
Midden op het ruige voorhoofd,
En vergruisde hem den schedel,
Even als de tred des visschers
In den winter ijs vergruizelt.
Zoo bezweek dan Mishe-Mokwa,
De ongelikte beer der bergen,
Uren ver de schrik der volken!
"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
Juicht het volk met duizend stemmen:
"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"
"Westenwind, dat zal hij wezen,
"En na dezen en voor immer
"Zal hij heerschappije voeren
"Over al des hemels winden!
"Noem hem niet meer Mudjekeewis,
"Maar den Westenwind, Kabeyun!"
Alzoo werd nu Mudjekeewis
Vader aller hemelwinden.
't West behield hij voor zich-zelven,
De andren gaf hij aan zijn kindren,
D' Oostenwind gaf hij aan Wabun,
't Zuid' gaf hij aan Shawondasee;
En den Noordenwind, den ruwen
Grimmigen Kabibonokka.
Jong en lieflijk schoon was Wabun;
Hij was 't, die den morgen wekte,
Hij, wiens zilvren vleugelpijlen
't Donker voor zich henenjoegen;
Hij, wiens zachte wangen gloeiden
Van de hoogste purperblosjens,
Hij, wiens stem de dorpsjeugd wekte,
't Boschhert opriep, en den jager.
Eenzaam zat hij aan den hemel:
Of de vogels vroolijk zongen,
Of de bloemtjens van de weiden
Hem de lucht met geuren vulden,
Of de bosschen en de stroomen
Bij zijn naadring juichend zongen,
Altijd treurig sloeg hem 't harte,
Want hij was alléen daarboven.
Maar op zeekren vroegen morgen,
Als het dorpjen lag te slapen,
En de mist daarhenen rolde
Als een geest bij 't ochtendkrieken,
Ziet! daar zag hij, nederblikkend,
In een weide een jonkvrouw wandlen,
Die er eenzaam lelies plukte
Bij een beekjen in de weide.
Elken morgen, nederblikkend,
Was het eerst wat hij aanschouwde
Altijd weêr heur blauwende oogen,
Hem verwachtend, hem begroetend,
Blauwe meiren tusschen 't biesbosch.
En hij minde 't eenzaam meisjen,
Dat daar steeds zijn komst verwachtte;
Want zij waren beiden eenzaam,
Zij beneden, hij daarboven.
En hij maakte 't hof haar kozend
Met zijn zoetste zonnelachjens,
Met zijn zachtste fluisterwoordtjens,
Met zijn zuchtjens en zijn zangen,
Met zijn fluistren in de twijgen,
Met zijn toontjens, met zijn geurtjens;
Tot hij haar in de armen drukte,
In zijn purperkleed haar hulde,
En veranderde in een starre,
Eeuwig trillende aan zijn boezem;
En nu ziet men ze aan den hemel
Immer en te samen wandlen,
Wabun en de Wabun-Annung,
Wabun en de Morgensterre!
Maar het Noord, Kabibonokka,
Woonde tusschen ijsgebergten,
In een eindloos sneeuwgedwarrel,
In het koninkrijk Wabasso,
In het land van 't wit konijntjen.
Hij was 't, hij, wiens hand des najaars
Al de boomen vuurrood kleurde,
Rood en geel de blaâren plekte;
Hij was 't, die de vlokken strooide,
Sissend, fluitend door de bosschen;
Die rivier en meir versteende,
Die de meeuw naar 't Zuiden heendreef,
En den zeeraaf en den reiger
Naar hun nest van riet en zeegras,
Op 't gebied van Shawondasee.
Eens, daar trad Kabibonokka
Grimmig uit zijn warrlend sneeuwhuis,
Uit zijn huivrige ijsbergtente;
En zijn hair, met sneeuw besprenkeld,
Vloog hem na in zwarte golven,
Als de wilde winterbeeken,
Toen hij huilend Zuidwaards jaagde
Over ijszee en moerassen.
Daar, omringd van riet en biezen,
Vond hij Shinbegis, den duiker,
Snoeren aangeregen visschen
Na zich sleepend over d' ijsvloer,
Langs bevrozen veen en moerland,
Waar hij enkel nog vertoefde;
Want zijn stam was lang vertrokken
Naar het Land van Shawondasee.
Toornig riep Kabibonokka:
"Wie vermeet zich mij te tarten?
"Wie durft in mijn rijk vertoeven,
"Als de Wawaas zijn verdwenen,
"Als de gans naar 't Zuiden klepte,
"En de reiger, de Shuh-shuh-gah,
"Lang alreê vertrok naar 't Zuiden?
"'k Zal zijn wigwam binnentreden,
"En zijn smeulend vuur wel dooven!"
's Nachts, daar trad Kabibonokka
Barsch en dreigend naar de woning,
Hoopte sneeuw op rond de wanden,
Dreef dan rook weêr in de schouwe,
Schudde' deurpost en gebindten,
Deed de tochtgordijnen waaien.
Shingebis, de duiker, hoorde 't,
't Was hem altemaal om 't even:
Want hij had vier groote blokken,
Om zijn haardsteê meê te warmen:
Elk een brandstof voor vier weken;
En de visch was hem tot spijze.
Zoo dan zat hij bij de vlammen,
Warm en prettig, etend, lachend,
Zingend: "O Kabibonokka,
"Toch zijt gij mijn medestervling!"
Woedend trad Kabibonokka
Nu de hut des duikers binnen.
