Gewis!
En duidlijk ook! De plaats is mij bekend:
Het kerkhof is 't, waar ik uw dierbaar lijk
Ter rust bracht in de stille doodenwijk.
Daar heb ik vaak mijn schreden heengewend:
Ik noemde 't mijn groen plekjen der woestijn,
Ik knielde er neêr met tranen en gebeên.
En sloeg er de oogen naar den Hemel heen,
Den Hemel, ach! waar wij nu beide zijn!
Zie, dacht ik dan, nu wandelt ze in den Hof
Des Levens, tusschen bloemen en geboomt',
Zoo zij dan ook de rustplaats van haar stof
Met groene boomen en gebloemte omzoomd!
Zoo rees daar dan een boschje, een bloemengaard,
En 't schoonste wat elk jaargetijde gaf,
Bloeide als een krans der liefde bij uw graf.