Een tweede graf, zoo pas
Gedolven naast het uwe in 't groene gras.
De kerkhofdeur draait op heur hengsels rond,
Een lijkkist, zie! mijn kindren volgen haar....
Wat weent gij toch zoo bitter bij die baar,
Mijn kindren! Och, of ge ons aanschouwen kondt
Gelijk wij u aanschouwen--neen, geen traan
Zou vloeien, dan van stille vreugde in God.
De kist daalt in de groeve--'k zie haar staan:
Een schop vol aard rolt neder--'t is gedaan.
Nu sluit men 't graf, nu rust mijn overschot
Bij 't uwe. Keert, geliefden! keert in vreê,
En draagt van 't heil, dat ons de Heer verleent,
Een hemelsch voorgevoel in 't harte meê!
Keert dikwerf weêr! bezoekt het grafgesteent'
Der ouderen! Als gij daar bidt en weent,
Dan zullen ze u nabij zijn met den troost
Des Heeren. O, blijft wandlen aan Zijn hand:
Hij weet den waren weg naar 't Vaderland.
Dat hebben we ondervonden, dierbaar kroost!
Dáar brengt Hij, na de korte scheidenspijn,
Ons eeuwig saam!