Shingebis, de duiker, voelde 't,
Voelde 't aan de groote koude,
Aan dien adem, kil en ijzig.
Toch hield hij niet op met zingen,
Toch hield hij niet op met lachen;
Maar hij keerde 't blok eens omme,
Liet de vlam wat hooger flikkren,
Liet een rosschen vonkenregen
Gonzend door de schouwe vliegen.
Van Kabibonokkaas voorhoofd,
Van zijn witbesneeuwde hairen,
Droop het zweet bij stralen neder,
Kuilen in den aschhoop borend,
Even als de sneeuw in 't voorjaar
Smeltend druppelt langs de goten
En de groene sparrenstekels,
Gaten in het sneeuwkleed halend.
Eindlijk was hij overwonnen,
Onverdraaglijk was de hitte,
Was hem 't lachen, was hem 't zingen.
IJlings sprong hij op naar buiten,
Waar hij stampend op de sneeuwkorst,
Op rivier en zeeham stampend,
De opgehoopte sneeuw nog harder,
't IJskristal nog dikker maakte,
Waar hij Shingebis, den duiker,
Uitdaagde om met hem te worstlen,
Naakt en wapenloos te worstlen,
Op bevrozen veen en moerland.
Nu begon de stoute duiker,
Onverbleekt naar buiten tredend',
Met den Noordenwind te worstlen;
Heel den nacht, naakt, zonder wapens,
Streed hij met Kabibonokka,
Tot zijns vijands adem stokte,
Tot zijn kille vuist verlamde,
Tot hij huilend rugwaarts rolde,
En verneêrd, verslagen deinsde
Naar het koninkrijk Wabasso,
Naar het land van 't wit konijntjen,
Steeds vervolgd door 't schaterlachen,
Steeds vervolgd door 't lied des duikers,
Als hij zong: "Kabibonokka,
Toch zijt gij mijn medestervling!"
Shawondasee, log en langzaam,
Had zijn woning ver in 't Zuiden,
In het slaaprig zonneschijntjen,
In den eindeloozen zomer.
Hij was 't, die de vogels uitzond,
D'Opechee of 't roodeborstjen,
't Blauwe vogeltjen, d' Owaissa,
Met de Shawshaw of de zwaluw,
En de wilde gans, de Wawa;
Hij, die naar het verre Noorden
't Nikotiaansche kruid, meloenen,
En de purpren druiven opzond.
Uit zijn pijp, in blauwe wolkjens,
Steeg de zwoele damp ten hemel,
Heel de warme lucht doorstroomend
Met een droomerige zachtheid,
Alle waatren lieflijk tintend,
Alle scherpe heuvels rondend.
Alzoo zond hij heinde en verre
De Indiaansche zomerweelde,
In de maand der schoonste nachten,
Als in 't Noord de sneeuwjacht dwarrelt.
Zorgloos droomde Shawondasee!
Toch lag op zijn pad éen schaduw,
En éen kommer in zijn harte.
Eens, als hij naar 't Noorden blikte,
Zag hij in een verre weide
Een volschoone maagd, een ranke
Slanke jonkvrouw, eenzaam staande
Midden in een verre weide;
Schittrend groen was haar kleedije,
En heur hair was als de zonne.
Daaglijks zag hij op haar neder,
Daaglijks zag hij neêr en zuchtte;
Daaglijks gloeide 't hart hem feller
Van verliefdheid en verlangen,
Voor de goudgelokte jonkvrouw.
Maar hij was te log en langzaam
Om haar vroolijk 't hof te maken,
Al te traag en al te vadzig
Om haar vriendlijk toe te spreken.
Zoo dan bleef hij staren, staren,
Zitten, zuchten en verlangen
Naar de jonkvrouw in de weide.
Maar op zekren vroegen morgen,
Als hij weêr naar 't Noorden blikte,
Zag hij 't goud der schoone lokken
Fluks veranderd, zilverglinstrig,
Overstrooid niet witte vlokken.
"O, mijn broeder uit het Noorden,
"Uit het koninkrijk Wabasso,
"Uit het land van 't wit konijntjen!
"Gij hebt mij de maagd ontstolen:
"Op haar stralend Englenkopjen
"Legdet gij de hand ter neder,
"Gij ontvrijdet mij mijn meisjen
"Met de faablen van uw Noordland."
Alzoo klaagde Shawondasee
Aan de lucht zijn bittre smarte,
En de vlugge wind van 't Zuiden,
Warm van Shawondasees zuchten,
Zweefde door de verre weide,
Tot de lucht van vlokken vol scheen,
En de wei van distelpluimen;
Tot de goudgelokte jonkvrouw
Hem voor immer was ontvloden.
Nimmer meer zag Shawondasee
't Zonnig Englenkopjen weder.
O, bedrogen Shawondasee!
't Was geen jonkvrouw, waar ge op staardet,
't Was geen maagd, waarom gij zuchttet:
't Was de Leeuwentand [1] der weide.
Daarop zaagt gij heel den zomer
Met dat zielsverlangen neder,
En gij bliest haar met uw zuchten
Van den stengel af in vlokken--
O, bedrogen Shawondasee!
Zoo verdeelden zich de winden:
Mudjekeewis' wakkre zonen
Hadden dus hun vaste zetels
Aan de hoeken van den hemel;
Mudjekeewis hield het westen,
Enkel 't westen, voor zich-zelven.