HIJ.

Dat was een feest, wanneer wij vader dan

Bezochten op zijn dorp! Die brave man,

Hoe werd er 't allereerst naar hèm gevraagd,

Hoe zochten we, als de wagen stil bleef staan

En allen ons begroetten om het zeerst,

Zijn eerbiedwaardig aangezicht het eerst!

Hoe zoet was dan die stille vreugdetraan....

Hoe zoeter nog zal hier het weêrzien zijn!--

Hij, die zoo blijd de minste vreugd genoot,

Wien 't kleinste bloemtje' een heerlijk schouwspel bood,

Wiens hart ontlook in elken zonneschijn;

Hij, die zoo gaarne en vaak naar buiten trad,

De starren groette aan 't eindloos heiligdom,

En de Almacht, die de starren schiep, aanbad--

Hoe zal hij _hier_ genieten, waar alom

Hem 't Heilige der Heilgen opengaat,

Waar hij de hóogste wondren gadeslaat!

Hij, wien de minste gunst zoo innig trof,

Hij, die den Heer zoo vurig danken kon

Voor elken druppel uit Zijn liefdebron,

Hoe zal hij hier versmelten in Zijn lof,

Waar hij mag drinken uit alle' overvloed!

"Tot weêrziens!" klonk zijn allerlaatste groet

Bij d'afscheidskus: "Tot wederziens, mijn zoon!

Dat zal een danken wezen voor Gods throon!"

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 67 / 144 题