HIJ.

Mijn moeder! ach, die reine, teedre ziel,

Wat is zij vroeg verreisd naar beter sfeer!

Ik telde geen drie jaar, toen zij me ontviel.

"Ach," snikte ze in den laatsten worstelstrijd,

(Ik had het hoofdtjen op haar schoot gevlijd)

"Mijn kind, dat ik zoo innig heb bemind,

"Wat wordt er van mijn kind!".... O vrouw, zie neêr!

Al wat een mensch kan worden, werd uw kind:

Een Godskind, een verloste van den Heer!

Dat is genâ, dat deed de Alzegenaar,

Maar ook op uw gebed!--Niet waar?

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 69 / 144 题