Zij leeft voor immer in mijn binnenst' voort:
En 'k zie aan u wat groote heerlijkheid
En eere Hij den Zijnen heeft bereid.
O, tusschen 't beeld dier kranke, dat ik thans
Weêr voor mij zie, en dezen hemelglans,
O, tusschen de arme bloem, die uitgebloeid
Den steel ontzonk, en deze Hemelroos,
Wat onderscheid! Neen, 't blosjen, dat daar gloeit,
Verwelkt niet meer door d' ademtocht des doods.
Nooit sterft het licht, dat uit die oogen schijnt;
Die leest wordt door geen jaren ondermijnd!
Zóo zult gij altijd wandlen aan mijn zij',
Zóo voert gij mij de Vaderwoning door;
En ook--tot hen die ik op aard verloor,
Tot al mijn lieve dooden leidt gij mij!