HIJ.

Gij weigert mij, die de aarde pas verliet,

Eene aardsche, een zwakke vergelijking niet?--

Bij 't huis, waar ik geboren ben--gij waart

Toen ik het weêr betrok, niet meer op aard,

Maar weet het toch--had ik een tuin geplant.

Kwam dan de lent', dan trad ik door 't plantsoen,

Om na te gaan of alles wat mijn hand

Gepoot had, leefde en tierig stond en groen.

Daar waren boomen, struiken, overal,

En leliën en rozen zonder tal;

Toch kende ik ieder struikjen even goed;

Ik had het zelf voor wind en weêr behoed,

Gedrenkt en opgebonden en besproeid.

Als ik dan oud en jong in nieuwe jeugd

Ontwikkeld zag en heerlijk opgebloeid,--

Dan klopte mij het hart van zoete vreugd.

Zóo schijnt mij die daar ginds zijn schreden wendt,

De hovenier uit deze Hemelgaard!

Hij wandelt rond, zoo rustig, zoo bedaard,

Toch merkt men wel hoe goed hij alles kent.

Tevreden blikken slaat hij wijd en zijd;

Niets schijnt er aan zijn vriendlijk oog te ontgaan.

't Is of die schepping hier hem recht verblijdt--

Maar hoe, wat wondere aandrift grijpt mij aan?

't Was alles zacht en kalm wat ik ervoer:

Waar is mijn rust gebleven? Ik ontroer.

Wat stormt er zoo door borst en aadren heen?

Een nevel ligt op alles uitgespreid:

De Hemel-zelf in al zijn majesteit

Deinst uit mijn oog:--'k zie hem en hem-alleen!

Het is mij bijna weêr als voelde ik smart,

Maar in die smart ligt hooger zaligheid!

Een wonderbaar verlangen trekt mijn hart

Tot hem: ik ken hem en ik ken hem niet.

'k Weet, dat mijn oog hem nu voor 't eerste ziet,

Toch is het mij als zag ik--maar wanneer?

Misschien wel in een droom?--die trekken meer.

Nu nadert hij. Hij ziet van verre ons aan.

't Is of hij zich verblijdt op ons gezicht.

Zie, in die oogen, enkel liefde en licht,

Weêrblinkt iets als een stille vreugdetraan.

Ik kan mij niet weêrhouden. Neen, ik moet

Nabij hem zijn, hem zeggen, duizend keer

Herhalen, dat mijn ziel hem liefheeft, meer

Dan al wat ze ooit met liefde heeft begroet.

Hij hoort ons: zie, hij lacht ons minzaam toe:

Hij strekt de handen naar ons uit--maar hoe!

Likteekens in die handen! en een gloed,

Die uit die teekens straalt! O Heerlijkheid!

Ja, 't is wel zóo, dat zijn die handen nu,

Doorgraven eens, thands zeegnende uitgebreid!

Hij zegent ons. O diep gevoel ik u,

Gij, eerste zegen hier omhoog! want ja,

Nu weet ik het, de Hemel is nabij,

De Hemel is hier binnen! Dat is Hij,

Nu weet ik het! Hij is 't!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 87 / 144 题